De verfraaiing van de Villa Giulia

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Het voormalige zomerverblijf van paus Julius III, vandaag het Museo Nazionale Etrusco di Villa Giulia, ziet eruit als een statig, massief landhuis dat je niet in het huidige uitgedeinde centrum van Rome zou verwachten, het is een ietwat droge en academische uiting van de hoogrenaissance. Pas wanneer je binnenstapt wordt het duidelijk dat het eigenlijk louter een beperkte voorbouw is met lange, van arcaden voorziene armen die een tuin omsluiten. Het is in feite de meest volmaakte nog bestaande illustratie van het renaissanceconcept van ‘een huis met een tuin’ die samen een onverbrekelijk geheel vormen en vlot in elkaar overlopen.

Rond zijn nieuwe villa liet paus Julius III duizenden bomen planten uit nostalgie naar de grote parken van de Romeinse keizers. De paus spendeerde een fortuin door het geheel op te smukken met vele klassieke beelden. Na zijn dood waren er niet minder dan 160 scheepsladingen nodig om ze allemaal naar het Vaticaan te verhuizen. De Franse dichter Joachim du Bellay (1522-1560), in die tijd secretaris van zijn neef de ambassadeur Jean du Bellay, bekritiseerde ongenadig maar tevergeefs het leven vol vermaak dat de paus hier leidde.

Julius III kwam regelmatig in een met bloemen overdekte boot de Tiber opvaren om te kijken hoe de bouw vorderde. Dat ging niet erg vlot, want hij veranderde de bouwplannen voortdurend. De paus kwam ook graag eten in zijn villa, waarbij dansers en muzikanten voor vertier zorgden. Maar wonen en slapen deed de paus hier niet. In deze en in de andere grote villa’s in de buitenwijken van Rome werd, een middagdutje daargelaten, niet gewoond of geslapen.

Deze Romeinse landhuizen, die in de zeventiende eeuw nog groter en vorstelijker zouden worden, dienden uitsluitend voor een dagje of avondje uit. Overigens zou a1leen al de toen nog volop aanwezige malaria het merendeel van de villa’s ’s tijdens de zomer onbewoonbaar hebben gemaakt, want de vijvers en de waterreservoirs vormden ideale broedplaatsen voor de anophelesmuskiet. Tijdens de warme maanden zochten de rijken en de machtigen hun toevlucht in nog grotere villa’s in de Albaanse heuvels.

Tijdens de zeventiende eeuw werd de villa van Jullius III gebruikt om belangrijke gasten van het Vaticaan te huisvesten, waaronder de Zweedse koningin Christina in 1665. Ook zij heeft hier dus een tijdje verbleven. Sinds 1889 is hier het museum voor Etruskische kunst gevestigd.

De gevel heeft twee bouwordes, onderaan Toscaans, bovenaan composiet. De Toscaanse orde is ontstaan in de Romeinse architectuur en vormt een eenvoudiger versie van de Romeins-Dorische orde. Bij de composiete orde worden een deel van de Ionische en een deel van de Korinthische kenmerken overgenomen.

Het geheel toont de sobere en onopgesmukte stijl van Vignola die naast architect ook theoreticus was. Het belang van Vignola (1507-1573, Giacomo Barozzi) kan en mag niet onderschat worden, hij was de sleutelfiguur tussen de late renaissance en de barok. Hij was o.a. de architect van de Gesù-kerk in het centrum van Rome, een ontwerp dat in de hele wereld navolging zou krijgen.

De ingang van de villa brengt de bezoeker in een atrium met Korinthische zuilen en nissen. Links je het winkeltje (ticketverkoop) met fresco’s van Taddeo Zuccari 1529-1566) en Prospero Fontana (1512-1597). Terug in het midden van het atrium, bereik je links een halfcirkelvormige portico met Ionische zuilen die bogen dragen. Let op het gewelf met fresco’s die een pergola met wijnranken, klimrozen en jasmijn voorstellen.

In het midden stond destijds het immense porfieren bekken uit de Thermen van Titus die in het jaar 81 geopend werden. De Thermen van Titus stonden op de helling van de Oppius, een uitloper van de heuvel Esquilijn, tegenover het Colosseum. Het complex was ongeveer 105 bij 120 m groot. Waarschijnlijk werd voor deze thermen een bestaand gebouw van de Domus Aurea van keizer Nero verbouwd. Aan het begin van de tweede eeuw werden de veel grotere Thermen van Trajanus hier direct naast gebouwd.

Het porfieren bekken bevindt zich nu in de Sala Rotonda van de Vaticaanse musea. Toen het nog in de Villa Giulia stond was het versierd met twee groenmarmeren schelpen en een beeld van Venus met een zwaan die uit zijn snavel water in het bekken spoot.

De binnentuin was vroeger links en rechts afgeboord door muren versierd met Ionische zuilen. Die muren werden in het begin van de twintigste eeuw eeuw ten behoeve van het museum vervangen door de langwerpig gebouwen die we achter de bomen zien. Daardoor geeft de tuin een onnatuurlijke en besloten indruk.

Achteraan bevindt zich de loggia uit 1552 met een lager gelegen nymphaeum waarvan het bovenscherm een werk is van Bartolomeo Ammannati (1511-1592), een leerling van Michelangelo. Hij was behalve architect (Palazzo Ruspoli) ook een eerder matig begaafde beeldhouwer. De Neptunusfontein op Piazza della Signoria in Firenze is van zijn hand. De loggia vormt een fraai maniëristisch geheel, een gedeelte van de stucco’s bleef behouden.

Een trap in hoefijzervorm, leidt naar de benedenverdieping. In de nu kale, deels bemoste nissen stonden ooit beelden, waarvan alleen de liggende riviergoden Arno en Tiber bewaard zijn gebleven. Een balustrade omgeeft het dieper gelegen deel met kariatiden, grotten en een ‘fontana segreta’, waarvoor Julius III het Aqua Vergine-aquaduct naar zijn villa heeft laten verleggen.

Het nymphaeum is sinds lang ontdaan van zijn vroegere rijkdom aan decoraties, waaronder marmeren inlegwerk, fijn geciseleerd metaal, verguldsels, sierstucwerk en antieke beelden, maar toch maakt het nog steeds indruk.

Misschien heeft Julius III hier op warme dagen wel liggen rusten in de ondergrondse, rond het verzonken nymphaeum geplaatste kamertjes, die net als hun voorgangers in de antieke villa’s speciaal voor de koelte waren ontworpen. Het geheel met zijn lelievijvertjes en zijn door varens overwoekerde fonteinen die de hele omgeving vervullen met hun zacht gemurmel, lijkt geschapen voor een ‘dolce far niente’.

Achter de loggia ligt nog een vierkante binnentuin, met achteraan links een aangename cafetaria. Rechts van de loggia werd in 1891 de vijfde- of vierde-eeuwse Etruskische tempel van Alatri nagebouwd. Daarbij steunde men op gegevens van Vitruvius (einde eerste eeuw v. Chr.) en op de resultaten van negentiende-eeuwse opgravingen.

De overgrote meerderheid van de in het Etruskisch museum tentoongestelde voorwerpen werd aangetroffen in het voormalige Etrurië, de streek ten noorden van Rome tussen de Tiber en de Arno, in Lazio en in andere delen van Midden-Italië waar de cultuur vóór de Romeinse overheersing een Etruskische stempel droeg. De objecten omvatten vazen en vaatwerk, zowel met een grote kunstwaarde als voor alledaags gebruik. Ook worden wapens getoond, evenals juwelen, toiletartikelen en zelfs keukengerei.

Net als de farao’s in Egypte werd de overleden Etruriër begraven met alles wat in zijn of haar dagelijks leven een rol had gespeeld en dat hij in de andere wereld nodig zou kunnen hebben. In de vroegste tijd, van de negende tot de zevende eeuw v. Chr. waren die grafgiften heel eenvoudig, maar later bevatten ze ook Griekse vazen. De opstelling in het museum is topografisch geordend maar wordt regelmatig gewijzigd. Zelfs de nummers van de zalen durven soms veranderen.

De Etrusken woonden oorspronkelijk op kleine heuveltoppen, maar vanaf de negende eeuw v. Chr. vestigen ze zich op plateaus aan de kust. De daaropvolgende eeuwen volgt een proces van urbanisatie, daarbij ontstaan ommuurde steden zoals Vulci, Tarquinia en Cerveteri. Het is de tijd dat de Etrusken beginnen met de exploitatie van de vele ertsen en mineralen waaraan Etrurië rijk is.

Het logische gevolg is dat er handel ontstaat met andere volkeren en met steden zoals Marseille, Carthago en Athene. Vooral de Grieken werden een belangrijke handelspartner. Daarom worden in zowat het hele Middellandse Zeegebied Etruskische voorwerpen teruggevonden. Ze verhandelden echter niet alleen erts, maar ook wijn waarvan vooral de Kelten in Gallië grote afnemers waren.

De geschiedenis van de Etrusken wordt grofweg in twee perioden gesplitst, de periode vóór en die na 700 v. Chr., toen ze het Griekse alfabet overnamen. Die overname viel samen met de stichting van Griekse koloniën in het zuiden van Italië. Eerst nemen de Etrusken het volledige Griekse alfabet over, maar geleidelijk aan voeren ze een aantal wijzigingen door, zo verdwijnen de b, de d en de o, de c wordt gebruikt om de k-klank aan te duiden. De Etrusken speelden een belangrijke rol in de West-Europese taalontwikkeling.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 16 juni 2016. Bekijk het origineel.