Vorige maand bracht een delegatie van de Oost-Vlaamse stad Ronse een bezoek aan de catacomben van Bassilla in Rome. De naam wordt ook weleens gespeld als Basilla en de site is ook bekend als de catacombe van Sant’Ermete. Ze bevindt zich aan de Via Antonio Bertoloni (destijds de Via Salaria Vetus) in de wijk Pinciano. De catacombe is niet toegankelijk voor het publiek en kan slechts worden bezocht op afspraak.
Met het bezoek aan de oorspronkelijke begraafplaats van hun patroonheilige (zie ons eerder bericht) wilde Ronse ook de aanzet geven voor een samenwerking met Rome rond de figuur van Sint-Hermes. De stad Ronse trekt 10.000 euro uit om een nieuwe marmeren plaat te laten maken met de tekst die paus Damasus boven het graf van Sint-Hermes in de catacombe liet plaatsen. In de tekst worden de Griekse herkomst van de heilige, zijn bekeringswerk en zijn marteldood vastgelegd. In de crypte van de basiliek in Ronse komt een kopie van deze marmeren plaat.
De Via Salaria Vetus maakte deel uit van een oude route langs de linkeroever van de Tiber, lang voordat Rome een stad was. Een deel van deze route doorheen wat nu Quartiere Pinciano is, werd later door de Romeinse wegenbouwers omzeild door een rechtere uitlijning, de Via Salaria Nova. Nadat de Aureliaanse Muur was gebouwd, kreeg deze afgesneden sectie ook een eigen poort (de huidige Porta Pinciana) en fungeerde deze als een alternatieve route tussen de Milvische brug en de Quirinaalheuvel.
In de derde eeuw werden langs de Via Salaria Vetus een aantal catacomben opgericht. De bekendste zijn het Ipogeo di Via Livenza (eigenlijk geen echte catacombe, maar een groot privaat graf, dat net als de andere catacomben echter ook onder toezicht van het Vaticaan staat), de catacombe van San Panfilo (onder de kerk Santa Teresa del Gesù Bambino), de catacombe ad clivum Cucumeris (ten zuidoosten van de Basilica del Sacro Cuore Immacolato di Maria).
Ook de catacombe van Sant’Ermete hoort in dit rijtje thuis. Deze catacombe staat bekend onder twee namen. De oudste is Bassilla en over de identificatie van deze naam bestaat bij archeologen nog steeds onzekerheid. Het kan de eigenares geweest zijn van de grond waar de ondergrondse begraafplaats in de eerste helft van derde eeuw werd ingericht, of het kan gaan om de martelares die stierf tijdens de vervolging door keizer Diocletianus in 304 en die hier werd begraven. Sommige wetenschappers denken dat er twee vrouwen waren: de landeigenares en de martelares. Als dat klopt, is het de eerste Bassilla die halfweg de derde eeuw betrokken is geweest bij de inrichting van de catacombe.
De belangrijkste en oude liturgische bronnen hebben het over een begraafplaats op de Salaria Vetus van vier martelaren: Hermes, Protus, Hyacinthus en Bassilla. Documenten en routes voor middeleeuwse pelgrims voegen eeuwen later de namen van andere gemartelde heiligen toe: Crispus, Herculanus, Leopardus, Victoris en Maximilianus. Van al deze laatstgenoemden is het nieuws over het leven en vooral over de dood onzeker en verwarrend: in feite is er niet zoveel van hen bekend en er zijn geen belangrijke monumentale bevindingen die hun aanwezigheid op deze begraafplaats of een aan hen gewijde cultus bevestigen.
Met betrekking tot Hermes, Protus, Hyacinthus en Bassilla zijn er wel monumentale bevindingen die de oude literaire bronnen bevestigen. In de catacombe van Bassilla/Sant’Ermete werden een aantal inscripties ontdekt die vandaag worden bewaard in het Pio Cristiano Museum in het Vaticaan. Een gids voor pelgrims uit de zevende eeuw, de Notitia ecclesiarum urbis Roma, maakt melding van een basiliek die gewijd is aan deze heiligen. Van drie martelaren, Hermes, Protus en Hyacinthus werden voldoende bewijzen gevonden van hun begrafenis in de catacombe van Bassilla. Deze catacombe aan de voormalige Via Salaria Vetus was één van de eerste begraafplaatsen die in deze omgeving werden ontdekt.
Dat gebeurde in 1576 toen de Jezuïeten hier een oude wijngaard opruimden om een bijkomend college te bouwen voor hun Duitse en Hongaarse studenten. Bedevaartroutes en pelgrimgidsen uit die periode maken duidelijk dat de verschillende catacomben aan de toenmalige Via Salaria Vecchia van groot belang waren voor pelgrims. De ontdekking werd bestudeerd door Antonio Bosio (1576-1629) die de begraafplaats in december 1608 onderzocht. Antonio Bosio was in 1593 begonnen met onderzoek in de catacomben van Rome. Hij schreef hierover de Roma Subterranea, een werk dat werd voltooid in 1620 maar pas werd uitgegeven na zijn dood in 1634. Hiermee was de eerste archeologische studie van de Romeinse catacomben een feit.
Niet alle bronnen zijn het eens over hoeveel niveaus deze catacombe telt: twee of drie. Feit is dat de catacombe tegen het midden van de vierde eeuw beschikte over twee hoofdniveaus en een kleiner mezzanineniveau ertussen. Dit verklaart allicht de verwarring bij sommige auteurs die deze catacombe beschrijven.
Historisch gezien zijn drie plaatsen op de begraafplaats interessant: de basiliek van Sant’Ermete, de middeleeuwse kapel en de crypte van de heiligen Protus en Hyacinthus. De crypte is aan het begin van de derde eeuw vermoedelijk ontstaan en uitgebouwd op de grond van of op de structuur van een verlaten Romeinse villa die geschikt werd gemaakt voor begrafenisrituelen. De jezuïet en oudheidkundige Giuseppe Marchi (1795-1860) vermoedde dat de catacombe werd opgericht in het nymphaeum van een oude villa.
Onder paus Damasus (366-384) werd de catacombe zoals wel vaker gebeurde uitgebreid met een basiliek. Deze onderging in de daaropvolgende eeuwen verschillende restauraties. Van de basiliek blijft vandaag nog de apsis met de cathedra en een verhoogde galerij over. Vanuit de basiliek kan men de gangen van de catacombe betreden. Aan het einde van de achtste eeuw werd aan de linkerzijde van de basiliek een monastiek oratorium geopend.
In deze periode maakte de kerk deel uit van een klooster, waarover (voor zover we weten) helaas geen documentatie beschikbaar is. In 1940 ontdekte archeoloog Sandro Carletti op deze plek een nis met fresco’s. Er troont de Madonna met kind, samen met de aartsengelen Gabriël en Raphaël en de heiligen Hermes, Johannes de Evangelist en Benedictus. Vooral deze laatste afbeelding haalde toen het nieuws, want het was het eerste bewijs dat de benedictijnen toen al aanwezig waren in Rome.
De begraafplaats van de twee martelaren Protus en Hyacinthus (twee broers), werd in de oudheid getroffen door aardverschuivingen, waardoor paus Damasus de crypte volledig moest herstellen. Bij die gelegenheid werd de vloer verhoogd, wat leidde tot de bedekking van het graf van Hyacinthus. Vanuit archeologisch standpunt was dit een zegen, want dankzij die nieuwe vloerbedekking bleef de oorspronkelijke loculus van Hyacinthus vele eeuwen perfect gesloten en bewaard.
Er werden na de ontdekking van het graf zelfs verbrande botten aangetroffen, wat erop wijst dat Hyacinthus vermoedelijk werd gemarteld met vuur of zelfs (al dan niet levend) werd verbrand. Op dezelfde plek werden ook gouden draden afkomstig van een geweven doek aangetroffen, samen met een marmeren grafplaat die geen ruimte voor twijfel laat: D P III IDUS SEPTEBR YACINTHUS MARTYR. Giuseppe Marchi vermeldt de ontdekking in zijn Monumenti primitivi: I, Architettura della Roma sotterranea cristina uit 1844.
Tegenwoordig bevindt zich in de catacombe een kopie van deze grafplaat. De originele plaat en de relieken werden voor onderzoek overgebracht naar de Pontificia Università Urbaniana op de Janiculumheuvel. Waar ze daarna terechtgekomen zijn is ons niet bekend. De oorspronkelijke loculus waarin Protus werd begraven is nog steeds niet met zekerheid geïdentificeerd, hoewel Giuseppe Marchi op 21 maart 1845 met verschillende overblijfselen een inscriptie in elkaar kon puzzelen met de woorden ‘sepulcrum Prot …’ ontdekte.
De catacombe was al ongeveer 50 jaar in gebruik toen ook de martelares Bassilla er werd begraven. De locatie van haar graf is niet bekend. Er werden echter wel epigrafen gevonden die haar vermelden: Domina Bassilla commendamus tibi, Crescentinus et Micina, filia nostra Crescen[?tia] que vixit men X et dies.
In de vroege negende eeuw werden de meeste catacomben niet langer gebruikt, maar werden wel de relikwieën van bekende martelaren verwijderd en veiliggesteld in andere kerken in Rome. Paus Gregorius IV (827-844) bracht de relikwieën van Sint-Hermes over naar de San Marco, de resten van Sint-Bassilla werden door paus Paschalis II (1099-1118) meegenomen naar de Santa Prassede en Sint-Protus zou terechtgekomen zijn in de San Giovanni dei Fiorentini. De catacombe van Sant’Ermete/Bassilla zelf lijkt nog een tijdje te hebben gefunctioneerd als ontmoetingsruimte en cultusplaats, maar werd in de dertiende eeuw definitief verlaten. Dit had wellicht te maken met de ineenstorting van het Benedictijnse kloosterleven in de stad tijdens die periode.
Giovanni Battista De Rossi onderzocht de catacombe opnieuw in 1863 en ook Mariano Armellini bestudeerde ze van 1876 tot 1894. De site werd tot 1919 verhuurd aan de familie Guglielmi, later namen de jezuïeten de directe controle over. In deze periode werd de catacombe regelmatig opengesteld voor het publiek. Vandaag is de catacombe al tientallen jaren niet meer toegankelijk voor bezoekers. De Via Antonio Bertoloni bevindt zich in een buitenwijk van Rome en vanaf deze straat zijn enkel de gevels van villa’s uit de twintigste eeuw te zien.
Er bestaat twijfel over welke van de villa’s in deze straat het oorspronkelijke Casino di Vigna dei Gesuiti was, dat ook bekend stond als La Pariola toen het een bijgebouw was van het Duits-Hongaarse college. Gaat het om het grote woonblok evenwijdig aan de straat op nummer 24 dat werd gebouwd in 1925, of om de zogenaamde Casale Riganti op nummer 13 die dateert uit 1900? De catacombe is toegankelijk vanuit de panden aan de Via Antonio Bertolini 13 en de Via Francesco Siacci 4. In principe wordt het eerste adres gebruikt.
De Pontificia Commissione di Archeologia Sacra, gevestigd aan de Via Napoleone III in Rome regelt de toegangen tot veilig toegankelijke maar doorgaans voor het publiek gesloten catacomben. Je kan bij deze instantie een goed gemotiveerde schriftelijke aanvraag indienen (als het bezoek een exclusief cultureel doel rechtvaardigt). De bezoekende groep mag nooit meer dan vijftien personen tellen. Er moet worden betaald voor een bezoek.
Catacomba di Sant’Ermete o Bassilla
Via Antonio Bertoloni 13A, Rome
Enkel te bezoeken na afspraak en schriftelijke aanvraag
Pontificia Commissione di Archeologia Sacra
Palazzo del Pontificio Istituto di Archeologia Cristiana
Tel: +39 06 446 56 10 / +39 06 446 76 01
protocollo@arcsacra.va
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 16 december 2018. Bekijk het origineel.

