De Tombe van Seneca

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Een trouw S.P.Q.R.-clublid verwende ons met enkele fraaie foto’s van de Via Appia Antica. Tijd om nog eens even stil te staan bij deze bijzonder uitgestrekte archeologische site in Rome die, onbegrijpelijk genoeg, heel wat bezoekers gewoon overslaan. Er is nochtans erg veel te zien en een wandeling over de antieke weg of doorheen het zeer uitgestrekte Parco Regionale dell’Appia Antica is altijd weer een belevenis. We beperken ons vandaag tot de zogenaamde Tombe van Seneca.

In de voorbije eeuwen was de Via Appia de plek bij uitstek waar romantische zielen te rade gingen bij een zachtglooiend landschap, monumenten vol vergane glorie en Couperiaanse ‘zondoorpoeierde’ cipressen. In 1844 bezocht ook de jonge Charles Dickens (1812-1870) de Via Appia. Hij schrijft:

‘Twaalf mijlen lang klommen wij ononderbroken over heuvels en puinhopen, verwoeste en ingestorte grafmonumenten en tempels, kleine brokstukken van zuilen, friezen, sokkels, grote blokken graniet en marmer, verweerde, met onkruid begroeide bogen. Genoeg stenen om er een hele stad mee te bouwen, lagen verstrooid om ons heen. Soms stonden er muren in de weg, door schaapherders uit losse stukken opgestapeld, dan weer werd het doorlopen gehinderd door een greppel tussen wee puinhopen. Af en toe waren het brokstukken zelf die onder onze voeten wegrolden en het lopen moeilijk maakten. Maar het was altijd puin.’

Neen, op de manier van Charles Dickens zullen wij de Via Appia nooit meer zien of bewandelen …

Omdat het bij wet verboden was de doden te begraven binnen de stadsmuren, werden langs de wegen die de stad verlieten, vele grafmonumenten opgericht. Vanuit het centrum trokken processies naar de plaats van de lijkverbranding. Was de overledene een patriciër, dan namen niet alleen de nog in leven zijnde familieleden deel aan de processie, maar ook de voorouders gespeeld door acteurs met maskers gelijkend op de gezichten van die voorouders.

Daarna volgden mannen die voorstellingen droegen van wat de overledene in zijn leven had gedaan, en uiteindelijk de overledene zelf, gezeten in een draagstoel, het gezicht onbedekt. Het was niet alleen een heilige plicht waardig afscheid te nemen van de doden, er bestond ook een sterke behoefte de herinnering aan de overledene levend te houden met bouwwerken op plekken waar veel mensen ze konden zien, dus langs de invalswegen.

De familiegraven, zoals dat van de Scipii in het republikeinse tijdperk, leken soms zelfs op echte huizen en hadden geschilderde decoraties. Ze konden echter ook een andere vorm hebben, zoals die van een tumulus of een piramide. De minder welvarenden konden zich reeds tijdens hun leven van een plaatsje verzekeren in een groot collectief graf, een columbarium, dat in de muren talrijke nissen voor urnen had.

Aan de Via Appia Antica vind je ook de zogenaamde Tombe van Seneca. Volgens de beschrijving van Tacitus was Seneca op de dag van zijn dood in 65 na Chr. juist teruggekeerd uit Campanië en had hij zijn reis onderbroken in een villa, ruim zes kilometer buiten Rome. Daar gebruikte hij samen met zijn vrouw en twee vrienden de maaltijd, toen keizer Nero een kolonel van zijn lijfwacht, Gavius Silvarus, op weg stuurde om zijn oude leermeester te verhoren.

De keizer hoopte bewijzen te verkrijgen voor Seneca’s betrokkenheid bij de samenzwering van Piso. De oude Seneca verweerde zich trots en openhartig, maar zijn doodvonnis was in feite al getekend en onafwendbaar want Nero zag overal complotten en samenzweringen. Gavius, die het niet over zijn hart kon verkrijgen om deze boodschap persoonlijk over te brengen, liet één van zijn officieren Seneca zeggen dat hij hoe dan ook moest sterven.

Bij wijze van afscheid zei Seneca tot zijn vrienden: ‘Ik laat jullie mijn enig overgebleven bezit na, en mijn beste: het model van mijn leven’. Zijn vrouw verkoos samen met hem te sterven en naar stoïcijns Romeins gebruik sneden zij zich de polsen door. Tot op het laatst lieten zijn moed en zijn helderheid van geest hem niet in de steek en hij is gestorven terwijl hij zijn secretarissen een verhandeling dicteerde.

Het is echter twijfelachtig of de resten van de graftombe die we vandaag op de Via Appia Antica zien werkelijk de plaats is waar de grote filosoof begraven werd, maar de Via Appia was wel de hoofdweg naar Campanië en het graf staat bij de vierde mijlsteen vanaf Rome. Zijn stoffelijk overschot kan dus niet ver hier vandaan begraven zijn.

Keizer Nero zou Seneca overigens slechts drie jaar overleven. Nadat Nero in 59 al zijn moeder Agrippina had laten vermoorden, liet hij zich van Octavia scheiden, verbande haar naar het eiland Pandateria en liet haar daar eveneens doden. In 62 huwde hij met zijn minnares Poppaea Sabina, die drie jaar later eveneens door Nero in een vlaag van woede werd vermoord. Ondertussen leidde zijn machtsbesef tot machtswellust. Zijn uitspattingen en de oorlogen in Brittannia en in het Oosten verslonden schatten. Inkomsten werden verkregen door muntverslechtering en confiscatie, het laatste veelal via processen wegens majesteitsschennis.

Doordat de keizer zich vooral bij de Senaat gehaat had gemaakt, ontstonden samenzweringen als die van Piso (in 65). Seneca en diens neef, de dichter Lucanus, werden als zogenaamde medeplichtigen tot zelfmoord gedwongen. Na de dood van Poppaea (in 65) volgden nog meer gerechtelijke moorden, o.a. op Petronius (in 66) en Corbulo (in 67).

In 68 was de maat vol. Op aandrang van Vindex, de stadhouder in Gallië, verklaarde Galba in Spanje zich tegen Nero, terwijl in Africa eveneens een opstand uitbrak. De Senaat en ook de pretorianen, die waren omgekocht, lieten Nero in de steek; hij vluchtte uit Rome en pleegde zelfmoord. Met hem stierf de Julisch-Claudische dynastie uit.

Een verhaal om even aan terug te denken, wanneer je op de Via Appia Antica nog eens voorbij Seneca’s tombe wandelt.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 23 april 2016. Bekijk het origineel.