Het zijn de laatste weken dat je in de Galleria Borghese een bijzondere tentoonstelling over Pablo Picasso kan bezoeken. De eerste tentoonstelling in Italië die volledig gewijd is aan het werk van Picasso als beeldhouwer eindigt op 3 februari. De expo is opgevat als een reis door de tijd en toont chronologisch 56 kunstwerken van de maestro die hij maakte tussen 1902 en 1961. De tentoonstelling omvat tevens heel wat nooit eerder gepubliceerde foto’s en projecteert tussen de vele kunstvoorwerpen ook video’s die de conceptie en de realisatie van de sculpturen tonen.
Het eerste contact tussen Picasso en Italiaanse kunst vond plaats in 1917 in Rome en Napels. Toen hij tijdens een reis kennismaakte met de antieke muurschilderingen in Pompeï raakte hij onder de indruk van de Romeinse oudheid en kreeg na een bezoek aan de Galleria Borghese en de Sint-Pietersbasiliek ook belangstelling voor de renaissance. Wat deze laatste periode betreft, was Picasso net zoals vele van zijn voorgangers vooral onder de indruk van de meesterwerken van Bernini en Michelangelo.
De tentoonstelling in de Galleria Borghese is eigenlijk een weerspiegeling van zijn ervaringen met de Italiaanse kunst. Ze doen nadenken over de grote thema’s met betrekking tot de schilder- en beeldhouwkunst uit de renaissance, een periode waarin talrijke nieuwe kunstzinnige ideeën ontstonden en vorm kregen. Picasso wist daar met een voor zijn tijd bijzonder moderne toets zeer goed op in te spelen.
Zoals altijd op een museumlocatie wisselen de antieke kunstwerken van de Galleria Borghese en het moderne werk van deze tijdelijke tentoonstelling elkaar af. Dat zorgt soms voor schitterende en zelfs grappige combinaties. Voor deze tentoonstelling is een uitgebreide catalogus beschikbaar in het Italiaans en het Engels. Voor een bezoek aan de Galleria Borghese dien je vooraf een ticket te reserveren. Er wordt gewerkt met tijdsblokken.
Picasso. La Scultura
Galleria Borghese
Piazzale del Museo Borghese 5, Rome
Praktische informatie
Tickets

PABLO PICASSO – ACHTERGROND
De Spaanse schilder, tekenaar, beeldhouwer, grafisch kunstenaar en keramist Pablo Ruiz Picasso werd geboren in Malaga op 25 oktober 1881 en overleed in Mougins op 8 april 1973. Hij begon zijn artistieke activiteiten onder leiding van zijn vader, die in 1891 benoemd werd tot hoogleraar aan de kunstacademie te Coruña. In 1895 volgde diens benoeming aan de academie in Barcelona, waar de zoon in 1896 voor de tekenklas werd ingeschreven.
Toen hij zestien jaar was, vond de eerste tentoonstelling van Picasso’s werk plaats. In Barcelona verkeerde Pablo in de kring van jonge, vooruitstrevende schilders en schrijvers, die hem in contact brachten met de internationale stromingen in de beeldende kunst. In het najaar van 1897 werd hij toegelaten tot de Koninklijke Academie San Fernando te Madrid, die hij echter al in het volgende jaar verliet: hij ging schilderen op het land.
In 1900 keerde hij terug naar Barcelona waar het vooruitstrevende blad Joventud (Jeugd) zijn tekeningen publiceerde. In hetzelfde jaar maakte hij zijn eerste reis naar Parijs, waar schilders als Henri Toulouse-Lautrec-Monfa zijn voorbeeld waren. In 1901 werkte Picasso in Madrid, waar hij met zijn vriend Soler het tijdschrift Arte Joven (Jonge Kunst) oprichtte. Hij maakte de illustraties voor het eerste nummer dat nu een zeer gegeerd collectors item is.
Een tweede reis naar Parijs leverde hem ook daar, in de kunsthandel Ambroise Vollard, een tentoonstelling op. Een lovende bespreking hiervan in de Revue Blanche en de eerste contacten met de Parijse artistieke avant-garde waren het gevolg van die expo. Tegelijkertijd begon bij Picasso (zo signeerde hij voortaan zijn werk) de zogenaamde blauwe periode: uitbeeldingen van figuren aan de rand van de maatschappij (bedelaars, straatzangers, …) in een dof blauw, zonder enige aanduiding van hun omgeving, als geïsoleerde, tragische wezens. Deze periode duurde tot 1904, het jaar waarin hij zich definitief in Parijs vestigde.
In 1905 kwam Pablo in contact met Guillaume Apollinaire, de voorman van de vooruitstrevende kritiek in Parijs, en kwam hij ook in contact met de eerste verzamelaars van zijn werk. Fernande Olivier werd zijn eerste levensgezellin. Met deze veranderingen kwam een nieuwe kleur zijn werk binnen: de roze periode nam een aanvang, gekenmerkt door uitbeeldingen uit het leven van circusartiesten. In dit jaar ontstonden ook zijn eerste plastische werken en eerste etsen. De lichte, warme sfeer van de roze periode duurde echter niet lang.
In 1906 toonde Picasso’s werk, onder invloed van Oud-Spaanse beeldhouwwerken, een wending naar een stijl waarin de driedimensionale werking van de voorwerpen een grote rol ging spelen: het portret van de Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein (1906, Museum of Modern Art, New York) is het meesterwerk van deze periode.
Het jaar 1907 bracht opnieuw een kentering: de herdenkingstentoonstelling van Cézanne moedigde Picasso nog meer aan tot het onderzoek naar de derde dimensie in de schilderkunst. Misschien werkte ook de waardering van beeldhouwwerk van de schriftloze volken deze ontwikkeling in de hand, hoewel hij dit altijd heeft ontkend. In 1907 ontstond het grote schilderij Les demoiselles d’Avignon (Museum of Modern Art, New York), dat het uitgangspunt vormde voor deze nieuwe ontwikkeling: het kubisme.
Deze stijl is door Picasso, samen met Georges Braque en met de voortdurende geestelijke en materiële steun van Daniel Henry Kahnweiler, de kunsthandelaar met wie hij in 1907 kennismaakte, in de periode 1907-1914 ontwikkeld. Het kubisme (en wij citeren) “gaat uit van het onderzoek naar ruimtelijke hoedanigheden van de voorwerpen, door de vormen van de dingen en van de omgevende ruimte tot hun samenstellende elementen te ontleden en ze volgens de beginselen van de stereometrie te behandelen”.
In 1909 ontstonden Picasso’s eerste kubistische landschappen, waarin de vormen stelselmatig als kubussen en andere geometrische lichamen zijn behandeld, in 1910 de portretten van Kahnweiler (Chicago Art Institute), Fritz Uhde (collectie Sir Roland Penrose ) en Vollard (Poesjkinmuseum, Moskou), die de vormen van de geportretteerden in vlakjes ( ‘plans superposés’) ontleden.
In 1911 zette deze ontwikkeling zich voort tot een vormentaal waarin figuren en voorwerpen in stillevens tot facetten worden ontleed en waarbij de verschillende aanzichten van één voorwerp – van voren, van opzij, van boven – in de schildering worden samengevoegd. Het kubisme wil niet de optische indruk van de voorwerpen uitbeelden, maar hun begripsmatige voorstelling. De vorm krijgt de volle aandacht, de kleur wordt beperkt tot tinten van oker, grijs en groen.
In de overgang van 1912 tot 1913 kwam in deze werkwijze een verandering, en wel door de uitvinding van een nieuwe techniek: de zogenaamde papiers collés. Picasso, en met hem Braque en Juan Gris, gingen nu niet meer uit van de analyse van een voorwerp, maar van hun voorstelling ervan: uitgeknipte stukken papier van zeer karakteristieke vorm vertegenwoordigen op deze werken de voorwerpen: een samenvoeging van twee lange rechthoeken stelt bijvoorbeeld een fles voor. Door deze nieuwe werkwijze, het synthetisch kubisme, kreeg de kleur weer een nieuwe waarde in deze werken. De verdere ontwikkeling van het kubisme werd echter door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog onderbroken.
In 1915 verbaasde Picasso zijn bewonderaars met realistische portrettekeningen van zijn vrienden Vollard en Max Jacob, gehouden in strakke contourlijnen. In 1917 ging hij met Jean Cocteau naar Rome, om er de aankleding van diens ballet Parade (muziek van Erik Satie) te verzorgen. Hij ontdekte er mede dankzij de fresco’s in Pompeï de kunst van de oudheid en de renaissance en ontmoette er tevens Igor Strawinsky en vooral de danseres Olga Kochlova op wie hij smoorverliefd werd en met wie hij in 1918 trouwde.
In de ontwerpen voor balletdecors van de volgende jaren en in zijn schilderijen komen nadien klassieke motieven naar voren, naast andere werken die in een consequent kubistische stijl zijn gehouden. Zo staat in 1921 zijn klassieke compositie Drie vrouwen bij de bron naast het kubistische werk Drie muzikanten (beide Museum of Modern Art, New York).
Picasso beschikte vanaf die tijd vrijelijk over zijn stijlmiddelen: in de klassieke trant vooral werken over het thema moederschap – ingegeven door de geboorte van zijn zoon Paolo -, in kubistische stijl de reeks grote stillevens. Naast deze werken kwam, als een andere vernieuwing, in 1925 zijn werk De dans (Tate Gallery, Londen) te staan, waarin de ontketende driften en verhevigde hartstochten, die tot nu toe buiten zijn oeuvre stonden, het thema vormen. Van dit werk leidt een rechte lijn naar zijn zogenaamde monsterperiode van het einde van de jaren twintig, waarin agressieve, wanstaltige figuren een levensgevoel van dreiging en onlust vertolken.
In het begin van de jaren dertig traden twee nieuwe tendensen naar voren: de hernieuwde bezigheid met de plastiek – waarvoor hij het kasteeltje Boisgeloup aankocht en als atelier inrichtte – en de oriëntatie op een eigen mythologische thematiek. Deze persoonlijke mythologie werd versterkt door zijn belangstelling voor het stierengevecht, gewekt tijdens een Spaanse reis in 1934, en kreeg een bijzondere betekenis door het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in 1936.
Een jaar later publiceerde hij zijn satirische ets Droom en leugen van Franco. Deze richting in zijn werk bereikt een hoogtepunt in zijn grote schildering Guerníca (jarenlang in bruikleen bij het Museum of Modern Art, New York, sinds 1981 in Spanje, Madrid) voor het Spaanse paviljoen op de Wereldtentoonstelling 1937 in Parijs, een werk waartoe de aanval van Duitse vliegtuigen in dienst van Franco op de open Baskische stad Guerníca hem inspireerde.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog werkte Picasso in volledige afzondering in zijn Parijse atelier: hier ontstonden de stillevens van alledaagse voorwerpen en de serie schilderijen van een vrouw in een leunstoel. Na de bevrijding van Parijs in 1944 werd Picasso met een grote tentoonstelling van zijn recente werk in de Salon d’Automne gehuldigd. In hetzelfde jaar trad hij toe tot de Franse Communistische Partij. Een reeks van Parijse stadsgezichten dateert uit deze jaren; zij zijn de voortzetting van de sobere stijl van de oorlogsjaren.
Een nieuwe fase begon in 1946, met een verblijf aan de Franse Rivièra en de ontmoeting met Françoise Gilot. In een reeks werken, ontstaan in het Musée Grimaldi in Antibes, bezong hij de levensvreugde. Dit nieuwe thema vond tevens uiting in een reeks lithografieën en in het decor van keramische voorwerpen, twee technieken die Picasso toen ontdekte. Hij verhuisde naar Vallauris in Zuid-Frankrijk, waar hij in de keramische fabriek Madoura ging werken.
In 1950 werd deze nieuwe stijl door het uitbreken van de koude oorlog afgebroken: Picasso schilderde in 1951 Massamoord in Korea (verzameling Picasso, Vallauris), in vale, groenige tinten, en in 1952 zijn grote wandschilderingen Oorlog en vrede voor een vredeskapel in Vallauris.
Sinds 1950 hield hij zich tevens bezig met het werk van oude meesters: in de loop der jaren nam deze belangstelling de vorm aan van series, waaruit hij het thema telkens in een reeks doeken varieerde: in 1954 Eugène Delacroix’ Vrouwen van Algiers, in 1957 Velázquez’ Meniñas (bestaande uit 58 schilderijen), in 1961 Déjeuner sur l’herbe van Manet. Dit werken in series strekte zich later ook tot eigen thema’s uit en sindsdien vooral in grafische cycli.
Typerend voor het grote levenswerk van deze vruchtbaarste kunstenaar van de twintigste eeuw is dat Picasso steeds weigerde zich op één stijl – zelfs al was die zijn eigen vinding – vast te leggen en dat hij beweeglijkheid verkoos boven eenheid van stijl of volmaaktheid.
De grootste verzamelingen van zijn werk zijn die van het Musée National d’Art Moderne, Centre Pompidou, te Parijs, het Museum of Modern Art in New York, het Poesjkinmuseum in Moskou en – voornamelijk van jeugdwerk – het Picassomuseum in Barcelona. Ook in Antibes bevindt zich een Picassomuseum.
De enorme verzameling eigen werk liet Picasso aan zijn erfgenamen na. Een selectie daaruit is overgegaan naar de Franse staat. Dat gedeelte wordt getoond in het Musée Picasso in Parijs. Zijn privécollectie werken van andere kusntenaars schonk Picasso aan de Franse staat.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 14 januari 2019. Bekijk het origineel.
