In Rome en het Vaticaan werd vorige maandag de negentigste verjaardag gevierd van het Verdrag van Lateranen, de naam waaronder de overeenkomsten gekend zijn die op 11 februari 1929 werden gesloten tussen de Heilige Stoel en het koninkrijk Italië. Het Verdrag van Lateranen maakte een einde aan het uit 1870 daterende geschil tussen het Vaticaan en Italië. Er werd een concordaat gesloten en Vaticaanstad werd een onafhankelijke soevereine staat.
Pas in 1984 werd dit concordaat na vijftien jaar onderhandelen vervangen door een nieuw verdrag. Rome zou vanaf dan niet langer de ‘Heilige Stad’ heten, de Italiaanse gelovigen gingen hun priesters en de bouw van nieuwe kerken voortaan zelf betalen, het godsdienstonderwijs op de openbare scholen was niet meer verplicht en allerlei belastingfaciliteiten voor kerken en kloosters werden afgeschaft.
Vóór de sluiting van het Verdrag van Lateranen omvatte de toenmalige Kerkelijke of Pauselijke Staat het gebied waarover de paus sinds de achtste eeuw wereldlijk soeverein was. Het bestond in hoofdzaak uit de stad Rome en Midden-Italië. De verovering van het gebied door de naar eenheid strevende Italiaanse staten (1860-1870) leidde tot de zogenaamde Romeinse Kwestie, die pas in 1929 werd opgelost door het sluiten van het voormelde Verdrag en waarbij de paus erkend werd als soeverein van Vaticaanstad.
In 1870, na het vertrek van de Franse troepen, konden Italiaanse troepen Rome binnentrekken en werd de aansluiting van de Kerkelijke Staat bij Italië een feit. Bij de Garantiewet van 13 mei 1871 erkende de Italiaanse staat de onschendbaarheid en soevereiniteit van de paus (echter zonder territorium), verleende hem de bevoegdheid tot het houden van concilies, stelde hem in het bezit van de paleizen van het Vaticaan, Lateranen en Castel Gandolfo en schonk hem een jaargeld.
Paus Pius IX was daarmee niet tevreden, weigerde elke medewerking met de Italiaanse regering, protesteerde tegen het feit dat de positie van de paus nu wettelijk door de Italiaanse Staat was geregeld en weigerde zich buiten de Vaticaanse territoria te begeven. Hij heeft zich binnen de muren van het Vaticaan altijd een gevangene gevoeld. Zijn opvolgers deelden dit standpunt. Pas in 1929 kwam de paus (Pius XI) met de Italiaanse staat tot overeenstemming door het sluiten van het voormelde Verdrag van Lateranen.
Een belangrijke rol hierin was weggelegd voor kardinaal Pietro Gasparri (1852-1934). Hij had een hoofdaandeel in de samenstelling van de Codex Iuris Canonici, het wetboek van canoniek recht van de Rooms-Katholieke Kerk. Van 1926 af voerde hij de onderhandelingen tussen de Heilige Stoel en Italië, die leidden tot het Verdrag van Lateranen. Op 11 februari 1929 ondertekende hij samen met Mussolini dit verdrag.
Vaticaanstad (Città del Vaticano in het Italiaans, maar officieel eigenlijk Stato della Città del Vaticano) of Status Civitatis Vaticanae zoals de Latijnse benaming ook wel mooi klinkt, is de ongeveer 44 ha grote ministaat die binnen de grenzen van Italië in het noordwesten van Rome werd opgericht in 1929 ten behoeve van de paus. Daarbij horen ook de immuniteit genietende, en buiten Vaticaanstad gelegen pauselijke bezittingen, namelijk de basilieken Sint-Jan van Lateranen, Maria Maggiore en de Sint-Paulus buiten de Muren, evenals het zomerverblijf in Castel Gandolfo.
Het ommuurde complex dat we vandaag kennen als Vaticaanstad bestaat uit het pauselijk paleis met uitgestrekte tuinen en de Sint-Pietersbasiliek met het gelijknamige ervoor gelegen plein. Tot het grondgebied behoren uiteraard ook de Vaticaanse Musea. De Heilige Stoel heeft ook bezittingen op Italiaans grondgebied. Deze bezittingen zijn dus geen Vaticaans grondgebied. Volgens het Verdrag van Lateranen hebben deze bezittingen echter een extraterritoriale status, vergelijkbaar met de status van een ambassade.
Ook in het Vaticaan wordt als munteenheid de euro gebruikt. Vaticaanstad heeft eigen euromunten maar die zijn behoorlijk zeldzaam en grote aantallen bevinden zich in handen van verzamelaars. De bevolking van Vaticaanstad kan onderverdeeld worden in staatsburgers en andere bewoners. Bij de eerste groep (het staatsburgerschap wordt verleend, men kan het niet door geboorte krijgen) horen de leden van het pauselijke corps diplomatique (die vrijwel allen in het buitenland wonen), de leden van de Zwitserse Garde, de in Rome wonende kardinalen en een kleine groep leken
Tot de andere bewoners behoren voornamelijk mannelijke en vrouwelijke geestelijken en ordeleden die in dienst van het Vaticaan zijn. Daarbuiten zijn er nog enkele duizenden mensen die een andere (meestal Italiaanse) nationaliteit bezitten en die louter werkzaam zijn in Vaticaanstad.
Het staatshoofd is de paus, het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk. Volgens de grondwet van 7 juni 1929 heeft hij als soeverein van Vaticaanstad ‘alle wetgevende, uitvoerende en rechterlijke bevoegdheden’. Hij wordt wat zijn wetgevende taken betreft, bijgestaan door een pauselijke commissie, de Pontificia Commissione per lo Stato della Città del Vaticano en door de Gouverneur van de Staat.
In de commissie, die wordt geleid door de kardinaal-staatssecretaris, hebben nog zes kardinalen zitting, die voor vijf jaar worden benoemd. Er bestaat sinds 1969 een adviserend orgaan, de Consulta dello Stato, waarin uitsluitend leken zitting hebben. Aan de voormelde commissie is ook de uitvoerende macht gedelegeerd. In afhankelijkheid van haar fungeren het zogenaamde Gouvernement (Governatorato) en een aantal directoraten (Direzioni Generali).
Het gouvernement wordt gevormd door het secretariaat-generaal en de bureaus voor juridische zaken, personeelszaken, de financiële administratie, filatelie en numismatiek, het postbedrijf, het goederenvervoer, de bewakingsdienst en de dienst voor informatie aan pelgrims en toeristen. De belangrijkste directoraten zijn die voor de monumenten, musea en kunstgalerijen, voor de economische zaken, het gezondheidswezen, Radio Vaticana en de Vaticaanse sterrenwacht.
Het Vaticaan heeft een eigen rechtbank, met drie soorten rechtsprekende instanties, met onder andere een rechtbank van eerste aanleg, een hof van appel (hoger beroep) en een hof van cassatie, die tevens bij de kerkelijke rechtspraak zijn ingeschakeld. Vaticaanstad heeft in de meeste landen diplomatieke vertegenwoordigers, die tevens vertegenwoordiger (nuntius) van de Heilige Stoel zijn. Tevens is het Vaticaan als waarnemer vertegenwoordigd in de Verenigde Naties, de UNESCO en de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties.
De Zwitserse Garde, een in 1506 door paus Julius II opgericht korps van katholieke Zwitsers, die de lijfwacht van de paus vormen en de toegangen tot Vaticaanstad en de pauselijke paleizen bewaken, is bij de meeste mensen wel bekend. Hun fotogenieke pakjes zijn geliefd bij bezoekers van de Sint-Pietersbasiliek.
Voor de algemene veiligheid staat echter de Gendarmerie van Vaticaanstad in, het Corpo della Gendarmeria dello Stato della Città del Vaticano, die uit de oude Pauselijke Gendarmerie is ontstaan. Deze politiedienst ontstond in 1970 nadat paus Paulus VI de Palatijnse Garde en de Nobelgarde had ontbonden. Beide verzorgden een aantal politietaken. Aanvankelijk heette het korps Vigilanza dello Stato della Città del Vaticano (kortweg de Vigilanza), maar onder paus Johannes Paulus II kreeg het in 2002 zijn huidige naam.
De Palatijnse Garde, ook wel Paleisgarde of Eregarde (Guardia Palatina d’Onore), was een militaire eenheid van de Kerkelijke Staat. Deze Garde werd in 1850 opgericht onder impuls van paus Pius IX en was bedoeld als een infanterie-eenheid. Ze hield zich bezig met wachtlopen en het verdedigen van de Kerkelijke Staat tegen aanvallen van buiten. In 1877 schonk de Garde een kostbare tiara aan paus Pius IX, de zogenaamde Palatijnse tiara, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van diens bisschopswijding.
Na de Italiaanse eenwording en het opheffen van de Kerkelijke Staat in 1870-1871, zag ook de Garde zich gedwongen zich terug te trekken binnen het territorium van Vaticaanstad. D e Palatijnse Garde bestond louter uit vrijwilligers, vooral Romeinen, die voor hun werkzaamheden slechts een bescheiden onkostenvergoeding kregen. De eenheid werd om die reden in het Italiaans ook wel Eregarde genoemd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht de garde actief tegen SS-troepen die probeerden de pauselijke zomerresidentie Castel Gandolfo in te nemen. Op 14 september 1970 werd de Pauselijke Garde door paus Paulus VI opgeheven. Voormalige gardisten konden lid worden van de Sint-Petrus en Sint-Paulus Vereniging, een groepering die tot vandaag bestaat.
De pauselijke Nobelgarde, Edelgarde of Edelwacht was een officierenkorps van ongeveer 90 leden, belast met de bewaking en bescherming van de paus en niet te verwarren met de Zwitserse Garde, die al veel langer bestond. De Nobelgarde werd op 11 mei 1801 opgericht door paus Pius VII. Ze bestond vooral uit edellieden afkomstig uit vooraanstaande Romeinse adellijke families.
De leden van deze garde kregen geen vergoeding voor hun diensten en moesten zelf zorgen voor hun uitrusting. Deze bestond uit een dienstuniform, een semi-gala uitrusting, een gala-uitrusting en een grote blauwe mantel. Aan het hoofd van de Nobelgarde stond een kapitein wiens graad overeenkwam met die van generaal in het Italiaanse leger. Paus Paulus VI besliste in 1970 dat de Nobelgarde samen met alle andere pauselijke legereenheden (behalve de Zwitserse Garde) moest worden opgeheven.
De huidige Gendarmeria is belast met reguliere politietaken, met uitzondering dus van de persoonsbeveiliging en de bewaking van objecten. Die taken worden uitgevoerd door de Zwitserse Garde. Sinds 2008 is de Gendarmeria aangesloten bij Interpol. Ook de Vaticaanse brandweer is ondergebracht bij het korps. Het korps beschikt sinds 2007 over een eigen anti-terreureenheid.
Aan de gendarmerie zijn ook de taken van de verkeerspolitie toegewezen. In de periode 1969-1970 werden de arbeidsverhoudingen vastgelegd in een uitgebreid reglement, dat onder meer de hoogte van de salarissen, de pensioenen en de secundaire arbeidsverhoudingen regelt.
De Fondo Assistenza Sanitaria is verantwoordelijk voor de gezondheidszorg. Het Vaticaan heeft een groot aantal instellingen voor hoger onderwijs, die vrijwel allemaal buiten Vaticaanstad, in Rome, gevestigd zijn. De belangrijkste daarvan zijn de pauselijke universiteiten, de Gregoriana, de Lateranense, de Urbaniana, de Università di San Tomaso d’Aquino en de Salesiana.
Daarnaast zijn er pauselijke instituten zoals die voor gewijde muziek, christelijke archeologie en voor de studie van het Arabisch en de islam en de pauselijke academies voor archeologie en voor natuurwetenschappen. Het dagblad van het Vaticaan is de l’Osservatore Romano. Radio Vaticana werd gesticht in 1931. In 1983 werd ook een televisiestation opgericht.
Alle economische activiteiten zijn in handen van de overheid. Er wordt geen inkomstenbelasting of btw geheven en er bestaan geen indirecte belastingen. Er zijn twee grote staatswinkels die een uitgebreid assortiment goederen tegen vastgestelde (lage) prijzen verkopen en waar – naast inwoners van Vaticaanstad – ook houders van een speciale vergunning toegang hebben.
Het Vaticaan heeft eigen inkomsten uit de uitgifte van postzegels en de circulatie van de eigen munten. Daarnaast beschikt het, als uitvloeisel van de bepalingen van het Verdrag van Lateranen, over een aandelenpakket (met naar verluidt zowel binnen- als buitenlandse belangen), waarvan de waarde niet bekend is, en over onroerend goed, dat alleen al in de stad Rome ongeveer 5.000 woningen omvat.
Het Istituto per le Opere di Religione (IOR) is de staatsbank. In 1979 publiceerde het Vaticaan voor het eerst begrotingscijfers. In de jaren ’90 van de vorige eeuw zorgden financieel wanbeheer, bankschandalen en de waardevermindering van de dollar voor aanzienlijke tekorten. Het Vaticaan beschikt over een eigen postdienst en telefoonnet. Er bestaat nog altijd een aansluiting op het spoorwegnet van de Italiaanse staatsspoorwegen en het ministaat beschikt ook over een helihaven.
Het Lateraan is een paleis op de Monte Celio in Rome (oorspronkelijk bezit van het Romeinse adellijke geslacht van de Lateranen) dat door een keizerlijke schenking tijdens Constantijn de Grote eigendom van de Rooms-Katholieke Kerk werd. Gedurende het grootste deel van de middeleeuwen was het de residentie van de pausen: er hebben 161 pausen gewoond.
Na de branden van 1308 en 1361 bleef het lange tijd ongebruikt. Het huidige paleis werd gebouwd onder paus Sixtus V tussen 1585 en 1589 naar ontwerp van Domenico Fontana. Van 1854 tot 1963 diende het als museum voor antieke en vroeg-christelijke kunst. De zogenaamde Scala Santa leidt naar de vroegere pauselijke huiskapel.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 16 februari 2019. Bekijk het origineel.

