Fanatieke islamterroristen zijn in Syrië bezig met de verwoesting van de historische oasestad Palmyra. De tempel van Baälsjemin is reeds met explosieven vernietigd. Het gebouw dateerde uit de eerste eeuw na Christus en was één van de best bewaarde gebouwen van Palmyra, een stad die een zeer lange geschiedenis kent, maar het hoogtepunt van haar bloei bereikte toen de Romeinen er arriveerden. Palmyra bevindt zich 240 km ten noordoosten van de hoofdstad Damascus. Palmyra werd in 1980 door de Unesco erkend als werelderfgoed en geldt als één van de belangrijkste archeologische sites in het Midden-Oosten. Enkele dagen geleden werd ook de tempel van Baal opgeblazen. Palmyra heeft vele eeuwen getrotseerd, maar tegen het terroristische geweld is de stad niet opgewassen. Wie de ruïnes ooit heeft gezien mag zich koesteren in herinneringen, want niets zal hier ooit nog hetzelfde zijn.
De verbluffende stads- en tempelruïne aan de gelijknamige oase midden in de woestijn Palmyra was reeds in de oudheid een belangrijke handelsstad op de zijderoute. Onder de Romeinen floreerde Palmyra als een knooppunt op de handelsroute van China en India naar het Westen, waardoor het een schat aan Romeinse artefacten en gebouwen herbergt. Palmyra was de karavaanstop tussen de groene kuststrook en de 400 km verder gelegen Eurfraat. De stad werd schatrijk doordat de inwoners reizende handelaren bescherming boden tegen overvallen van bedoeïenen. Zelf noemden ze hun stad Tadmor, wonder of mirakel.
De geschiedenis van de stad gaat terug tot het tweede millennium v. Chr. Ze werd veroverd door Alexander de Grote en maakte na diens dood deel uit van het Seleucidenrijk. Toen de rijke oase, gelegen tussen de Romeinse provincie Syrië en Mesopotamië, omstreeks 30 v. Chr. de aandacht trok van de Romeinen, noemden zij de stad Palmyra, stad van de palmbomen.
In de stad bevinden zich uitgestrekte ruïnes uit de Romeinse tijd die sinds 1930 systematisch werden opgegraven. Zij omvatten o.m. een in een grote temenos gelegen, aan de god Bel of Baäl gewijde tempel (32 v. C.), omgeven door ca. 15 m hoge zuilen, een theater, een triomfboog, de door zuilenrijen omgeven hoofdstraat en de cella van een aan Baälsjemin gewijde tempel. Deze beide tempels zijn ondertussen reeds verwoest. Voor deze regio betekent dat ongeveer hetzelfde als het Colosseum of het Pantheon in Rome vernietigen.
Buiten de stad Palmyra zijn graftorens met kelders (in vele gevallen bestemd voor meer dan honderd personen) blootgelegd. De talrijke, in de kelders gevonden beelden uit de tweede en derde eeuw na Chr. opgesteld in nissen voor de loculi, zijn met hun weinig plastische vorm en levenloze gelaatsuitdrukking meer Oosters dan Romeins.
Eén van de fraaiste grafkelders uit Palmyra, die van de hogepriester Iarhaï, is thans opgesteld in het Nationaal Museum in Damascus. In een in 1975 opgegraven, aan de Arabische godin Allath gewijde tempel (vermoedelijk midden tweede eeuw na Chr.) werden o.m. Romeinse munten en olielampen en delen van een beeld van Athena Parthenos gevonden.
Palmyra, door de Assyriërs omstreeks 1100 v. Chr. als Tadmor vermeld en later gehelleniseerd, werd in 17 na Chr. onder keizer Tiberius vazal van Rome en onder Lucius Septimius Severus een Romeinse kolonie. Tegen het einde van de tweede eeuw, onder Septimius Severus, kreeg Palmyra de status van Romeinse kolonie en werd de stad geregeerd door koningen die de naam ‘Septimius’ vóór hun eigen Aramese naam plaatsten.
Onder de stadskoning Septimius Odaenathus breidde Palmyra zijn macht over Voor-Azië, Egypte en een groot deel van Klein-Azië uit. Van 260 tot 267 bewees Septimius Odaenathus zijn bondgenoot, de Romeinse keizer Gallienus, enorme diensten door onder meer in 260 de Perzen van het Romeinse grondgebied te verdrijven en Mesopotamië voor de Romeinen te heroveren. In 266 versloeg Odaenathus zelfs koning Shapur I, één van de grootste Romeinse vijanden.
Het bondgenootschap sloeg echter om in vijandschap nadat de koning en zijn zoon in 267 werden vergiftigd. De ambitieuze koningin-weduwe Zenobia (Betzabbai), die voor haar minderjarige zoon Athenodorus (Wahballat) regeerde, en Gallienus verdacht van de moord op haar man, bestreed de Romeinen tot in Egypte. Zij moest uiteindelijk het onderspit delven tegen het machtige Romeinse leger en het gevolg van het conflict was dat het machtige Palmyra in 273 na Chr. werd veroverd door keizer Aurelianus. De schade aan de infrastructuur van de stad was enorm.
Onder keizer Diocletianus werd omstreeks 300 een nieuwe stadsmuur gebouwd. In 325 nam de toenmalige bisschop van Palmyra, Marinus, deel aan het Concilie van Nicaea. Palmyra werd in 634 veroverd door de moslims, waarna op het grondgebied van de antieke stad een Arabische nederzetting werd gevestigd. Omstreeks 800 verliet het merendeel van de bevolking het gebied. De achterblijvers trokken zich terug binnen de muren van de grote tempel van Bel of of Baäl.
De tempel werd gebouwd op een plaats waar, in het tweede millennium vóór Chr. reeds een heiligdom stond. Bel (of Baäl) is oorspronkelijk een Babylonische god die vereenzelvigd werd met de Griekse Zeus en de Romeinse Jupiter. We schrijven de volgende zinnen met de illusie dat de tempel nog bestaat. Het bouwwerk dateert uit de eerste eeuw. Het tempeldomein is volledig ommuurd. De muren hebben een lengte van 205 m.
Langs de binnenzijde van de muren staan Korinthische zuilen. Centraal is er een cella, waarin twee kamers – één noordelijk en één zuidelijk – elk met een plafond gevormd door een monoliet waarin reliëfs zijn gebeeldhouwd. Ook het altaar bevindt zich binnen de cella. In de twaalfde eeuw werd de westelijke (hoofd)poort versterkt tot een bastion door de Arabieren.
De colonnades langs de decumanus lopen van het zuidoosten naar het noordwesten over een afstand van 1,2 km. Aan het begin is er een monumentale boog. Langs de decumanus ligt links de tempel van Nebo uit de eerste eeuw. Nebo is de Mesopotamische god van de wijsheid en van de orakels, vaak geïdentificeerd met de Griekse Apollo. Niets van dit alles zal nog ooit kunnen bewonderd worden.
Wat verderop rechts bevinden zich de thermen van Diocletianus. Links is er een Romeins theater uit de tweede en de derde eeuw. Verderop zijn er de senaat en de agora. Het tetrapylon werd gereconstrueerd in 1963. De kans dat deze fraaie overblijfselen uit de Romeinse tijd het fanatieke islamgeweld doorstaan is zeer klein. Palmyra is op weg naar de totale verwoesting.
De kleine tempel van Baälsjemin (‘heer van de hemel’), die ook al met explosieven werd opgeblazen, bevond zich noordoostelijk van het tetrapylon. Dit gebouw dateerde eveneens uit de eerste eeuw en werd voort uitgebouwd in de tweede en derde eeuw. In 1950 werd de tempel gerestaureerd. In het noordwesten is er het kamp van Diocletianus met de ‘tempel van de standaarden’.
Recent werd in Palmyra ook de 82-jarige archeoloog Khaled al-Asaad vermoord, die wereldfaam genoot door zijn decennialange opgravingen in Palmyra en zijn studie van de Syrische erfgoedstad. Hij wijdde ruim 50 jaar van zijn leven aan de opgraving, de studie en de promotie van de archeologische weelde van Palmyra. Uit protest tegen de moord hingen de vlaggen rond de musea in Rome een week lang halfstok.
Hij was ook het hoofd van de archeologische dienst toen een Syrisch-Japans team archeologen in 2002 een necropolis ontdekte uit het jaar 98 na Christus. De necropolis van Palmyra ligt buiten de stad zowel in het noorden, het westen als het zuiden. Er zijn individuele en gemeenschappelijke graven. Zowel de torengraven als de hypogea (ondergrondse graven) werden voor meerdere overleden burgers gebruikt.
Het torengraf van Elabel telt vier verdiepingen en heeft talrijke loculi met plaats voor sarcofagen; de begane grond is versierd met kolommen en er is een cassetteplafond. Het hypogeum van de drie broers heeft mooie fresco’s. De begraafplaats bestaat uit vier kamers opgericht uit gehouwen kalksteen waarin zich de rustplaatsen van de doden bevinden én meer dan twintig stenen platen waarin afbeeldingen van de doden zijn gekerfd.
De onder zes meter zand en puin verborgen begraafplaats bevat voorts kledij en sieraden van de afgestorvenen en uitgewerkte illustraties van het gezinsleven in de stad van de legendarische koningin Zenobia. Asaad omschreef de vondst destijds als een “ondergronds museum”.
Al dit fraais dreigt nu dus vernietigd te worden. De jihadi’s beschouwen zich als hoeders van de pure islam, die komaf maakt met de ‘ketterse’ kunst van weleer. Eerder gingen ze in de Iraakse stad Mosul al het beroemde oudheidkundige museum te lijf met drilboren en voorhamers en vernielden ze de nabijgelegen eeuwenoude sites van Hatra en Nimrud met een bulldozer. Recent nog moest ook een klooster in al-Quaryatayn, bij de Syrische hoofdstad Damascus er aan, geloven.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 4 september 2015. Bekijk het origineel.

