De fantastische vriendschap tussen Keats en Severn

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

We bevinden ons al enkele dagen in de wereld van Keats en Shelley, een Brits dichtersduo dat in Rome niet alleen een eigen museum kreeg (gevestigd in een huis waarin je tegenwoordig ook kan logeren) maar die ook vandaag nog voortleven dankzij hun prachtige dichtwerk. In het boekje Les Chambres des Saints à Rome van Edmond Joly (1861-1932) dat een jaar na de dood van de schrijver werd uitgegeven en de kamers in Rome beschrijft waar heiligen hebben geleefd en/of gestorven zijn, staat het huis van John Keats aan Piazza di Spagna 26 niet vermeld. Dat is maar normaal: Keats was uiteraard geen heilige, maar een dichter.

Maar in andere tijden zou zijn goede vriend Joseph Severn echter zeker wel een plaatsje in dit boek verdiend hebben. Wat Severn en Keats samen meemaakten, van de aankomst van deze laatste in Rome, zijn stervensproces tot aan zijn dood is het verhaal van een fantastische vriendschap. Beiden liggen nu naast elkaar op het cimitero acattolico, het niet-katholieke of protestantse kerkhof in Rome, aan de voet van de piramide van Cestius. Daarover lees je meer in een volgende bijdrage.

In het nog altijd heerlijk vlot leesbare boekje Wandelingen door Rome dat Godfried Bomans in 1956 publiceerde, beschrijft de auteur op meesterlijke wijze de laatste levensdagen van John Keats en de moeite die Joseph Severn zich getroostte om zijn vriend zoveel mogelijk moeilijke momenten te besparen. Het lijkt wel alsof Bomans er zelf bij was. Het is een verhaal dat moet blijven verteld worden en dat we graag even delen, ook al omdat de meeste boeken van Godfried Bomans doorgaans nog wel te vinden zijn op de tweedehandse boekenmarkt, maar exemplaren van zijn Wandelingen door Rome steeds schaarser worden. Bomans, die in de periode 1953-1954 in Rome verbleef, publiceerde zijn verhalen eerst in Elseviers weekblad, maar een paar jaar later verschenen ze ook in boekvorm.

Hij wist het uiteraard niet, maar toen John Keats op 17 september 1820 in het schip Maria Crowther uit Londen wegvoer, was hij reeds ten dode opgeschreven. Niet, zoals zijn grafschrift ons wil doen geloven, door de ‘malicious power of his enemies’, want men sterft niet aan een paar ongunstige recensies, maar omdat de tuberculose hem reeds volledig had ondermijnd. Shelley, die in Pisa verbleef en hiervan hoorde, raadde Keats aan om de winter in Italië door te brengen, waar het klimaat aanzienlijk zachter is dan in het regenachtige en mistige Engeland.

‘Deze ziekte is bijzonder gesteld op mensen, die zulke goede verzen schrijven als jij en een Engelse winter zal haar in die voorliefde te hulp komen. Pak dus de eerste boot en kom bij mij in Italië’, schreef Shelley. John Keats accepteerde de uitnodiging en scheepte meteen in. Maar op 11 november werd Shelley ongerust over het wegblijven van Keats en schrijft hij een brief aan Marianne Hunt: ‘Waar is Keats nu? Ik verwacht hem hier elk moment en wil alle zorg aan hem besteden. Ik beschouw zijn leven als onschatbaar en zijn genezing gaat mij zeer ter harte. Ik ben van plan de dokter te zijn zowel van zijn lichaam als van zijn geest. Het eerste zal ik de Italiaanse warmte schenken, het tweede de kennis van Grieks en Spaans’.

Wat Shelley niet kon weten is dat John Keats, na een afschuwelijke overtocht met de Maria Crowther, reeds op 21 oktober in Napels was aangekomen en daar, om van de zware reis te bekomen tien dagen in quarantaine had gelegen. Op dat moment schommelde hij in een langzame koets richting Rome. Naast hem zat zijn vriend Joseph Severn, een eerder middelmatige schilder en een weinig opvallende persoonlijkheid. Mensen zoals Joseph Severn leven met duizenden in elke stad en zij zijn, zo niet het zout, dan toch het deeg der mensheid. Om de verborgen krachten van een dergelijke ‘naamloze’ aan het licht te brengen is een bijzondere gebeurtenis nodig. Ze zijn zelf niet bijzonder creatief, maar onder de dwang van bepaalde omstandigheden komen hun mogelijkheden tot volle ontplooiing.

De Engelse taal heeft daarvoor een onvertaalbare uitdrukking: ‘He rose to the occasion’. Die ‘occasion’ was de dood van zijn vriend. Severn, wiens lastig te onthouden achternaam bijna symbolisch is voor de vlakheid van zijn bestaan, katapulteerde zichzelf door deze gebeurtenis ongewild zover uit de anonimiteit dat hij voor altijd zal herinnerd worden.

Hoe was Joseph Severn nu betrokken geraakt bij John Keats? Toen deze laatste naar Italië zou vertrekken, was zijn gezondheidstoestand al zo slecht dat iemand hem moest vergezellen. Het was echter niet duidelijk wie dat zou moeten zijn. Lamb, Brown, Haslam en Leigh Hunt: ze waren allemaal bezet. Bovendien was een dergelijke onderneming in die dagen ook geen kleinigheid. Alleen al voor de reis van Londen naar Pisa kon men, gaande over Napels, twee maanden uittrekken en dan moest er onderweg niet teveel getreuzeld worden. Wie wilde dit doen? En vooral: wie kon?

Dit wilde en kon alleen de man, die gewoonlijk niet nodig was, op wie nooit gewacht werd en die zonder spijt gemist kon worden. Severn raapte snel wat ponden bijeen, pakte zijn koffertje en sprong aan boord. En daarmee sprong hij meteen ook de geschiedenis in. Had hij hiervan een vermoeden? Neen, zeker niet, en daarvan bestaat ook een schriftelijk bewijs. ‘Most certainly he will recover’, schrijft Severn vanuit Napels aan zijn zuster over Keats toen deze laatste in de hotelkamer ernaast in zijn quarantaine-bed lag. Op zijn beurt schrijft Keats vanuit zijn ziekbed: ‘I can bear to die’.

Joseph Severn ziet echter al gauw zijn vergissing in en reeds een dag later schrijft hij Haslam: ‘Keats heeft mij zojuist alles verteld en ligt nu uitgeput te slapen. Hij praatte uren aan een stuk en gooide er al zijn wanhoop uit. Ik deed mijn best om hem wat op te beuren en heb tenminste dit bereikt, dat hij eindelijk is ingeslapen’. De passage is typerend voor de afstand die er eigenlijk tussen de twee jonge mensen bestond. Keats had, in zijn correspondentie tijdens de overtocht, zijn beste vrienden al lang over zijn toestand ingelicht. Het is pas in Napels, in een vreemd buitenlands hotel, als Keats zich eenzaam en verlaten voelt en er niemand meer is aan wie hij zijn angst kwijt kan, dat hij zijn vage begeleider naast zich echt opmerkt.

Pas door deze bekentenis is Severn als vriend bevestigd en begint hij zich bewust te worden van zijn mogelijkheden. Vanaf deze dag zal ook John Keats, die zelf aan ‘fine doing’ boven ‘fine writing’ de voorkeur gaf, beseft hebben welke kostbare reisgenoot hem meegegeven was op het laatste barre stuk dat hij nog van het leven had af te leggen.

Begin november komen beide vrienden eindelijk in Rome aan en stappen meteen de mooiste kamers binnen die in de stad te vinden zijn. Hoe ze die gevonden hebben is niet duidelijk maar het is een magnifieke plek, al vindt de verwende Severn het een ‘barbarous place’. Het kamertje van Keats is het kleinst. Het heeft niettemin twee ramen: het ene kijkt regelrecht in de ‘barcaccia’, de marmeren boot van Pietro Bernini, het andere ziet uit op de machtige Spaanse Trappen. Het vertrek van Severn is wat groter, maar heeft slechts één raam, waardoor hij de Piazza di Spagna onder zich ziet liggen. In dit uitbundige barokke decor heeft zich het stille drama afgespeeld, dat wij door Severns brieven perfect op de voet kunnen volgen.

Het eerste bedrijf daarvan zet rustig in. Keats is zelfs in staat de honderd treden van de Scalinata di Spagna op te klimmen, om daar, met de Trinità dei Monti en de obelisk in de rug, de Via dei Condotti in te kijken. Ja, hij maakt ook kleine wandelingen in de aangrenzende tuin van de Villa Borghese en ziet vanaf de Pincio over de huizenzee van Rome, met de parelende bellen van zijn koepels en het grijze schuim der Albaanse bergen op de achtergrond.

Maar dan, op 10 december, wordt dit uitstel afgesneden. Keats staat niet meer op. Zijn rol is uitgespeeld, die van zijn vriend begint. Dan komt het verhaal van Godfried Bomans pas echt op dreef. Joseph Severn, de artistieke dilettant, de man, die door zijn critici veel milder dan Keats beoordeeld was omdat hij geen gevaar opleverde, de eeuwige ‘belofte’, de altijd ‘in knop’ staande persoonlijkheid, vouwt plotseling zijn bladeren open en begint te bloeien. Zijn bloei duurt precies zo lang, als de bloem van de dichter nodig had om te verdorren: ruim twee maanden, en niet meer. Maar dit is voldoende. Een mens hoeft zich maar korte tijd volledig te realiseren om zijn bestaan te rechtvaardigen.

Ik kan nooit die twee kamertjes binnengaan, zonder hem in de geest bezig te zien. Daar, in die hoek, stond de huurpiano, waarop hij de lievelingsmelodieën van zijn vriend speelde, met één hand, ‘for the left side I gave up’; en daar, bij het raam, trachtte hij thee te zetten, de ellendige thee, die een 26-jarige jongeman van goeden huize gewoonlijk tot stand brengt.

En daar, in de kamer van Keats, is de haard, de enige haard waarover zij beschikten en die de eigenaardigheid bezat van alle haarden, door beschaafde jongelieden aangemaakt, van zijn rook niet de schoorsteen, maar de kamer in te blazen. ‘What enrages me most is making the fire. I blow – blow – for an hour – the smoke comes fuming out – my kettle falls over the burning sticks – no stove – Keats calling to be with him – the fire catching my hands – and the door bell ringing… oh my God!’

En daar, in die hoek, stond het bed waarin Keats, met een flauwe glimlach misschien, lag te kijken naar de hopeloze pogingen van zijn vriend er een geregeld huishouden van te maken. ‘I light the fire, make his breakfast and sometimes am obliged to cook – make his bed and sweep the room…’.

Was er geen bekwamer hand om dit te doen? Severn zelf geeft hierop antwoord in een van zijn brieven: ‘I can have these things done, but never at the time they ought and must be done’. De betekenis hiervan wordt nog duidelijker uit een andere passage: ‘If I could leave Keats every day for just a short time, I would soon raise money by my painting; but he will not let me out of his sight’.

Hieruit blijkt dat, afgezien van geldgebrek, al deze dingen door Severn tersluiks moesten gedaan worden, in de weinige ogenblikken dat Keats sliep of hem in een flauwte even uit het oog verloor. De taak van Severn was naast hem te zitten, aanwezig te zijn, want Keats had… angst. Zonder steun van een religie vreesde hij het ontzettende dat komen ging en had hij behoefte aan de nabijheid van een menselijk wezen, die hem geen ogenblik mocht verlaten. Zo had hij zelf, als jongen van veertien jaar, bij zijn stervende moeder gezeten.

‘There is a story of him as a very young child standing outside her door with a drawn sword, when he had heard that she was sick and must be left in quiet. And in her last illness this knightly protection was still there, though no longer in an bloodthirsty form: he sat up whole nights with her in a great chair, would suffer nobody to give her medicine, or even cook her food, but himself, and read novels to her in the intervals of case…’

Hij eiste die ‘ridderlijke bescherming’ nu van zijn vriend en hij kreeg haar, ten volle en zonder bedenken, net zoals hij haar zelf gegeven had. ’17 december, 4 uur ‘s morgens: geen ogenblik ben ik van hem weg – ik zit aan de rand van zijn bed en lees hem de hele dag voor – ook ‘s nachts wijk ik niet van mijn plaats, want dan komen de vreselijke angsten waaruit ik hem moet opbeuren. Hij is even in slaap gevallen, de eerste keer sinds acht dagen, van louter uitputting. Ik hoop dat hij niet wakker zal worden voor ik dit geschreven heb, want je moet weten, mijn beste Brown, dat zijn toestand steeds erger wordt … En toch mag ik hem niet laten zien, hoe bedenkelijk het met hem staat’.

Keats was niet wat men een ‘gemakkelijke zieke’ noemt. Hij vergde van zijn vriend, wat hij van zichzelf gevergd had, toen hij zijn moeder en later zijn broer tot het bittere einde had opgepast: volstrekte overgave aan die ene taak, met uitsluiting van elke andere bezigheid, hoe gering ook. ‘Negen nachten ben ik nu op geweest en ook overdag heb ik geen minuut zijn bed verlaten. Gisteren vond hij het goed, dat ik hem even naar mijn kamer droeg om hem schoon goed aan te doen en zijn bed wat op te schudden. Ik praatte zelfs even over mijn schilderwerk en dit is alles, wat ik aan goed nieuws te melden heb…’.

Zelfs brieven, die uit Engeland kwamen, mochten niet opengemaakt worden, het was of Keats al zijn energie wilde concentreren op het ene, dat nu te gebeuren stond, of hij de gehele kosmos wilde doen inkrimpen tot het ledikant, waarin hij lag en de vriend, die ernaast zat. Die vriend was het enige, dat hij toeliet in de steeds nauwere cirkel, die zich om hem sloot.

‘s Nachts kan hij wel een uur lang met gesloten ogen liggen, en opeens slaat hij ze wijd open, in een plotselinge twijfel en schrik (in a sudden doubt and horror ); maar als hij dan mijn schaduw naast zich ziet zitten, vallen ze gerustgesteld weer toe. Telkens als hij me ziet, sluit hij zijn ogen, kijkt dan weer even en doet ze weer toe, net zo lang tot hij in slaap valt. Nu ik weet wat mijn aanwezigheid voor hem betekent, blijf ik hier als vastgespijkerd zitten en verroer me niet…’

Severn smaakte de voldoening, dat zijn constante, onwrikbare aanwezigheid, zijn rotsvaste op-wacht-staan langzamerhand zijn vriend tot berusting en bedaren bracht. ’14 februari 1821. Er is niets in zijn toestand veranderd dan alleen dit, dat er een grote kalmte en vrede over hem gekomen is. Vannacht praatte hij uren aan één stuk, maar niet als vroeger: opstandig en verbitterd, maar kalm en vol overgave, tot hij rustig in slaap viel’.

Het is ook in deze nacht, dat Keats hem vroeg op zijn graf de regel te willen beitelen: ‘Here lies one whose name was writ in water’. Severn, die een sterk, eenvoudig geloof bezat in een leven hierna, heeft die opdracht nochtans uitgevoerd, zoals een soldaat een bevel gehoorzaamt, maar wist van dr. Clark een boek te bemachtigen, in 1650 geschreven door Jeremy Taylor (1613–1667), getiteld: Holy Living and Dying with Prayers.

In zijn ‘Recollections’ schrijft hij:  ‘Hier las ik mijn arme Keats dagelijks uit voor, elke ochtend en elke avond, en het gaf hem een grote rust. En telkens als hij het sindsdien moeilijk had, vroeg ik hem of ik aan zijn bed mocht knielen en zachtjes bidden. Meestal stond hij dit toe en altijd kwam er dan een diepe vrede over hem’. Van die eindeloze nachtwaken is in de sterfkamer van Keats nog een ontroerend document te vinden. Het is een tekening, of liever een gewassen sepia, die onder een glasplaat ligt, Keats slapend voorstellend. Severn maakte hem in de nacht van 28 januari, om zichzelf ‘wakker te houden’, zoals de twee bevend geschreven regels aan de onderkant getuigen: ’28 jan. – 3 o’clock after midnight drawn to keep me awake – a deadly sweat was on him all this night’.

De in Praag geboren lyrische dichter Rainer Maria Rilke, die deze plek begin 1914 bezocht, schreef er een gedicht over: ‘Zu der Zeichnung, John Keats im Tode darstellend’. De titel ervan bewijst dat hij in de mening verkeerde de gestorven Keats voor zich te zien. Dit is een vergissing. Keats sluimert, het hoofd half naar zijn vriend gewend, als om ook in zijn slaap nog zeker te zijn dat hij er was.

Naarmate het einde nadert, wordt Keats kalmer, Severn geagiteerder. Het is of langzaam aan de rollen worden omgewisseld en het Keats is, die de leiding neemt. Als hij een tijd naar het voorlezen van de ander geluisterd, heeft, zegt hij opeens: ‘Severn, I can see under your quiet look immense twisting and contending – you don’t know what you are reading – you are enduring for me more than I will have you’.

Een andere keer vraagt hij: ‘Heb je ooit in je leven iemand zien doodgaan? Niet? Dan heb ik met je te doen. Maar geloof me, het valt mee, ik zal rustig sterven. Wees flink, als het gebeurt, ik zal niet lastig zijn…’. Keats hield woord, in de nacht van 23 februari. In de sterfkamer ligt nog de brief die Severn de volgende dag aan Brown wilde schrijven, maar nimmer voltooide. De letters zijn nauwelijks te lezen, zo zwak is het schrift van de uitgeputte wachter.

Dit staat er: ‘He is gone. He died with the most perfect ease. He seemed to go to sleep. On the 23rd, Friday, at half past four, the approach of death came on. ‘Severn – I – lift me up, for I am dying. I shall die easy. Don’t be frightened. Thank God it has come.’ I lifted him up in my arms and the phlegm seemed boiling in his throat. This increased till eleven at night, when he gradually sank into death, so quiet, that I still thought he slept. I will…’

Twee dagen later droeg een kleine stoet de toen nog onbekende dichter naar het protestantse kerkhof, even buiten de Aurelische muur. Severn moest ondersteund worden en zonk, toen het voorbij was, bewusteloos ineen. Zijn grote taak was volbracht. Hij leefde nog ruim 58 jaar en werd in 1881 naast zijn vriend begraven. De twee grafstenen staan dicht bijeen, zwijgende getuigen van een vriendschap, die de zwaarste proef doorstond.

Op de rechter beitelde een Italiaanse steenhouwer de officiële titels die Joseph Severn zich in zijn lange leven eerlijk verworven had: Brits consul in Rome en ridder in de Kroon van Italië. Maar bovenaan, vlak onder zijn naam, staat de titel, waardoor zijn gedachtenis zal blijven leven: ‘Devoted friend and death-bed companion of John Keats’.

Dat is zijn glorie. Ridder in de Kroon van Italië kunnen wij allen worden, zodra we twaalf jaar consul in Rome zijn. Maar om ridder te worden in de zeldzame orde der kameraadschap moet men drie maanden naast het bed van een vriend zitten en niet wijken, tot het voorbij is. Tot zover Godfried Bomans.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 10 maart 2019. Bekijk het origineel.