We krijgen soms weleens de vraag wie nu de meest losbandige of slechtste keizer uit het oude Rome was. Omdat we de heren niet persoonlijk hebben gekend valt op die vraag niet volledig waarheidsgetrouw te antwoorden, maar wanneer we er de overblijvende getuigenissen op naslaan is er wel eentje die deze competitie met glans zou winnen. Heliogabalus of Elagabalus, die zichzelf als zonnegod zag, maakte het gedurende zijn korte regeerperiode (218-222) bijzonder bont. Zijn waanzinnige regering duurde slechts vier jaar maar toen hadden de Romeinen meer dan genoeg van hun knettergekke leider.
Toch slaagde hij erin om het laatste belangrijke bouwwerk uit de keizertijd te verwezenlijken op de Palatijnse heuvel, namelijk de Zonnetempel van Elagabalus, die gebouwd werd tussen 218 en 222. De onderbouw van deze tempel vind je nog terug in de huidige Vigna Barberini. Voor de rest schiet er van deze tempel weinig meer over dan een groot, vlak terrein. Hier bevond zich ooit het gebouw maar dit is vandaag volledig verdwenen.
Op deze vlakte raak je na de onderdoorgang van de Via di San Bonaventura, gelegen tussen twee kerkjes. Links, aan de zijde van het Colosseum staat de San Sebastiano in Pallara (ook wel San Sebastiano al Palatino geheten), rechts bevindt zich de San Bonaventura.
In oude teksten lees je dat Sebastiaan gedood werd ‘super gradus Heliocabulli’, op de trappen van de tempel van Heliogabalus. Oorspronkelijk lag hier een andere tempel die wellicht de Adonaea was, de tempel en de tuinen van Adonis. Op dezelfde plaats bouwde de Syrische keizer Heliogabalus (218-222) zijn beruchte zonnetempel (60 m bij 40 m) die omgeven was door een porticus van zowat 150 m bij 100 m. De tempel was bereikbaar via een monumentale ingang met vijf bogen (het pentapylum).
“Toen hij in deze stad kwam, liet de keizer een tempel op de Palatijn bouwen ter ere van zichzelf als de zonnegod en hier werden alle heilige Romeinse voorwerpen samen gebracht, zodat geen andere god in Rome zou worden vereerd’, staat te lezen in oude geschriften.
Onder die religieuze schatten bevond zich ook het beroemde palladium, het beeld van Pallas Athena dat door Aeneas uit Troje zou zijn meegebracht. Het beeld werd met veel zorg bewaard door de Vestaalse maagden en toen Heliogabalus het wilde meenemen zouden de priesteressen het door een vals exemplaar vervangen hebben om Rome van de ondergang te redden.
Het palladium gaf misschien zijn naam aan ‘in Pallara’ van het huidige kerkje. Ook de heilige steen uit de tempel van Cybele werd hier opgeborgen. Waar het palladium en de andere schatten die Heliogabalus bij elkaar sprokkelde uiteindelijk zijn gebleven is niet bekend. De keizer hield zich tijdens zijn regeerperiode vooral bezig met frivole zaken.
In de ‘Historia Augusta’ lezen we het volgende: ‘Vaak liet hij vier van de mooiste vrouwen, of twee of drie of meer, voor een licht wagentje spannen en reed dan zo rond. Meestal was hij dan naakt en waren ook die vrouwen naakt’. Door een huwelijk af te dwingen met de hogepriesteres van Vesta wilde hij het Romeinse Rijk eeuwigdurende vrede brengen. Deze ongehoorde daad die Rome op zijn religieuze en morele grondvesten deed beven, had al gauw tot gevolg dat de zonnekeizer vermoord werd.
Wie was deze Heliogabalus? Julia Domna, de vrouw van Septimius Severius en moeder van Caracalla, was van Syrische origine. Ze had een zuster, Julia Maesa die twee dochters had. Haar oudste dochter, die 25 jaar op de Palatijn verbleef, had een zoon Avitus. Nadat Macrinus, die na de moord op Caracalla de macht had gegrepen, op 8 juni 218 in Antiochië verslagen werd, werd deze Avitus door de Romeinse troepen, op aandringen van zijn grootmoeder (Julia Maesa) tot keizer uitgeroepen.
Hij was op dat moment 14 jaar oud, maar hij was toen ook al hogepriester van de Semitische zonnegod Elagabal (geïdentificeerd met de Romeinse zonnegod Sol). Als keizer liet hij zich Heliogabalus noemen. Hij maakte zich in Rome bijzonder onpopulair door de cultus van deze god boven die van de Romeinse goden te stellen. Op de keerzijde van sommige van zijn munten staat hij afgebeeld als hogepriester van die god (‘summus sacerdos augustus’). Elagabalus leefde een leven van uitspattingen en rolde, als we de bronnen mogen geloven, van de ene orgie in de andere.
Zijn korte regering stak qua losbandigheid deze van Nero en Commodus absoluut naar de kroon. Hij droeg make-up in het openbaar en hield er een mannelijke en vrouwelijke harem op na die hij zelf onthaarde ‘zowel hun gezicht als hun schaamstreek’. Op 12 maart 222 werd hij samen met zijn moeder, Julia Soaemias, door soldaten om het leven gebracht. Zij werden zo gehaat dat hun lichamen verminkt en in een parade door de stad gesleept werden en uiteindelijk in het riool geworpen.
Heliogabalus wordt opgevolgd door de zoon van de tweede dochter van Julia Maesa, Severus Alexander. Ook hij is pas 14 jaar en zal in het voorjaar 235 eveneens samen met zijn moeder Julia Mamaea door zijn troepen aan de Rijn vermoord worden. Dan volgt in het Romeinse Rijk een lange periode van grote instabiliteit. Tussen 235 en 284 werden er niet minder dan 51 erkende en niet erkende troonpretendenten tot keizer uitgeroepen. Het was wachten op Diocletianus (285-305) voor de rust in het rijk terugkeerde.
In ‘De geschiedenis van de neergang en val van het Romeinse Rijk’, het fraaie boek van Edward Gibbon, waarvan de zes delen verschenen tussen 1776 en 1788, lezen we het volgende.
In Emesa werd de zon vereerd onder de naam Heliogabalus en in de gedaante van een zwarte conische steen waarvan men algemeen geloofde dat hij uit de hemel op die heilige plaats was gevallen. Aan de invloed van deze beschermgod schreef Avitus (218-222) niet zonder enige reden zijn bestijging van de keizerlijke troon toe. Een vertoon van bijgelovige dankbaarheid was het enige waarmee hij zich tijdens zijn regering serieus zou bezighouden. De zege van de god van Emesa op alle godsdiensten van de aarde was het grote doel van zijn inspanningen en ijdelheid, en de naam Heliogabalus (want in zijn hoedanigheid van opperpriester en uitverkorene had de jonge keizer deze heilige naam aangenomen) was hem liever dan alle titels van de keizerlijke waardigheid.
Als er een plechtige processie werd gehouden door de straten van Rome was het wegdek met goudstof bestrooid; de zwarte steen, die in kostbare edelstenen was gevat, werd op een strijdwagen gezet die door zes melkwitte en rijkversierde paarden werd getrokken. De vrome keizer hield de teugels en liep, ondersteund door zijn dienaren, langzaam achterwaarts, zodat hij voortdurend het geluk van de goddelijke tegenwoordigheid deelachtig zou zijn. In een schitterende tempel, die op de Palatijnse heuvel was opgericht, werden met alle vertoon van kostbaarheid en plechtigheid offers aan de god Heliogabalus gebracht.
De meest uitgelezen wijnen, de bijzonderste slachtoffers en de zeldzaamste geurmiddelen verteerden in overvloedige hoeveelheden op zijn altaar. Eromheen voerde een rij Syrische jongedames op de klanken van barbaarse muziek wellustige dansen uit, terwijl de respectabelste persoonlijkheden van de staat en het leger, gekleed in lange Phoenicische tunieken, met voorgewend enthousiasme en verhulde verontwaardiging de nederigste functies waarnamen. Naar deze tempel, als naar het algemene middelpunt van religieuze eredienst, trachtte de keizerlijke fanaticus de Ancilia, het Palladium en alle heilige eden van het geloof van Numa over te brengen.
Een menigte lagere godheden verleende op verschillende posities diensten aan de majesteit van de god van Emesa, maar zijn hofhouding bleef onvolledig zolang er geen vrouw van hoge rang tot zijn bed was toegelaten. Aanvankelijk had men Pallas tot zijn gemalin uitverkoren, maar aangezien men vreesde dat haar krijgshaftige en afschrikwekkende persoonlijkheid de weke delicaatheid van een Syrische god angst zou aanjagen, werd de Maan, die door de Afrikanen onder de naam Astarte werd aanbeden, een meer gepaste partner voor de Zon geacht. Haar afbeelding werd, samen met de rijke gaven aan haar tempel bij wijze van bruidsschat, in plechtige optocht van Carthago naar Rome overgebracht.
Helius (of Hèlios), de zonnegod bij de oude Grieken, was een kind van de Titanen Hyperion en Thea, en een broer van Selene (maan) en Eos (dageraad). ‘s Morgens steeg hij met zijn vierspan in het oosten op uit de Oceanus, volbracht zijn baan langs de hemelkoepel en dook in het westen weer in de Oceanus onder. Bij Clymene had hij een zoon, Phaëthon, aan wie hij eens de zonnewagen leende met noodlottig gevolg. Bij Perse was hij de vader van Aeëtes en Circe; ook Aegle of Selene wordt als Helius’ gemalin vermeld. Homerus noemt de god alziend en alwetend en naast Zeus werd ook Helius bij de eed als getuige aangeroepen.
Op het eiland Thrinacia (soms gelijkgesteld met Sicilië) bevonden zich aan hem gewijde kudden, waaraan de gezellen van Odysseus zich vergrepen (Odyssee, XII, 260-396). Slechts op enkele plaatsen van de Peloponnesos werd Helius vereerd, doch vooral op Rhodos, waar zich zijn 32 m hoge colossus bevond. In de orfiek werd Helius met Apollo gelijkgesteld.
Sinds de tweede eeuw na Chr. verbreidde de cultus van Sol Invictus (Onoverwinnelijke Zon) zich vanuit het oosten over het Romeinse Imperium. Men stelde de zonnegod voor als een jongeman met stralenkrans, met als attributen een zweep en een wereldbol, en staande in een door paarden getrokken wagen. In de vroege christentijd werd ook Christus afgebeeld als Helius, rijdende in zijn zonnewagen, een voorstelling die men o.a. in mozaïek aantreft in één van de mausolea van de necropolis onder de Sint-Pietersbasiliek in Rome.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 23 november 2014. Bekijk het origineel.

