De recente vandalenstreek van een snoodaard bracht ons de mooie Fontana del Moro in herinnering, een waterpartij die reeds eeuwen geleden een plaatsje kreeg op de al even mooie Piazza Navona.
Een 61-jarige Italiaan hakte met een mes een steen van ruim twee kilogram los van de Fontana del Moro, één van de drie grote fonteinen op het plein. Dankzij camerabeelden en de getuigenis van een voorbijganger, duurde het niet lang vooraleer de man was opgespoord en aangehouden. Ook de steen is teruggevonden.
De dader zal zich nu moeten verantwoorden voor diefstal, het berokkenen van schade aan een beschermd monument en het aanbrengen van vernielingen op het openbaar domein. Dat gaat hem flink wat geld kosten. Niet alleen aan boetes, maar hij zal ook opdraaien voor de kosten om de fontein te herstellen. Wat de man bezielde is niet bekend.

De Fontana del Moro of de Fontein van de Moor bevindt zich aan de zuidelijke zijde van het plein, waar zich nog twee andere grote fonteinen bevinden: de Fontana dei quattro fiumi of de Vierstromenfontein in het midden, gemaakt door Bernini en de Fontana del Nettuno of de Neptunusfontein, een ontwerp van Giacomo della Porta, aan de noordelijke zijde.
Centraal in de beeldengroep die de Fontana del Moro vormt, bevindt zich een ‘moor’, een Afrikaanse man die vecht met een dolfijn. Hij wordt omringd door vier blazende tritons, fabelwezens die bovenaan mens zijn en onderaan vis.
De tritons en de beelden die we vandaag aan deze fontein zien, werden tijdens een grote restauratiebeurt in 1874 vervangen door kopieën. De originele beelden werden verplaatst naar Villa Borghese, toen nog in handen van de gelijknamige familie.

In 1576, toen Piazza Navona nog een rommelig marktplein was, had Giacomo della Porta (1539-1602) voor deze plek een fontein ontworpen. Die bestond enkel uit twee dolfijnen en een schelp.
Dat beeldhouwwerk werd verzorgd door de Florentijn Taddeo Landini (1550/1560-1596), de man die in 1584 later voor dezelfde architect de mooie Fontana delle Tartarughe of Schildpaddenfontein op Piazza Mattei zou uitvoeren.
In 1653 gaf paus (Giovanni Battista of Giambattista Pamphilj) Innocentius X (1644-1655) aan Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) de opdracht de fontein wat op te smukken. Die stond recht tegenover het enorme palazzo van de paus, vandaag nog altijd Doria Pamphilj geheten. Vandaag biedt het gebouw onderdak aan de ambassade van Brazilië.
Innocentius X (hieronder op meesterlijke wijze vereeuwigd door de Spaanse schilder Diego Vélazquez in 1650) was een politiek gewiekste paus die de macht van de Heilige Stoel enorm wist te vergroten.
Voor hij stierf heeft hij ook zijn grote droom kunnen waarmaken: de transformatie van de toen behoorlijk smerige Piazza Navona tot een oord waar de Romeinse elite zich thuis voelde. De grandeur van het plein is na Innocentius X nooit meer verdwenen.

De nieuwe versie van de fontein zou er nooit gekomen zijn zonder Olimpia Maidalchini (1595-1657), de energieke en machtsgeile weduwe van de broer van Innocentius X.
Het was weliswaar dank zij haar immense bruidsschat dat kardinaal Giovanni Battista Pamphilj carrière kon maken aan het pauselijke hof, maar zodra hij tot paus verkozen was, kwam Olimpia de intresten op haar investering opeisen.
Haar invloed en macht werden zo groot dat men haar niet alleen ‘la papessa’ maar ook ‘la regina’ noemde. Er verscheen zelfs een boekje met de titel ‘Het leven van donna Olimpia Maidalchini, hoe ze de Kerk bestuurde gedurende het pontificaat van Innocentius X’. Olimpia was hoe dan ook de drijvende kracht achter de paus.
Op zeker ogenblik schonk de paus haar zelfs zijn fraaie en pas vernieuwde palazzo aan Piazza Navona. Waarom de paus dit heeft gedaan is eeuwenlang het onderwerp geweest van vele discussies waaruit de nodige complottheorieën ontstonden.
Sommigen menen dat donna Olimpia de minnares van de paus was. Anderen denken dat de paus werd gechanteerd. De ware reden is gehuld in de nevelen van de geschiedenis.
Wat wel geweten is: zowel de gierigheid als de hebzucht van Olimpia kende geen grenzen en ook op moreel vlak nam ze het niet al te nauw. Hoewel de vrouw een groot deel van haar rijkdom en welstand te danken had aan Innocentius X, wilde ze geen cent uitgeven voor zijn begrafenis.
Integendeel, nadat de paus overleden was, haalde ze nog vlug de laatste twee koffers met spaargeld onder zijn ledikant vandaan. Toen ze twee jaar later in 1657 zelf aan de pest stierf, werden in Palazzo Pamphilj twee miljoen scudi in contanten aangetroffen.
Het was dus deze illustere dame die er bij de paus op had aangedrongen dat er een centrale figuur moest worden toegevoegd aan de fontein voor het palazzo waar ze inmiddels zelf wooonde.
Bernini kreeg zoals verteld de opdracht en kwam oorspronkelijk aanzetten met het beeld van een dolfijn en een slak. Dat beviel donna Olimpia niet en het werd uiteindelijk een figuur die een moor moest voorstellen.

Volgens een hardnekkig verhaal zou Bernini zich voor de figuur van deze moor gebaseerd hebben op Antoine Emmanuel Nsaku ne Vunda, een ambassadeur van Congo, die begin 1608 onder het pontificaat van paus Paulus V (1605-1621) in Rome was gearriveerd.
Bernini was echter nog maar tien jaar oud toen Antoine ne Vunda in Rome aankwam. Het is is mogelijk dat Bernini als kind de Afrikaan heeft gezien, maar omdat de man kort na zijn aankomst in Rome overleed, is dat eerder twijfelachtig.
De figuur van de moor op de fontein lijkt bovendien niet op de afbeeldingen die van de Afrikaanse ambassadeur bekend zijn. Dat ontwerp is dus in ieder geval een vrije interpretatie van Bernini.
De komst van een zwarte ambassadeur had wel veel gespreksstof opgeleverd in Rome. Die gebeurtenis was wellicht indrukwekkend genoeg om jarenlang in de collectieve herinnering blijven hangen. Het beeld van de fontein werd in ieder geval pas 45 jaar na het overlijden van ne Vunda gemaakt.
De Afrikaan stelde zich in Rome voor als Antonio Emmanuele Funta, een Italiaanse verbastering van zijn echte naam, maar werd door iedereen meteen Nigrita genoemd.
De man had in 1604 van de christelijke koning van Congo, Nimi a Nkanga (de Portugezen noemden hem Alvaro II) de eervolle opdracht gekregen als ambassadeur naar de paus te reizen. Dat werd een avontuur dat bijna zo spannend was als de lange reis van Odysseus.
De koning wilde de oprichting van een eigen bisdom in zijn hoofdstad om meer onafhankelijk te zijn van het bisdom Sao Tomé dat onder de Portugese kroon viel.
Daarnaast wilde Alvaro II zichzelf ook bevrijden van de religieuze voogdij van Portugal en stuurde daarom Nsaku ne Vunda naar het Vaticaan om die kwesties te bespreken met de paus.
Zijn reis duurde jaren. Nigrita raakte tijdens de reis gewond, viel in handen van Hollandse kapers die hem zijn geschenken voor de paus afhandig maakten en belandde uiteindelijk berooid in Madrid waar hij zonder geld niet verder kon reizen naar Rome.
Toen hij eindelijk iemand vond met wie hij mocht meereizen, overleed die weldoener halverwege de reis, zodat Nigrita opnieuw in de problemen kwam. Ziek van de koorts bereikte hij Rome op 3 januari 1608, waar hij na een audiëntie bij paus Paulus V zijn missie nog net kon volbrengen, vooraleer hij op 6 januari overleed.

De paus had respect voor de gezant, de eerste Afrikaanse ambassadeur ooit, die zoveel gevaren had doorstaan, en liet een begrafenisbuste maken op basis van zijn dodenmasker. De buste toont ne Vunda gehuld in een mantel zoals die werd gedragen door Congolese edelen, en met een pijlkoker.
Nigrita werd begraven in de Santa Maria Maggiore. Toen ruim twintig jaar later een nieuw delegatie uit Congo heelhuids Rome wist te bereiken, bracht paus Urbanus VIII snel een nieuw grafschrift aan: Marchioni Antonio Nicritae, maar zorgde er wel voor dat zijn eigen naam net iets grotere letters kreeg.

In de doopkapel van de Santa Maria Maggiore zie je links tegen de muur, hoog boven de porfieren pijlers, de buste van Nigrita uit 1608. Ze is vervaardigd door beeldhouwer Stefano Maderno (1576-1636, de broer van Carlo) en waaraan ook de kunstenaar Francesco Caporale meewerkte.

Het borstbeeld valt op door de verschillende kleuren marmer waaruit het is vervaardigd. Dat was in het antieke Rome een veel gebruikt procedé dat pas in het begin van de zeventiende eeuw weer vaker werd toegepast. Het graf van ne Vunda bevindt zich onder het beeld.
Op het grandioze graf van Paulus V in dezelfde Santa Maria Maggiore, bevindt zich een bas-reliëf dat de ontvangst herdenkt van een Perzische ambassadeur door de paus in 1609, maar de inscriptie verwijst ook naar een (hier) niet nader genoemde Congolese en een Japanse ambassadeur.
Toen hij in 1610 de meest opmerkelijke feiten van zijn regering liet schilderen in de Vaticaanse bibliotheek, beval Paulus V dat er ook een fresco moest komen over het bezoek van de stervende zwarte ambassadeur.

Dit werk van Giovanni Battista Ricci (1537-1627) is nog steeds te bewonderen in de brede gang die naar de Sixtijnse Kapel leidt. Het stelt de paus voor aan het ziekbed van Nigrita (foto boven).
Een portret van Nigrita is ook te zien in de Sala dei Corazzieri, in het Palazzo del Quirinale in Rome, vandaag de residentie van de Italiaanse president Sergio Mattarella. Het doek bevindt zich naast het portret uit 1615 van de Japanse samoerai en ambassadeur Hasekura Tsunenaga. Hij was de eerste Japanner die de Nieuwe Wereld bezocht.
De voormelde tekst op het graf van Paulus V verwijst ongetwijfeld naar deze Japanse gezant en naar zijn collega ne Vunda, alias Nigrita. Of deze laatste echt model heeft gestaan (of minstens inspiratie leverde) voor het beeld van de Fontana del Moro zullen we wellicht nooit met zekerheid kunnen achterhalen.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 9 november 2020. Bekijk het origineel.

