Benvenuto Cellini staat opnieuw in de actualiteit

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

De ‘saliera’, het wereldberoemde gouden zoutvat van de Italiaanse barokbeeldhouwer Benvenuto Cellini is – zoals inmiddels bekend – terecht. Het zoutvat, dat minstens 50 miljoen euro waard zou zijn, is in een bos in Neder-Oostenrijk teruggevonden in een houten kist, nadat de politie een verdachte van de diefstal had opgepakt.Bijna drie jaar geleden werd het uit het Kunsthistorisch Museum in Wenen gestolen. De Florentijnse goudsmid, beeldhouwer, medailleur, bronsgieter en schrijver Benvenuto Cellini (3 november 1500 – 14 februari 1571), kwam in 1514 in de leer bij de goudsmid Antonio di Sandro. In dienst van paus Clemens VII vervaardigde hij medailles en stempels, onder diens opvolger Paulus III werd hij stempelsnijder bij de munt. Hij kreeg echter ruzie met de paus en belandde zelfs enige tijd in de vergeetput van de Engelenburcht. Hij was misschien wel de meest beroemde gevangene die ooit in het gebouw verbleef maar alles behalve een brave jongen.

Na muntmeester geweest te zijn van Alexander de ‘Medici, vertrok Cellini in 1540 naar het hof van Frans I van Frankrijk, voor wie hij het beroemd geworden gedreven gouden zoutvat vervaardigde (1539-1543, dat onlangs werd gestolen uit het Kunsthistorisch Museum in Wenen). In 1545 keerde Cellini terug naar Italië en trad hij in dienst van Cosimo I de’ Medici. Tot zijn belangrijkste werken uit die periode behoren de enorme Buste van Cosimo I (1544-1547, Bargello, Firenze), een groot crucifix (1562, Escoriaal, Madrid) en de vermaarde Perseus (1553, Loggia dei Lanzi, Firenze). Cellini’s maniëristische beeldhouwwerken zijn zeer gedetailleerd uitgevoerd.

In de Italiaanse letteren neemt Cellini een bijzondere plaats in om zijn klassiek geworden Vita di Benvenuto Cellini (begonnen in Firenze, 1558; handschrift in de Biblioteca Laurenziana, Firenze, 1ste editie 1728), de eerste belangrijke autobiografie in Italië. Het relaas is niet altijd betrouwbaar, maar geeft niettemin een boeiend tijdsbeeld. Hector Berlioz baseerde er zijn opera Benvenuto Cellini (1838) op. Van Benvenuto Cellini is een meeslepend geschreven levensverhaal geschreven, vertaald en ingeleid door Corinne van Schendel en Henriette van Dam van Isselt, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam. Het boek is niet goedkoop maar het is dan ook een kanjer van 611 pagina’s. Cellini blijkt een driftkop geweest te zijn die zich nooit beheerste. Enerzijds geniet je mee van een reeks fantastische woedeuitbarstingen, wraaknemingen en vernietigend hooghartige uitspraken; anderzijds zie je meteen de gevolgen.

Benvenuto Cellini (1500-1571) had enkele moorden op zijn geweten, ook takelde hij een man die hem een proces had aangedaan zo erg toe met een dolk dat hij verlamd raakte, en verder schroomde hij niet om in detail te beschrijven hoe hij een vrouw bont en blauw sloeg; een paar vage vermeldingen van en route opgedane bastaardjes – “dit was het eerste kind dat ik kreeg voorzover ik me herinner” – voltooien het felle beeld. Zoals men weet is God in de wereld gekomen voor de zondaars, niet voor de rechtvaardigen. Het levensverhaal van Cellini bevestigt dat. Toen de kunstenaar door paus Paulus III in een vergeetput van de Engelenburcht opgesloten werd, verviel hij tot wanhoop – maar er kwam, toepasselijk, een engel om hem te troosten, en ten slotte aanschouwde hij in een visioen Christus zelf. De engel toonde zich soms in de gedaante van een wonderschone jongeling, echter “zonder een spoor van zinnelijkheid”, verduidelijkte Cellini, die zich in de loop der jaren ook een aantal beschuldigingen van homoseksualiteit op de hals haalde.

Toen hij weer een vrij man was, deelde die engel/stem hem op een nieuw kritiek moment mee: “Benvenuto, gedraag je zoals je gewoon bent, en vrees niets.” Een wijze raad, ongetwijfeld, en ook een aanwijzing dat de grote schepper zijn opvliegende kleine collega niet bepaald boetedoening en deemoed wilde opleggen. Cellini’s gevangenschap was een breuklijn in zijn leven en in zijn boek. Eerst sloot men hem op in een vrij comfortabele cel, waaruit hij op een vernuftige manier ontsnapte. Daarna kreeg de paus, “die volgens Cellini in God noch gebod geloofde”, hem opnieuw te pakken en liet hem in een ondergronds hol werpen. Cellini verbleef daar maanden in voortdurende angst; hij beschrijft aangrijpend hoe zijn nagels veel te lang werden en zijn tanden uitvielen. Hij las er zoveel mogelijk in de Bijbel. Zijn wonderlijke visioen kwam er nadat hij de engel gesmeekt had nog één keer de zon te mogen zien.

Cellini had tot dan toe vooral als goudsmid gewerkt. Toen hij eindelijk in een droom de zon zag, leek ze “een bad van het allerzuiverste gesmolten goud”. En in dat vloeibare metaal doken in reliëf drie voorstellingen op – een van Christus, een van Maria en een van Sint-Pieter. Met andere woorden: Cellini’s visioen onthulde een verheerlijkt kunstwerk. Eerder had hij voor de paus een miskelk ontworpen met op de voet afbeeldingen van exact dezelfde personages.

Cellini bleef in zijn vak beroemd om twee dingen. In 1543 maakte hij een verfijnd gouden zout- en pepervat waarvan de waarde wordt geraamd op 50 miljoen euro en dat bijna drie jaar werd gestolen (zie foto). Het zoutvat toont de verstrengelde figuren van de zeegod Neptunus die in een scheepje zout aanreikt en de aardse nimf Amfitrite naast een kleine tempel, waarin peper opgediend werd. Ook het voetstuk is rijk versierd met door Michelangelo’s beelden geïnspireerde figuren en afgeboord met zeepaardjes en allegorische voorstellingen. Deze figuren symboliseren de aarde en de zee, de combinatie waaruit zout ontstaat. Cellini maakte het zoutvat in opdracht van de Franse koning Frans I. Het beeldt in de woorden van Cellini zelf de “omarming van Land en Zee” uit. Opvallend is vooral de delicate modellering van de hoofdfiguren en de verfijning waarvan elk detail in dit superieur stuk tafelservies getuigt. Cellini schrijft dat de twee figuren in dit werkstuk ‘gelijk een vrouw waren met alle mogelijke schoonheid in de vorm, bevalligheid en charme waartoe mijn kunst in staat was’. Dergelijke kleinoden hadden Cellini tot de Fabergé van zijn tijd kunnen doen uitgroeien, als hij zich niet geleidelijk was gaan toeleggen op monumentale beeldhouwkunst.

Het Kunsthistorisches Museum in Wenen bevat het leeuwendeel van de reusachtige collecties die werden bijeengebracht door de Habsburgers. Verscheidene leden van de keizerlijke familie waren geraffineerde kunstkenners en kapitaalkrachtige verzamelaars. Zo bezit het museum de belangrijkste Bruegel-collectie ter wereld, met meesterwerken zoals de Jagers in de sneeuw, de Toren van Babel en de Boerenbruiloft. Ook voor de mooiste Vermeer, De schilderkunst, moeten de liefhebbers naar Wenen. Het zoutvat van Benvenuto Cellini behoorde tot de pronkstukken van het museum. Miljoenen bezoekers van het Kunsthistorisches Museum in Wenen hebben er met open mond naar gekeken. De 26 cm hoge saliera, bedoeld als pronkstuk op de tafel van een nobele familie. Het zestiende-eeuwse kunstwerk is zo uniek, dat het absoluut onverkoopbaar is op de kunstmarkt. Het zoutvat van Cellini heeft in de edelsmeedkunst dezelfde legendarische status als de Mona Lisa in de schilderkunst. Helaas ging veel werk van Cellini verloren, zodat het zoutvat van het Weense museum het enige gouden stuk is dat met zekerheid aan hem kan worden toegeschreven. Het verklaart de onschatbare waarde van het werk, dat veel te bekend is om in de reguliere kunsthandel verkocht te kunnen worden. Voor de waarde van het materiaal moesten de dieven het zoutvat zeker niet meenemen: het stuk bestaat grotendeels uit was, overdekt met een dunne laag goud.

De bronzen Perseus in de loggia op de Piazza della Signoria in Firenze is sinds 1554 Cellini’s meest toegankelijke grote kunstwerk. Maar hij werkte ook in het beeldhouwersmateriaal bij uitstek, Carrarisch marmer. Als jongeman was hij een begaafde muzikant en hij bracht het tot kapitein in een van de vele legers die toen het schiereiland doorkruisten. Zijn autobiografie, pas in de achttiende eeuw in druk gebracht, bleef bovendien een van de moois
te boeken van de Renaissance. De juwelier was op zijn manier uomo universale. Cellini begon zijn levensverhaal te dicteren aan een leerjongen in 1558, toen hij in Firenze voor de zoveelste keer onder huisarrest stond. Het boek kende maar twee Nederlandse vertalingen. In 1843 verscheen die van P. van Limburg Brouwer, die tot kort na de Tweede Wereldoorlog regelmatig herdrukt werd en waarvan dus vrij makkelijk een of andere versie te vinden is in antiquariaten. In 1969 publiceerde uitgeverij Athenaeum de aantrekkelijke vertaling door Corinne van Schendel en Henriëtte van Dam van Isselt.

Van dit werk verscheen enkele jaren geleden de vierde druk: een typische mooie Athenaeumuitgave, met een degelijke inleiding, een degelijk notenapparaat, een chronologisch overzicht en een onontbeerlijk namenregister, maar zonder bijgewerkte literatuurlijst (de jongste vermelde boeken en artikels stammen uit 1967), zonder de studie van Cellini’s techniek door de beeldhouwer Pieter Starreveld die wel in de tweede en derde druk voorkwam, en, spijtig, zonder afbeeldingen. Het platenmateriaal uit de vorige drukken beantwoordde niet meer aan de hedendaagse normen, volgens een mededeling van de uitgever. Jammer dat er geen inspanning gedaan is voor platenmateriaal dat daar wel aan beantwoordt – als lezer wil je immers weleens zien wat die Cellini nu eigenlijk verwezenlijkte. Maar deze kleinigheden kunnen het plezier van de tekst niet bederven. Cellini biedt een unieke kennismaking met twee pausen, Clemens VII (Medici) en Paulus III (Farnese), met de beminnelijke Franse koning Frans I, de enige die erin slaagde “mon ami” Cellini met tact te leiden, en met de krenterige Cosimo I, de gloednieuwe groothertog van Toscane. Wie machtige beschermers heeft, heeft ook machtige vijanden.

Zo dankte Cellini zijn opsluiting in de Engelenburcht aan Pier Luigi Farnese, de zoon van Paulus III (door de paus in een ver verleden en nog voor zijn priesterwijding verwekt). In Firenze wekte hij de ergernis op van groothertogin Eleonora, maar ook collega-kunstenaars als Bandinelli, Ammanati en Vasari intrigeerden tegen hem. Uit zijn verslag kun je afleiden dat de vorstelijke personages niet helemaal zonder reden hun geduld verloren. Zijn collega’s betaalde Cellini zoveel mogelijk terug in gelijke munt. Wie geeft hem geen gelijk wanneer hij Bandinelli’s beeld Hercules en Cacus, ook op de Piazza della Signoria, aan de voorkant vergelijkt met een zak meloenen, aan de achterkant met een zak komkommers? Koning Frans I vatte het probleem goed samen: “Ge kunt alleen bewijzen een groot kunstenaar te zijn door de gelegenheid die wij u verschaffen.” Cellini’s klachten over belangrijke opdrachten die hem afgepakt of nooit gegeven werden, over “geldgebrek en zoveel onaangename voorvallen dat de helft ervan al voldoende zou zijn om een man van diamant te doen versagen”, herinneren je aan de levens van Leonardo da Vinci en Michelangelo. Ook deze reuzen kampten voortdurend met mislukte en afgeblazen projecten en tegenwerking.

Achter de Renaissance van de musea verrijst een Renaissance die er nooit gekomen is, van spookachtige kunstwerken, alleen beschreven in woorden of bewaard in vage schetsen of ontwerpen. Cellini’s leven is alleszins een meeslepend schelmenverhaal dat dergelijke culturele gedachten opwekt en bovendien verklaart hoe Michelangelo aan zijn gebroken neus kwam: je moet bijzonder kieskeurig zijn om niet te houden van zo’n lectuur.

Vertaald uit The life of B. Cellini written by himself, door J.A. Symonds (1888, vele herdrukken) en Het leven van B. Cellini, door C. van Schendel en H. van Dam van Isselt (1969), vierde herdruk door Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 29 januari 2006 op het Romenieuws-archief.