Italiaanse wetenschappers zijn bezig met een project dat de resten van Plinius de Oudere met zekerheid moet identificeren. Ongeveer honderd jaar geleden werden in Castellammare di Stabia (in de oudheid Stabiae) een zeventigtal skeletten opgegraven. Afgaande op de uitrusting en de wapens die op één skelet werden aangetroffen, ging de ontdekker ingenieur Gennaro Matrone er al gauw vanuit dat het om de overblijfselen van de bekende Romeinse schrijver en veldheer Plinius de Oudere ging. Die werd op het strand van Stabiae tijdens een reddingsactie, vlak na de beruchte uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., verrast door een giftige wolk waardoor hijzelf en een aantal manschappen omkwamen.
Italiaanse wetenschappers hebben een techniek ontwikkeld waarmee ze de identiteit van het skelet met zekerheid zullen kunnen vaststellen. Indien succesvol, zou het de eerste positieve identificatie zijn van de overblijfselen van een hooggeplaatste figuur uit het oude Rome. Via namen en inscripties op sarcofagen en in catacomben zijn de laatste rustplaatsen en soms ook nog de resten van talrijke belangrijke overledenen uit de oudheid gekend. Resten van echt hooggeplaatste figuren werden echter nooit positief geïdentificeerd, afgezien van verhalen en legendes die werden gekoppeld aan de relikwieën van christelijke heiligen en martelaren.
Zeker de overblijfselen van figuren zoals Julius Caesar of keizers zoals Augustus, Hadrianus of Trajanus zijn nooit teruggevonden. Dat komt natuurlijk omdat de Romeinen gedurende een groot deel van hun geschiedenis de voorkeur gaven aan crematie. Als die resten werden begraven gebeurde dat in een kleine urne. Een groot contrast met bijvoorbeeld de Egyptenaren die hun leiders netjes als mummie in een rijkelijk versierde sarcofaag stopten en die vervolgens in een grafkamer vol schatten plaatsten.
Daarnaast werden na de val van het Romeinse rijk talloze sites en grafmonumenten geplunderd. De afbraakpolitiek en plunderingen duurden eeuwenlang, het hoeft dus niet te verwonderen dat ook de urnen met de resten van hooggeplaatste Romeinen voorgoed verdwenen zijn in de nevelen van de tijd. De tijdscapsule die Pompeï en de onmiddellijke omgeving vormt, heeft in het geval van de vermeende Plinius wellicht het verschil gemaakt.
In 79 na Christus voltrok zich een gigantische natuurramp. De top van de vulkanische Vesuvius explodeerde. Giftige gassen ontsnapten en vormden een gigantische zwarte wolk; midden op de dag werd het nacht en bedekte een regen van as en puimsteen het welvarende stadje Pompeï. Ook het kleinere Herculaneum verdween voorgoed toen het werd bedolven onder een stroom van kokende lava. Het leven in deze kustplaatsen in de baai van Napels kwam abrupt tot stilstand. Plinius de Oudere zette vlak na de uitbarsting van de Vesuvius een grote reddingsactie op touw. Bij die reddingsactie kwam de man echter zelf om. Het relaas van Pompeï en het verhaal van wat er met Plinius gebeurde, werd later geschreven door zijn neef Plinius de Jongere. In zijn kroniek verhaalt hij hoe zijn oom op het strand van de Golf van Napels overleed toen hij in een wolk van gifgas belandde.
Het is niet met zekerheid geweten hoeveel mensen de veiligheid van de schepen hebben bereikt voordat de gifwolk op het strand van Stabiae arriveerde. De interventie van Plinius heeft wellicht wel 2.000 mensen gered, een aantal dat ongeveer gelijk is aan het geschatte aantal mensen dat tijdens de uitbarsting is gedood in de vernietigde steden Pompeï, Herculaneum en Stabiae. Indirect bewijs hiervoor werd gevonden in de jaren ’80 van de vorige eeuw, toen archeologen in de oude haven van Herculaneum de overblijfselen ontdekten van een Romeinse legionair en een verbrande boot, mogelijk een bemanningslid en wellicht één van de reddingsboten uit de vloot van Plinius. In die periode werden in Herculaneum ook de resten ontdekt van ongeveer 300 mensen die hun toevlucht hadden gezocht in de overdekte scheepshallen van de haven, maar die geen weet hadden van de beruchte pyroclastische golf, een zeer hete wolk vulkanisch gas die kenmerkend is voor dit soort uitbarstingen. Die wolk kostte hen alsnog het leven.
In het begin van de twintigste eeuw ontdekte ingenieur Gennaro Matrone ongeveer 70 skeletten aan de kust bij Stabiae. Eén van de lichamen droeg een gouden drievoudige halsketting, gouden armbanden en een kort zwaard versierd met ivoor en schelpen. Matrone jubelde al snel dat hij de overblijfselen van Plinius de Oudere had gevonden. De plaats waar de resten zich bevonden en de omstandigheden leken hem gelijk te geven, maar archeologen uit die tijd lachten de theorie van Matrone weg en stelden dat een Romeinse bevelhebber niet zou rondlopen bedekt met allerlei sieraden ‘zoals een ballerina’.
Boos en vernederd verkocht Gennaro Matrone de gevonden juwelen aan onbekende kopers die nooit meer werden teruggevonden. De wetgeving over het behoud van archeologische schatten waren toen nog erg laks of werden in de praktijk nauwelijks toegepast. De meeste gevonden botten werden vervolgens herbegraven, want niemand wilde ze hebben. Alleen de schedel van de vermeende Plinius en zijn zwaard werden behouden. Deze artefacten werden later geschonken aan het Museo Storico Nazionale dell’Arte Sanitaria, een klein maar toch wel interessant museum over de geschiedenis van de geneeskunde in Rome, waar ze tot vandaag bewaard bleven maar gaandeweg vergeten werden.
Tot voor kort dus. Want archeologen denken vandaag heel anders over de vondst. Te oordelen naar het type zwaard en de tekeningen die Gennaro Matrone destijds maakte van de sieraden die werden aangetroffen op het skelet (de originele voorwerpen zijn dus vermoedelijk voorgoed verdwenen) oordelen huidige wetenschappers dat deze decoraties en eretekens zeker wel gebruikelijk waren bij hooggeplaatste Romeinse marineofficieren waartoe Plinius dus behoorde.
Een antropoloog die de schedel in het museum had bestudeerd, concludeerde dat die behoorde aan een man van rond de vijftig. Van Plinius de Jongere weten we dat zijn oom 56 was toen hij stierf. Allemaal aanwijzingen dat het dus toch om Plinius de Oudere zou kunnen gaan, al hoeden archeologen zich voor overhaaste conclusies. Daarom worden nu twee testen uitgevoerd: een vergelijking tussen de morfologie van de schedel met bekende bustes en afbeeldingen van Plinius en, belangrijker, een onderzoek van de isotopen in zijn tanden.
Wanneer we water drinken of iets eten, eender of het nu planten of dieren zijn, komen de mineralen uit de bodem ons lichaam binnen. Die bodem heeft op elke plaats een andere samenstelling. Door de isotopen in het tandglazuur dat in de kindertijd wordt gevormd, te vergelijken met deze in bodemmonsters, kunnen wetenschappers tegenwoordig vrijwel exact bepalen waar iemand is opgegroeid. Plinius is geboren en getogen in Novum Comum, het huidige Como in Noord-Italië.
Pier Paolo Visentin, de secretaris-generaal van de Accademia di Storia dell’Arte Sanitaria, die verantwoordelijk is voor het museum dat de schedel bewaart, werd overhaald een tand van de schedel op te offeren aan het onderzoek. Indien het werkelijk om Plinius gaat, zou deze bevestiging het kleine museum veel publiciteit opleveren. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Isolina Marota, een moleculair antropologe van de Universiteit van Camerino in de Marche.
Gaius Plinius Secundus, ook wel Plinius Maior (de Oudere) geheten, werd geboren in Como in het jaar 23 of 24 en bouwde tijdens zijn leven een indrukwekkende carrière op. Hij was een Romeinse militair, magistraat en schrijver, officier in Germania (47-57), procurator in Gallia Narbonensis, Africa en Gallia Belgica, admiraal van de Romeinse vloot in Micene en raadgever van keizer Vespasianus.
Van zijn omvangrijke oeuvre, dat zowel historische geschriften (onder meer Bellorum Germaniae libri XX) als geschriften op het gebied van retorica en grammatica (onder meer Studiosus) omvatte, is slechts het encyclopedische werk in 37 boeken, de Naturalis historia, bewaard gebleven, een werk daterend uit 77. Het (literair weinig waardevolle) werk behandelt de wiskundige en natuurkundige beschrijving van het heelal, de geografie, de etnografie, de antropologie, de dierkunde, de plantkunde, geneesmiddelen uit het planten- en dierenrijk en beschrijft in de boeken 33 tot 37 de mineralogie.
In deze laatste boeken heeft Plinius in verband met het gebruikte materiaal ook de kunstgeschiedenis behandeld. Deze geweldige compilatie werd geëxcerpeerd door onder andere Solinus (derde eeuw na Chr.) en in de Medicina Plinii (vierde eeuw). Vooral in de middeleeuwse wetenschap zien we overal sporen van het gebruik van Plinius’ werk. Tijdens de vulkaanuitbarsting werd Plinius in de eerste plaats ook gedreven door zijn wetenschappelijke interesse voor de uitbarsting van de Vesuvius; de reddingsactie waarbij hij de dood vond kwam pas later.
DE UITBARSTING IN POMPEI IN 79 – ACHTERGROND
Pas bij opgravingen in de achttiende en de negentiende eeuw bleek dat Pompeï en de stadjes in de omgeving vrijwel intact bewaard waren gebleven. Nergens kan men het dagelijkse leven van de Romeinen, hoe ze leefden en woonden zo helder in kaart brengen. Ondertussen is ongeveer twee derde van Pompeï blootgelegd. Interessant is dat de site een schat aan informatie bevat over de Romeinse planologie en over hoe de Romeinen omgingen met de bouw van hun steden. Deden ze aan stadsplanning of werd er zomaar wat gebouwd?
Archeologen verdeelden Pompeï in negen regio’s. Ze stelden vast dat er een oude stad was rond het forum, waar het politieke, religieuze en commerciële centrum was. Daarachter waren nieuwere delen die een duidelijk stadsplan hadden: huizenblokken omgeven door rechte straten in een dambordstructuur. Een dergelijke opbouw vinden we vandaag ook in New York. Binnen de huizenblokken hadden de straten dezelfde breedte van 2,5 m tot ongeveer 4,5 m.
Ezelskarren werden via eenrichtingsverkeer in goede banen geleid. Links en rechts waren verhoogde voetpaden, met stapstenen als zebrapad zodat de mensen met propere en droge voeten de overkant van de straat konden bereiken. De straten dienden namelijk ook als afvoerkanalen voor overtollig water uit woon- en badhuizen en voor de stortregens die meteen het vuilnis meesleurden. De wielen van de karren konden passeren door groeven in de stenen.
De inwoners van Pompeï hadden een ingenieus systeem dat hen voorzag van stromend water. Loden pijpen voerden drinkwater aan van een aquaduct 96 km verderop. Watertorens langs de straten zorgden voor een debiet van 42 liter per seconde. Alleen de rijken hadden waterleiding. Gewone burgers moesten hun amforen vullen aan één van de tientallen fonteinen.
Er waren heel wat grote huizen met verdiepingen en versierd met mozaiëken en fresco’s. In het verlengde van het centrale atrium lag meestal een binnentuin, met rondom verschillende woon- en werkvertrekken. De huizen hadden ook commerciële ruimtes aan de straatzijde. Beneden woonden de slaven, zij behoorden tot la famiglia. Men gaat ervan uit dat er geen aparte slavenkrotten bestonden in Pompeï zoals dat in Rome wel het geval was.
Het merendeel van de bevolking – Romeinen, Grieken, Etrusken, joden, Egyptenaren, … – leefde goed. De stad was welvarend dankzij de vruchtbare hellingen van de Vesuvius waar wijn en olijven verbouwd werden. Vooraanstaande Romeinen vonden het er geweldig; de jaren vóór de uitbarsting werden buiten de stadsmuur nogal wat villa’s gebouwd met zicht op zee.
Er was ook altijd iets te doen: Pompeï beschikte over grote theaters en tempels, overdekte markten en drie prachtige thermen, de vierde was in aanbouw toen de fatale uitbarsting de stad overdekte. Rijke mannen deden ‘s ochtends hun zaken, lunchten uitgebreid en spendeerden de rest van de middag in de koele badhuizen.
De ramp in Pompei is van nabij meegemaakt door de achttienjarige Plinius de Jongere. Op het moment van de uitbarsting bevond hij zich samen met zijn moeder in het landhuis van zijn oom, Plinius de Oudere, in Misenum. In twee brieven aan de geschiedschrijver Tacitus doet Plinius de Jongere verslag van deze gebeurtenis.
Hij (Plinius de Oudere) was in Misenum, waar hij persoonlijk het commando voerde over de vloot. Op de 24ste augustus, ongeveer om één uur ‘s middags, maakte mijn moeder hem opmerkzaam op een wolk van ongewone grootte en aanblik. Mijn oom had zijn zonnebad genomen en daarna zijn koudwaterbad, hij had ontbeten op zijn rustbank en lag daar nu te werken. Dadelijk vroeg hij om zijn schoenen en hij beklom een heuvel, vanwaar men dat vreemde schouwspel het best kon waarnemen.
Een wolk steeg op (men kon van uit de verte niet duidelijk zien, uit welke berg; later bleek het de Vesuvius te zijn) waarvan het voorkomen en de gedaante zich het best laten vergelijken met een pijnboom. Hoog oprijzend als met een lange stam verbreidde hij zich later met een soort van takken, vermoedelijk omdat hij, door een eerste aanblazing omhoog gestoten, bij het verzwakken daarvan aan zichzelf werd overgelaten of door zijn eigen gewicht gedwongen in de breedte uitvloeide. Nu eens was hij wit, dan weer vuil en gevlekt, naar gelang hij as of aarde meevoerde.
Mijn oom, een man van wetenschap, vond het merkwaardig en de moeite waard om van dichterbij te onderzoeken. Hij liet een jacht zeilklaar maken; hij vroeg mij of ik hem wilde vergezellen; ik antwoordde dat ik liever aan mijn werk wilde blijven; toevallig had hij mij zelf een onderwerp opgegeven. Juist toen hij de deur uitging, kreeg hij een briefje uit Retina, van Bassus, die verschrikt was door het van dichtbij dreigende gevaar, want zijn landhuis lag aan de voet van de berg en vlucht was alleen mogelijk met een schip. Hij smeekte hem uit zijn hachelijke toestand te redden. Terstond verandert mijn oom van plan; wat hij uit weetgierigheid was begonnen, volvoert hij met heldhaftigheid.
Hij brengt vierriemers in zee en gaat zelf aan boord om hulp te brengen niet alleen aan Bassus, maar aan velen, want die bekoorlijke kust had veel vreemdelingen getrokken. Hij spoedt zich dáárheen, vanwaar anderen vluchten; recht de steven, recht het roer gericht naar gevaar, zo onbevreesd, dat hij alle verschijnselen, alle wisselingen van die natuurramp, naarmate hij ze voor ogen kreeg, liet optekenen of zelf optekende.
Reeds viel er as op de schepen, heter en dichter naarmate wij naderden. Toen vielen ook puimstenen en zwarte stenen, door het vuur geblakerd en gebarsten. Een door bergstorting veroorzaakte ondiepte maakte het onmogelijk daar te landen. Een ogenblik aarzelde mijn oom of hij zou omkeren, maar toen de stuurman hem dat voorstelde, riep hij uit: ‘Die waagt, die wint; zet dan koers naar Pomponianus.’ Deze was in Stabiae, aan de andere kant van de golf, want de kust maakt een geleidelijke, maar diepe bocht.
Hoewel het gevaar daar nog verder af was, maar toch duidelijk te zien, en steeds groter werd en naderkwam, had Pomponianus zijn huisraad in bootjes geladen, vastbesloten om te vluchten als de wind, die op de kust stond, was gaan liggen. Diezelfde wind dreef mijn oom met snelle vaart daarheen; hij omarmde zijn angstige vriend, troostte hem, sprak hem moed in en om diens vrees door eigen kalmte te bedaren, liet hij zich naar de badkamer brengen. Na het bad ging hij aanliggen aan tafel en at hij, opgewekt gestemd of, wat even moedig was, opgewektheid voorwendend.
Intussen laaiden uit de Vesuvius hier en daar brede vlammen en hoge branden op, waarvan de gloed en helderheid werden verhoogd door de duisternis van de nacht. (…) Samen overlegden zij, of ze in huis zouden blijven of buiten rondlopen. Want het huis stond te wankelen door herhaalde hevige aardbevingen; het leek wel of het was losgeraakt van zijn fundament en heen en weer schoof. Daar stond tegenover dat men onder de blote hemel te vrezen had voor de vallende puimstenen, al waren die licht en poreus. Toch gaf men na vergelijking van de gevaren aan het laatste de voorkeur. (…) Zij bonden kussens met lakens vast op hun hoofd, tot bescherming tegen al wat er viel.
Reeds was het overal dag, maar daar nacht, zwarter en dichter dan er ooit een nacht was geweest, enigszins verhelderd door tal van fakkels en allerlei lichten. Men besloot naar het strand te gaan en van dichtbij te zien, of de zee al enige kans op vertrekken bood. Maar de zee bleef even woest en vijandig. Men spreidde een laken uit, waarop mijn oom ging liggen; hij vroeg een paar maal om koud water en dronk. Toen naderden vlammen en zwaveldamp, de voorbode van vlammen, die hem wakker maakten en anderen op de vlucht dreven. Steunend op twee slaafjes stond hij op en zakte dadelijk weer ineen; ik vermoed dat door de dichte damp de adem hem werd benomen en de luchtpijp gesloten, die van nature zwak en nauw was en dikwijls ontstoken.
Toen het daglicht terugkeerde (de derde dag na zijn laatste) vond men zijn lichaam, ongeschonden en ongedeerd, geheel gekleed. Hij geleek meer op een slapende man dan op een dode.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 27 maart 2018. Bekijk het origineel.

