Het beroemde Romeinse standbeeld van de wolvin die Romulus en Remus zoogt en te bewonderen is in de Capitolijnse Musea, dateert volgens recente bevindingen van een kunsthistorica uit de middeleeuwen. Tot dusver werd aangenomen dat het beeld uit de oudheid dateerde, mogelijk zelfs uit de Etruskische periode (vijfde eeuw voor Christus).
Het bronzen standbeeld blijkt echter gegoten te zijn met een techniek die pas in de middeleeuwen is ontwikkeld, zo blijkt uit een diepgaand onderzoek van historica Anna Maria Carruba. Zij kwam tot die vaststelling tijdens de jongste restauratie van het Romeinse symbool bij uitstek.
De zogenaamde Capitolijnse wolvin of de ‘Lupa Capitolina’ in het Italiaans, het symbool van de stad Rome en van haar legendarische oorsprong, is altijd beschouwd als één van de belangrijkste kunstwerken uit de vroeg-Romeinse oudheid.
Het beroemde beeld figureert in de handboeken voor kunstgeschiedenis als een voorwerp van Etruskische makelij. Het werd ooit toegeschreven aan Vulca, de grote beeldhouwer uit Veii die naar Rome werd gehaald aan het eind van de zesde eeuw v. Chr. om de tempel van de Capitolijnse Jupiter te versieren.
Meer recentelijk werd het echter beschouwd als een werk van een kunstenaar uit Veii van een generatie later. Deze zou het beeld hebben vormgegeven en gegoten tussen de jaren 480 en 470 v. Chr.
Het staat daarentegen al een hele tijd vast dat het beeldje van de tweeling Romulus en Remus aan de wolvin is toegevoegd in 1471 of tenminste kort daarna, toen het bronzen beeld, dat door paus Sixtus IV aan Rome was geschonken, werd overgebracht van het Lateraan naar de Capitolijnse heuvel.
Onlangs is echter aangetoond, met onweerlegbare argumenten, dat de wolvin zelf evenmin uit de oudheid stamt. Op grond van technische karakteristieken hoort de wolvin in feite thuis in de categorie van de grote werken uit de middeleeuwse bronssculptuur, terwijl ze op grond van formele kenmerken kan worden toegeschreven aan de periode tussen de Karolingische tijd en die van de Romaanse kunst.
In 1997 werd de restauratie van het beeldhouwwerk toevertrouwd aan Anna Maria Carruba, een kunsthistorica en restauratrice die zich al jaren wijdde aan het conserveren van antieke bronzen, waarbij ze ook nauwkeurige onderzoek heeft gedaan om de techniek van het bronsgieten te bepalen.
Daaruit resulteerde dat het sculptuur gegoten is volgens de zogenaamde cire perdue of verlorenwasmethode. Deze techniek werd in de middeleeuwen zover ontwikkeld en verfijnd tot het mogelijk was grote bronzen of zilveren stukken te gieten, ook door de vraag om klokken te gieten zonder soldeerverbindingen en onregelmatigheden, waardoor ze hun zuiverheid van klank kregen.
Doorgaans werd hiervoor gietwas of boetseerwas gebruikt. Een wassen model krijgt wassen giet- en ontluchtingskanalen, wordt in een vuurvaste massa ingebed, waarna de was eruit wordt gesmolten en de kap gedroogd. Vervolgens wordt in de ontstane holte vloeibaar brons gegoten.
Na afkoeling worden de giet- en ontluchtingskanalen afgezaagd en blijft een bronzen afgietsel over. Nadat het gietsel uit de mal verwijderd is, wordt het afgewerkt door gaten dicht te hameren of te lassen, uitsteeksels weg te slijpen en het vervolgens te patineren.
Volgens de overlevering, verteld door de Griekse schrijver Pausanias (115-180) zouden Rhoikos en Theodoros, twee Griekse beeldhouwers uit de zesde eeuw v. Chr. als eersten de kunst hebben beheerst om heel precies brons te smelten en te gieten. De Griekse, Etruskische en Romeinse bronzen uit de oudheid onderscheiden zich van de middeleeuwse doordat ze in afzonderlijke delen zijn gegoten die vervolgens aan elkaar zijn gesoldeerd.
Specialiste Anna Maria Carruba stelt dat het toen echter niet zozeer ging om een vernieuwing van de gietmethode, kennis die al langer werd gebruikt voor de productie van kleinere beeldjes, maar eerder om een verfijning van de techniek van het aan elkaar solderen van de afzonderlijk gegoten delen.
De Griekse beeldhouwers gebruikten voor het aan elkaar zetten van hun werk verschillende kwaliteiten brons en metaallegeringen als soldeermateriaal, wat zorgde voor een steviger hechting. Deze techniek die we vandaag hard solderen noemen, werd geleidelijk overgenomen door de Griekse kunstenaars en vervolgens geïntroduceerd in Etrurië en Rome.
Aan de Capitolijnse wolvin werd al eerder een middeleeuwse oorsprong toegeschreven. De belangrijkste bijdrage op dit gebied in de twintigste eeuw was ongetwijfeld die van Emanuel Ltwy, die door zich uitsluitend op een analyse van formele kenmerken te baseren, reeds in 1934 de mogelijkheid uitsloot dat de wolvin een Etruskisch-Italisch kunstwerk zou zijn. Toch werd tot nog toe in het algemeen de theorie van Friedrich Matz (1951) gevolgd, die het beeld situeerde in het decennium 480-470 v. Chr.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 19 november 2006 op het Romenieuws-archief.

