De man die een metrohalte werd

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Er is in Rome niet veel merkbaar van de Romeinse magistraat en generaal Gnaeus Julius Agricola (13 juli 40 – 23 augustus 93) die verantwoordelijk is voor een belangrijk deel van de verovering van Romeins Britannia. Zijn biografie, de De vita et moribus Iulii Agricolae, was het eerste gepubliceerde werk van zijn schoonzoon, de historicus Tacitus en is de bron voor het meeste van wat er over hem bekend is. Agricola werd geboren in Forum Julii (het huidige Fréjus). Hij kwam uit een vrij rijke Romeinse familie uit het zuiden van Gallië. Hij begon zijn militaire carrière in Britannia, waar hij diende onder gouverneur Gaius Suetonius Paulinus. Daarna was hij achtereenvolgens quaestor in de provincie Asia (64), vervolgens volkstribuun (66) en praetor (68). Vandaag is Agricola nagenoeg vergeten. Romeinen en toeristen kennen hem hoogstens nog van het metrostation op de Metropolitana lijn A dat zijn naam draagt: Giulio Agricola. In de Britse stad Bath kreeg Agricola in de negentiende eeuw een standbeeld.

Tijdens het vierkeizerjaar (69) steunde hij Vespasianus. Hij werd legioenscommandant in Britannia en stadhouder van de provincie Aquitania in het huidige Frankrijk. Terug in Rome huwelijkte hij zijn dochter uit aan de latere geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus. Van 77 of 78 tot 84 was hij stadhouder van de provincie Britannia. Daar breidde hij het Romeinse gezag uit over Wales en tot in Schotland (voorbij de lijn Glasgow-Edinburgh, waar keizer Antoninus Pius in 142 een wal zou laten aanleggen), maar een deel van zijn veroveringen moest hij later weer prijsgeven.

Keizer Domitianus, die al eerder Agricola’s voorgenomen invasie van Ierland had verhinderd, riep hem in 84 terug. De reden hiervan was dat Domitianus de Romeinse troepen uit Britannia nodig had aan de Beneden-Donau. Een andere reden kan missschien ook geweest zijn dat de keizer hem wantrouwde. Agricola trok zich terug uit het openbare leven en stierf in 93 een natuurlijke dood. Dat hij op last van Domitianus zou zijn vergiftigd, zoals Tacitus suggereert in de biografie die hij aan zijn schoonvader wijdde, is onjuist. In dit werk, waarin Tacitus zijn vooringenomenheid tegen Domitianus wel zeer duidelijk laat blijken, is overigens Agricola te veel geïdealiseerd.

Britannia (later ook gespeld als Briittania of Brettania) is de naam die door de Romeinen werd gegeven aan het eiland Groot-Brittannië (dat voordien Albion werd genoemd). De ‘autochtone’ bewoners van Zuid-Britannia, die al tin uit Cornwall verhandelden, werden omstreeks 500 v. Chr. verdrongen door golven van Keltische invallers uit Gallië. De laatsten die overstaken waren de Belgae (omstreeks 75 v. Chr.) en tijdens Caesars verovering van Gallië. Julius Caesar ondernam in 55 en 54 v. Chr. ter intimidatie twee invasies in Zuidoost-Engeland, echter zonder blijvend resultaat.

Zijn tegenstanders, de Catuvellauni (hoofdstad Verulamium = St.-Albans) onder Cassivellaunus, bleven in feite onafhankelijk en onderwierpen na Caesars vertrek opnieuw de Trinobantes (steden Camulodunum = Colchester en Londinium = Londen) in Suffolk. Keizer Claudius liet vanaf 43 n. Chr. Zuid-Britannia door een Romeins expeditieleger onder Aulus Plautius (die de eerste stadhouder werd) veroveren en richtte er de provincie Britannia in, omringd door vazalstaatjes. De Silures in Zuid-Wales werden in 51 verslagen, de Brigantes (hoofdstad Eburacum = York) werden eerst in 142 afdoende gepacificeerd.

De stadhouder Gaius Suetonius Paulinus bezette in 61 het eiland Mona (Anglesey), centrum van anti-Romeinse agitatie door de priesterkaste van de druïden, en onderdrukte de bloedige opstand van de Britse koningin Boudicca in Norfolk. Mona werd terug veroverd door Gnaeus Julius Agricola, die van 77 of 78 tot 84 het Romeinse gezag uitbreidde over Wales en tot in Schotland (waar hij de Caledoniërs versloeg), maar een deel van zijn veroveringen in het noorden later moest prijsgeven. Agricola bracht ook de romanisering van de Britse notabelen op gang.

Keizer Publius Aelius Hadrianus liet als onderdeel van de Romeinse limes (grenslinie) van 122 tot 128 tussen Carlisle en Newcastle de Hadrianuswal tegen de Caledoniërs aanleggen, waarvan grote delen bewaard zijn, evenals van de kortere, meer noordelijk gelegen Antoninuswal (142; tussen Glasgow en Edinburgh) van zijn opvolger Antoninus Pius, die echter in 185 weer werd ontruimd.

Keizer Septimius Severus verdeelde de provincie in Britannia Inferior (het westen) en Superior (het oosten). In de periode van militaire anarchie na 235 behoorde Britannia nu en dan tot een westelijk rijk (imperium Galliarum), dat ook Gallië en Spanje omvatte. Onder Honorius, keizer van de westelijke rijkshelft van het Romeinse Rijk, haalde de opperbevelhebber Stilicho, door de Visigoten onder Alarik bedreigd, in 401-402 een deel van de Romeinse garnizoenen uit Britannia weg. I

In 410 berichtte Honorius de Britanniërs, dat Rome hen voortaan niet meer kon helpen tegen de Picten en Scoten uit het noorden. In de loop van de vijfde eeuw vestigden heidense Germaanse Angelen, Saksen en Friezen zich aan de oostkust en drongen, ondanks hardnekkige tegenstand van Britse aanvoerders, geleidelijk naar het westen op. Vele Britanniërs weken uit naar Armorica op het vasteland (Bretagne en Normandië).

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 14 december 2014. Bekijk het origineel.