De dag van Julius Caesar

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Elke vier jaar hebben we in februari het plezier van een extra dag, 29 februari. Morgen dus. De zogenaamde schrikkeldag kwam voor het eerst voor op de Juliaanse kalender, die werd bedacht door de beroemdste Romein aller tijden, Julius Caesar. Hij probeerde een kalender te maken die zoveel mogelijk klopte met een ‘tropisch jaar’, de periode die de aarde erover doet om rond de zon te draaien. De kalender van Caesar bestond uit 365 dagen, verdeeld over twaalf maanden. Februari was de laatste maand van het jaar en telde 28 dagen, terwijl alle andere maanden 30 of 31 dagen hadden, net als nu. Een tropisch jaar is in werkelijkheid ongeveer 365 en een kwart dag lang, dus kwam er eens in de vier jaar een extra dag bij aan het eind van het jaar, op 29 februari. Voor het ontstaan van onze schrikkeldag moeten we dus al meer dan tweeduizend jaar teruggaan in de tijd. De term “schrikkeljaar” komt overigens van het Middelnederlandse scricken, wat oorspronkelijk “met grote passen lopen” en ook “springen” betekende, en dat ook terug te vinden is in het Hasseltse woord schrikschoen (schaats).

De Juliaanse kalender werd vervolgens gebruikt in het grootste deel van de christelijke wereld. Hij werd in de loop van de 16de tot de 20e eeuw geleidelijk aan verdrongen door de Gregoriaanse kalender, die eigenlijk niet meer dan een correctie is van de Juliaanse. De Juliaanse kalender is genoemd naar Julius Caesar, die hem, in zijn hoedanigheid van pontifex maximus (hoofd van de Romeinse eredienst) op 1 januari 45 v. Chr. (ofwel het jaar 709 Ab Urbe condita) invoerde als finale correctie op de Romeinse versie van de Egyptische kalender. Die was eerder reeds door Alexander de Grote onder invloed van het Hellenisme over het hele Middellandse Zeegebied verspreid geraakt.

Op advies van de Alexandrijnse astronoom Sosigenes legde Caesar een jaar van 365 dagen vast, zoals dat vanouds reeds in de Egyptische was bepaald. Maar om de vier jaar werd een extra dag aan het jaar toegevoegd. Dat geeft een jaar van gemiddeld 365,25 dagen, een vrij goede benadering van het tropische jaar (het jaar gebaseerd op het verloop van de seizoenen), hoewel in Caesars tijd al een meer nauwkeurige waarde bekend was. De Juliaanse kalender is totaal 11 minuten langer dan het tropische jaar. Daardoor loopt de kalender op duizend jaar tijd 7,8 dagen achter op de zon.

De schrikkeldag werd na 23 februari ingevoegd in de Juliaanse kalender, waardoor de maand februari in een schrikkeljaar 29 dagen kreeg. Maar de nummering van de dagen in februari eindigde niettemin ook op 28, want de schrikkeldag was een ‘nummerloze’ dag, aanvankelijk ingelast tussen de 23ste en de 24ste februari. Een ‘bis’dag dus, zoals ook uit de oude Latijnse aanduiding blijkt: ante diem bis sextus Kalendas Martii (in het Frans heet een schrikkeljaar nog steeds une année bissextile). Later stapte men van deze nummerloze dag af en laste die in na 28 februari en kreeg als zodanig het nummer 29.

In de loop van de daaropvolgende eeuwen kwam er weer een verschil in het jaar. Dat bracht paus Gregorius XIII ertoe om in 1582 een nieuwe, verbeterde kalender in te voeren. Die (later zo geheten Gregoriaanse) kalender gebruiken we nog steeds. De pausen beschouwden zich op hun beurt als ‘pontifex maximus’ en dus verantwoordelijk voor de kalender. Dit gezag werd echter niet overal erkend. Daarom duurde het bijvoorbeeld tot 1918 voordat Rusland deze kalender accepteerde en Griekenland pas in 1923.

Volgens de Gregoriaanse kalender, die we tegenwoordig hanteren, zijn alle jaren die deelbaar zijn door vier schrikkeljaren, met uitzondering van de eeuwjaren (jaren die deelbaar zijn door 100). Eeuwjaren die deelbaar zijn door 400 zijn echter ook schrikkeljaren. Dus 1900 en 2100 zijn geen schrikkeljaren, 2000 (wat deelbaar is door 400) is wel een schrikkeljaar. In de Juliaanse kalender waren er geen uitzonderingen op de regel “deelbaar door vier = schrikkeljaar”. Doordat de Juliaanse kalender minder nauwkeurig aansloot bij de werkelijke astronomische lengte van een jaar (365,2421875 dagen) liep het kalenderjaar achter op het zonnejaar. Toen de Gregoriaanse kalender ingevoerd werd te Rome in 1582, maakte men de gecumuleerde achterstand in één keer goed door van 4 oktober 1582 meteen naar 15 oktober 1582 te springen (waarmee dus 10 dagen werden overgeslagen). Bent u nog mee?

In de oude Romeinse kalender begon het jaar op 1 Martius. Dit is nog steeds merkbaar aan de namen van de maanden september (‘septem’ = zeven), oktober (‘octo’ = acht), november (‘novem’ = negen) en december (‘decem’ = tien). Bij de Juliaanse kalender werden de maanden van de oude kalender behouden, maar hun duur werd aangepast en bovendien begon het jaar voortaan op 1 januari. Ook verdween de schrikkelmaand van de oude kalender. Caesar bepaalde dat het jaar AUC 708 (het jaar der verwarring = 46 v. Chr.) 455 dagen zou tellen. 1 Ianuarius zou zo weer samenvallen met het begin van de winter.

Ter ere van de invoering van deze kalender werd de maand Quintilis veranderd in Iulius. Later werd de naam van de maand Sextilis gewijzigd in Augustus. In 1820 verscheen voor het eerst in de Encyclopedia Britannica het door Johannes de Sacrobosco in de wereld gebrachte fabeltje dat, omdat keizer Augustus niet voor zijn voorganger wilde onderdoen, het aantal dagen van die maand van 30 op 31 werd gebracht (net zoveel als Julius). Daarbij zouden die extra dagen van Februarius zijn afgehaald. Dat laatste is eenvoudig te weerleggen, want reeds onder Numa Pompilius (715-672 v. Chr.) telde februari 28 dagen. In Sacrobosco’s theorie was dus Augustus’ kalender de definitieve, en had Julius Caesar de kalender anders in gedachten.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 1 maart 2008 op het Romenieuws-archief.