De man die Rome mooi maakte

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Als je een citytrip naar Rome maakt is het onmogelijk om niet in contact te komen met werk van de beroemde kunstenaar Gian Lorenzo Bernini. Deze veelzijdige artiest maakte zowel beeldhouwwerken, als schilderijen en tekeningen maar was daarnaast ook actief als architect, decor- en meubelontwerper, organisator van evenemenen en spektakels. Hij illustreerde ook boeken en schreef toneelstukken. Hoewel Bernini geboren is in Napels (7 december 1598) blijft hij onlosmakelijk verbonden met Rome waar hij het grootste deel van zijn leven woonde, werkte en stierf. Op de hoek van de Via di Propaganda en Via della Mercede vind je Palazzo Bernini, waar de kunstenaar woonde en overleed (op 28 november 1680). Aan de gevel bevindt zich als eerbetoon een gedenkplaat en een kleine buste. Bernini ligt begraven in de Santa Maria Maggiore-basiliek in Rome.

Gian Lorenzo was de zoon en leerling van Pietro Bernini die uit Florence afkomstig was maar getrouwd was met de Napolitaanse Angelica Galante. Op 8-jarige leeftijd trok de jonge Gian Lorenzo met zijn vader naar Rome. Daar kwam zijn talent al snel onder de aandacht van ondermeer de schilder Anibale Carraci, paus Paulus V en kardinaal Scipione Borghese, die zijn beschermheer zou worden. Bernini’s vroege werken, o.a. David (1619, te zien in de Galleria Borghese in Rome) en Neptunus (1620, te zien in het Victoria and Albert Museum, Londen), tonen reeds duidelijk typische barokelementen: zin voor het picturale, invloed van de klassieke kunst, beweging en beweeglijkheid, heftige gemoedsaandoeningen en grote aandacht voor naturalistische weergave. De krachtige expressie in de gezichten van zijn beelden is indrukwekkend. Net als bij Michelangelo wordt van Bernini vaak gezegd dat hij marmer werkelijk kon doen leven.

Tussen 1623 en 1640 vervaardigde Bernini het beroemde bronzen baldakijn in de Sint-Pietersbasiliek en een reeks realistische portretbustes, waarin het weergeven van het momentane samen met de individuele karakterisering van de modellen, de levendigheid verhoogt, zoals bv. deze van kardinaal Borghese (1632, Villa Borghese). De paus was bijzonder gecharmeerd door het prachtige baldakijn waarna een reeks nieuwe opdrachten voor de Sint-Pietersbasiliek snel volgde, zoals de gigantische Longinus (1632-1638), die in een pathetisch gebaar de armen heeft gestrekt.

Van fundamentele betekenis voor de ontwikkeling van het grafmonument in de 17de eeuw is het monument van paus Urbanus VIII, Bernini’s mecenas (1642-1647, Sint-Pieter, Rome), waarin Bernini een harmonisch evenwicht bereikte tussen de architectonische en de plastische onderdelen. In de beroemde groep Extase van de Heilige Teresia (1644-1652, Santa Maria della Vittoria, Rome), die deel uitmaakt van een geraffineerde architectonische compositie, is de pathetiek tot een hoogtepunt gevoerd.

Intussen creëerde Bernini ook een aantal unieke ontwerpen voor fonteinen. Daaronder de Fontana del Tritone (uit 1640, op Piazza Barberini), de wereldberoemde Fontana dei quattro fiumi of Vierstromenfontein (1647, Piazza Navona) waarbij het element van het stromend water met de architectonische en plastische onderdelen één geheel vormt. Van Bernini’s reis naar Frankrijk in 1665 is het belangrijkste overgebleven werk de geïdealiseerde portretbuste van Lodewijk XIV (Versailles), die het voorbeeld werd voor de Franse portrettisten tot in de 18de eeuw.

Van zijn vele belangrijke werken uit de latere periode kunnen worden genoemd: de cathedra van de Sint-Pietersbasiliek (1657-1666), het ruiterstandbeeld van keizer Constantijn (1654-1670, Vaticaan), het grafmonument van paus Alexander VII (1671-1678, Sint-Pieter, Rome) en de beelden op de Ponte Sant’Angelo naar de Engelenburcht om er slechts enkele te vermelden. Bernini was een ware virtuoos in de technische behandeling van marmer en brons. In zijn latere werken kreeg de beweging een meer decoratief karakter; daardoor en door het ver doorgevoerde pathos, werd de inhoud soms enigszins ondergeschikt gemaakt aan de vorm. Hij had toen een groot atelier met heel wat leerlingen en kreeg vele opdrachten.

Niet minder belangrijk is zijn architectonisch oeuvre. Aanvankelijk werkte hij vaak met anderen samen, zoals met Carlo Maderno aan het Palazzo Barberini (1625-1633, Rome), waarvan het ontwerp van de hoofdgevel vrijwel zeker van hem is. Zijn eigen stijl vond hij pas later, zoals in de beroemde colonnade rondom het Sint-Pietersplein (1656-1667) en in de Scala Regia (1661, Vaticaan), een perspectivisch meesterwerk.

Bernini vermeed bewust abrupte overgangen; hij gebruikte bij voorkeur vloeiende vormen. In de Sant’Andrea al Quirinale (1658, Rome), op ovale plattegrond, wist hij een ruimtewerking te scheppen waarbij, dankzij de geraffineerde plaatsing van de vensters, de altaarpartij op een hoogst ingenieuze wijze geaccentueerd wordt. Behalve ontwerpen voor decors van de opera van de Barberini, uitgevoerd met zeer vernuftige accessoires en machines, heeft Bernini een groot aantal meesterlijke tekeningen nagelaten.

De kunst van Bernini is niet alleen een vorm, maar ook de uitdrukking van een intens beleefd en met alle middelen nagestreefd ideaal: de toeschouwer fysiek en emotioneel het onzichtbare in, buiten en boven het zichtbare te doen voelen en beleven. Zijn betekenis voor de kunst van de barok is immens. Talrijke begaafde leerlingen hebben zijn stijl in en buiten Italië verspreid.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 15 december 2012. Bekijk het origineel.