De bijzondere zijkapellen in de Santa Maria del Popolo

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Als je voor het eerst binnenstapt in de Santa Maria del Popolo ontdek je al snel dat hier veel meer te zien is dan in de gemiddelde Romeinse kerk. Ook al hou je er niet van om in kerken rond te dwalen, er zijn toch enkele religieuze gebouwen in Rome die je absoluut niet mag missen: dit is er zo eentje. Veel grote namen uit de renaissance komen hier bij elkaar. Het zou zonde zijn dit prachtige en bovendien gratis toegankelijke museum (zo mogen we deze kerk best wel noemen) zou missen.

In het rechterschip kom je al meteen bij de ‘della Rovere-kapel’ (1488/90) met het prachtige fresco van de ‘Aanbidding der Herders met de heilige Hieronymus’ door Bernardino Pinturicchio. Deze fresco’s behoren tot zijn beste werken. Pintorucchio was afkomstig uit Perugia. Samen met Rafaël was hij een leerling van Perugino.

Dat is duidelijk in zijn fluweelzachte stijl, vooral in de zoeterige, elegante figuren. Pinturicchio had een verhalende manier van schilderen met oog voor schilderachtige details. Sterke dramatische elementen hoef je bij hem niet te zoeken. Pinturicchio was inderdaad vooral frescoschilder, maar hij schilderde ook religieuze historiestukken en portretten. In zijn tijd was hij in Rome één van de meest gevraagde meesters voor het decoreren van paleizen.

Hij paste als een van de eerste schilders de uit de Oudheid afkomstige ornamentiek met grotesken in zijn oeuvre toe. Zijn belangrijkste werk in Rome zijn de fresco’s in de Borgia-appartementen (Vaticaanse musea), en de al even fraaie fresco’s in de Santa Maria in Aracoeli.

Het verhalende talent van Pinturicchio is goed te zien in het fresco in de Santa Maria del Popolo, in de veelheid en het pittorske van de details. Let op de geit links bovenaan (rechts van de herder), het zogende schaap, de uitdrukking van de os, de zachtheid van het gezicht van de Maagd… De lunetten zijn het werk van leerlingen.

In deze kapel staat tegen de linkermuur Bregno’s (1421-1506) mooie ‘Florentijnse’ graftombe voor twee kardinalen, de gebroeders Cristoforo en Domenico della Rovere met erboven een medaillon met de Madonna door Mino da Fiesole (1431-1485 of 1429-1484). Voor de kapel draagt de marmeren balustrade de wapens van de familie della Rovere.

De tweede kapel rechts is de Cybo-kapel, tussen 1682 en 1687 gebouwd door Carlo Fontana voor kardinaal Lorenzo Cybo, de neef van Innocentius VIII. Het grondplan is een Grieks kruis. Met de 16 zuilen uit Siciliaanse jaspis (een halfedelsteen en een variatie van kwarts) is deze kapel één van de mooiste in Rome. Het is de moeite om je even te verplaatsen naar de overkant van de middenbeuk om het perspectief-effect naar waarde te schatten.

Let op de ‘Ten Hemelopneming van Maria’ (1686) boven het altaar, het werd door Carlo Maratta (1625-1713) rechtstreeks met olieverf op de muur geschilderd. Kijk in deze kapel ook even naar de koepel (1685), een werk van Luigi Garzi (1638-1721) die ook in de Sint-Jan van Lateranen werkte. Alles in deze kapel werd gerealiseerd tussen 1683 en 1686, dat is dus twee eeuwen na de vorige kapel.

De Basso della Rovere-kapel is de derde rechts. Tegen de rechtermuur beeldhouwde een leerling van Andrea Bregno het graf voor Giovanni Basso della Rovere (1478). Een leerling van Pinturicchio realiseerde de fresco’s boven het altaar, Madonna met Kind en Heiligen, en de ‘Assunzione’ tegen de linkermuur. De versleten majolica vloer is nog origineel.

Aan het wit van het Carrara-marmer, het witgoud van de graven en het geel van de groteske figuren rond het altaarstuk, werden architectuurschilderingen, heraldische motieven en bloemen- en plantenornamenten toegevoegd. Merkwaardig zijn de bijna natuurgetrouw geschilderde pilaartjes met schaduwinslag geheel onderaan de muren die de kapel vormen. Letten we tenslotte ook op de balustrade die de ruimte vooraan afsluit. Deze kapel werd afgewerkt tussen 1485 en 1491.

De afgeronde uiteinden en de kapellen in het transept of dwarsschip zijn kenmerkend voor de renaissancestijl en vormen dus ook een Florentijns element. De barok bracht de ‘engeltjes’ die de schilderijen links en rechts torsen boven de altaren in beide transepten. Boven de kapellen rechts van het hoogaltaar tekende Bernini de mooie beelden onder het orgel.

In het rechtertransept leidt een deurtje (rechts van het altaar) links naar een lange, smalle gang, waar wat interessant beeldhouwwerk uit de renaissance en enkele latere graven staan opgesteld. Halfweg deze gang bevindt zich de sacristie (vaak gesloten) waar men tijdens de zeventiende eeuw het fraaie altaar (tabernakel) werd geplaatst dat Andrea Bregno voor Alexander VII maakte. Het bevat een geschilderde Madonna uit de vroege school van Siena.

Terug in de kerk zie je in het verlengde van de middenbeuk de koepel met een fresco van Raffaele Vanni (1587-na 1657). De triomfboog boven de ingang van het koor is aan de binnenzijde versierd met bas-reliëfs van verguld stuc, met rechts bovenaan in de kromming een afbeelding van paus Paschalis II (1099-1118) die de notelaar op het graf van Nero omhakt. Een opvallend anachronisme: de afgebeelde Zwitserse garde werd pas vier eeuwen na Paschalis opgericht, wat we hier zien is dus een dichterlijke vrijheid van de kunstenaar of gewoon onwetendheid.

Het hoogaltaar is het belangrijkste werk van Andrea Bregno, het heeft een geweldige architectonische opbouw in de vorm van een grote triomfboog. De enorme afmetingen en de typologie waren tijdens de vijftiende eeuw voor een altaar ongebruikelijk. Het geheel omlijst de beroemde, veel aanroepen ‘Madonna del Popolo’ die traditioneel aan de evangelist Lucas wordt toegeschreven (één van de zeven in Rome). Dit schilderij in Byzantijnse stijl uit de vroege 13e eeuw, werd uit het Lateraan naar hier overgebracht.

Andrea Bregno (1421-1506) werd geboren nabij Como en was vanaf 1460 de meest gewaardeerde beeldhouwer van Rome. Hij had er een grote werkplaats waar hij hoogwaardige maar in hun ontwerp stereotype muurgrafmonumeten produceerde. Vandaag zie je zijn werk in de Santa Maria in Aracoeli en de Santa Maria sopra Minerva waar hij begraven werd, in de Santi Apostoli en dus ook in de Santa Maria del Popolo. Bregno beschikte over een diepgaande kennis van de Klassieke Oudheid. Door zijn handel in antieke kunstwerken kon hij deze goed bestuderen en bezat hij zelf ook een aanzienlijke verzameling.

Oorspronkelijk was de bedoeling dat boven dit hoogaltaar het portret zou geplaatst worden dat Rafaël schilderde van de zittende, mediterende paus Julius II della Rovere. Het schilderij (1511) belandde echter in de National Gallery in Londen. Het is het beroemde schilderij waar de paus een baard draagt als teken van rouw bij het verlies van de stad Bologna, pas in maart 1512 liet hij zijn witte puntige baard weer afscheren.

Aan dit hoogaltaar droeg Martin Luther (1483-1546) zijn laatste mis als katholiek priester op. Hij logeerde in het Augustijnenklooster naast de Santa Maria del Popolo dat echter bij de Sacco di Roma vernield werd. Toen de jonge Luther op 2 juli 1505 nabij Erfurt door een zwaar onweer overvallen werd, beloofde hij monnik te worden indien hij het natuurgeweld overleefde. Op 17 juli stapte hij door de poort van het nog bestaande Erfurter Augustijnerklooster. Op 3 april 1507 werd hij er priester gewijd.

Het was na zijn theologische studies in Wittenburg dat Luther de reis naar Rome aanvatte waar hij in december 1510 aankwam. Luther was een modelpelgrim die alle sacrale plaatsen in Rome bezocht, aflaten verdiende en zeer onder de indruk raakte van de talrijke relikwieën. ‘Ich glaubte alles’ schreef hij. Korte tijd later gingen hem de ogen open, want Luther trof een Rome in moreel verval aan, geregeerd door pausen die zich schuldig maakten aan het begunstigen van bloedverwanten en het verkopen van kerkelijke ambten. ‘Luther stond op en smeet de twistappel in de wereld’ schreef Erasmus (1469-1536). Op 31 oktober 1517 spijkerde hij op de poorten van de slotkerk van Wittenberg zijn 95 stellingen. In de ban sinds 1521 huwde hij in 1525 Katharina von Bora.

Om het koor van de kerk te bezoeken stap je langs een door een rood gordijn afgeschermde doorgang links en rechts van het hoogaltaar. Je moet daarvoor eerst toelating vragen (vorrei andare dietro la tenda) aan iemand die tot de kerk behoort, een priester, koster of zelfs onderhoudspersoneel die je toegang kan en wil verlenen. Er is een lichtschakelaar direct links naast de linker doorgang.

Julius II (1503-1513) vroeg aan Donato Bramante (1444-1514) om de apsis van de Santa Maria del Popolo te verlengen, het werd één van zijn eerste werken in Rome. Hoe Bramante zijn inspiratie zocht in de antieke bouwwerken zien je hier duidelijk aan het gewelf. Maar bekijk vooral de fresco’s zeer aandachtig want wat zich hier bevindt behoort tot de mooiste plafondschilderingen in Rome. Ze zijn het werk van Pinturicchio (1454-1513), de meester die ook de eerste kapel van de rechterbeuk realiseerde. Maria, de evangelisten en de kerkvaders tronen zij aan zij met de sibyllen binnen een weelderige omlijsting in de voor de kunstenaar en zijn tijd zo karakteristieke groteskenstijl. Deze fresco’s werden uitgevoerd in 1508-1510 dus twintig jaar na deze in de eerste kapel rechts, en net voor de aankomst van Luther in Rome.

Let op de twee originele gebrandschilderde glasramen uit 1509, ze hebben neutrale tinten met hier en daar een kleuraccent. Het zijn de enige oude ramen in Rome die behouden bleven en zijn het werk van de Franse dominicanerbroeder en glazenier Guillaume de Marcillat (1470-1529). De ramen, besteld door paus Julius II della Rovere, stellen scènes voor uit de kindertijd van Jezus en uit het leven van Maria. De stijl is verwant aan deze van de Franse kathedralen. Onder de glasramen staan tegen de zijwanden twee sublieme graftomben uit 1505, ze zijn het meesterwerk van Andrea Sansovino (1467-1529). Andrea mag niet verwisseld worden met zijn leerling Jacopo (1486-1570) die de maker is van de Madonna del Parto in de Sant’ Agostino.

Andrea Sansovino (1460-1529) was een leerling van de Florentijnse broers Pollaiuolo en vertegenwoordigt als beeldhouwer en architect bij uitstek de Toscaanse kunst van de late vijftiende eeuw. Van 1505 tot 1513 werkt hij in Rome in opdracht van paus Julius II. Van Andrea Sansovino kennen we ook de ‘Maagd met Kind en H. Anna’ in de Sant’ Agostino” (onder het fresco van Rafaël), de ‘Maria tussen twee biddende zielen’ boven de hoofdingang van de Santa Maria dell’ Anima en o.a. een graf in Santa Maria in Aracoeli. De meeste van de werken van deze meester bevinden zich echter in Firenze (Bargello), ze tonen de invloed van Rafaël, van Fra Bartholomeo en ook van da Vinci. Andrea Sansovino tekende ook de gevel van de Santa Maria in Domnica.

De graftomben werden ontworpen voor de kardinalen Girolamo Basso della Rovere (rechts) en Ascanio Sforza (links). Deze laatste, die in 1505 stierf, had de verkiezing van Rodrigo de Borgia tot paus Alexander VI (1492-1503) gesteund, naar verluidt in ruil voor het palazzo Borgia-Sforza-Cesarini aan de corso Vittorio Emanuele. Bovendien haalde hij ook de functie van vice-kanselier binnen. Daarmee haalde hij zich de vijandschap van de latere paus Julius II op de hals die zelf had gedacht verkozen te worden. Julius II heeft het hem tenslotte na zijn dood vergeven en voor zijn gedachtenis dit schitterende monument laten oprichten.

Op deze graven heeft Sansovino de twee kardinalen voor het eerst als slapend afgebeeld in plaats van opgebaard zoals in de middeleeuwen gebruikelijk was. De reliëfs, die tot de mooiste van Rome behoren, zijn zuiver klassiek van thema en sfeer. De hagedissen, vogels en bloemenslingers op het Sforzagraf (links) zouden op de Ara Pacis niet hebben misstaan, terwijl ook de met bloemen en druiven behangen saterkoppen op het graf van della Rovere (rechts) onmiskenbaar door klassieke voorbeelden werden geinspireerd. De sierlijkheid van de tomben verwijst dan weer naar de elegante kunst van het Quattrocento in Florence.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 22 april 2015. Bekijk het origineel.