De verwoestende kalkovens van Rome

Waarom zijn zoveel monumenten uit de oudheid in de loop der eeuwen verdwenen? Het is een vraag die weleens wordt gesteld door wie Rome bezoekt. Er zijn natuurlijk eeuwen voorbij gegaan. Veel materiaal werd in de middeleeuwen gebruikt voor de bouw van paleizen en basilieken. Maar het fraaie en kostbare marmer dat door de Romeinen vaak uit verre landen was aangevoerd, werd op grote schaal gecalcineerd. Kalkbranders maakten gretig gebruik van de enorme hoeveelheden marmer die in Rome aanwezig waren. Na verhitting werd het gecalcineerde marmer een basisingrediënt voor mortelspecie.

kalkovens1

Het genadeloos plunderen van de antieke monumenten door de Romeinse bevolking begon reeds tijdens de vijfde eeuw. Prachtig bewerkt marmer, omvergetrokken zuilen, standbeelden en friezen werden genadeloos verbrand. Door toevoeging van water bij het verhitte marmer bekwam men gebluste kalk die fijn geklopt werd. Na inwerking van de kooldioxide uit de lucht ontstond kalk die toegevoegd werd aan een mengsel van cement en zand. Op die manier bekwam men een beter klevende substantie die gebruikt werd bij het metselwerk en de bepleistering van muren.

Dit vandalisme duurde eeuwenlang zonder dat de paus of een andere gezagsdrager tussenbeide kwamen. Daardoor heeft de lokale bevolking de stad meer schade toegebracht dan de opeenvolgende invallen van de barbaren. In bepaalde kringen kwam vanaf de vijftiende eeuw eindelijk enige reactie. De kunstenaar Rafaël zette zich bijvoorbeeld actief in voor het behoud van de antieke ruïnes en monumenten. In 1515 stelde hij samen met zijn vriend Castiglione in opdracht van paus Leo X de Medici een inventaris op.

In dit rapport schrijft Rafaël dat hij al kijkend, tekenend en metend heel Rome bezocht en dat ‘het ontdekken van zoveel prachtige dingen hem groot genoegen verschafte’ maar aan de andere kant ‘ook diepe droefheid bezorgde’.

Wat verder lezen we: ‘want ik heb gezien dat deze nobele stad, die ooit de koning van de wereld was, nu zo ernstig gewond is dat zij bijna een lijk is. Vergeleken bij de barbaren zou Hannibal een braaf man hebben geleken. Waarom zouden wij de Goten, de Vandalen en andere perfide vijanden van de Latijnse naam bejammeren, wanneer degenen die vóór ieder ander de voogden en bewaarders hadden moeten zijn die de arme resten van Rome moesten verdedigen, zich hebben overgegeven aan een diepgaande studie van de manier waarop deze konden worden vernietigd en weggewerkt?’ Dixit de befaamde kunstenaar.

Rafaël vervolgt: ‘Hoeveel pausen die hetzelfde ambt hebben bekleed als u, Heilige Vader, zij het niet met dezelfde kennis, hebben door de vingers gezien dat oude tempels, beelden, bogen en andere gebouwen die hun bouwers tot eer strekten zijn verwoest en beschadigd? Hoevelen hebben toegestaan dat de fundamenten zelf werden ondermijnd zodat het puzzolaan eruit kon worden opgegraven, waardoor de gebouwen binnen de kortste keren omvielen? Hoeveel kalk is er niet gebrand van de beelden en ornamenten uit de Oudheid?’

Dit stukje bij beetje vernietigen van de stad (urbicide) door onwetende stadsontwikkelaars was volgens de schrijver ‘de grootste schanddaad van onze tijd’. Daarop stelde de paus Rafaël aan als hoofd van de ‘Romeinse antiquiteiten’. Maar dat betekende echter niet dat Rafaël vanaf dan kon voorkomen dat er marmerblokken werden geroofd. Het omgekeerde was eerder het geval, want Rafaël kreeg de leiding bij het verzamelen van materialen die gebruikt zouden worden bij de bouw van de nieuwe Sint-Pietersbasiliek. Het leegroven van het Forum Romanum bleef eigenlijk gewoon voortduren. De schrijver Robert Hughes spreekt van een ‘gruwelijke historische castratie’.

In zijn werk ‘Het Amphitheatrum Flavium’ schrijft Frans Veevaete het volgende. Onder het pontificaat van Nicolas V (1447-1455) hadden de oude monumenten en in het bijzonder het Colosseum zeer zwaar te lijden; veel van het marmer verdween toen in de kalkovens. Een document uit het Stadsarchief, daterend van 1452, leert ons dat aan een bouwondernemer, een zekere Giovanni Foglia uit Como, de toestemming werd verleend om op negen maanden tijd niet minder dan 2.522 karren, volgeladen met travertijn, uit het Colosseum weg te slepen!

Deze kaalslag was bijzonder intens in de periode 1461-1462, toen in de pontificale rekeningen de uitdrukking ‘a cavar marmi a Coliseo’ als een geijkte formule voorkwam. Het marmer van het amfitheater werd inderdaad gebruikt om er de Scala Santa mee te bouwen, de Piazza en de Loggia delle Benedizioni van Sint-Pieter en de kerk van San Marco. In 1462 verscheen er een pauselijke bul ‘Cum albam nostram urbem’, over het bewaren van de antieke monumenten, maar ook deze kon de verdere verminking niet tegenhouden.

kalkovens2

Onder Paulus II (1464-1471) werd het travertijn gebruikt bij de constructie van het Palazzo Venezia; de kerkvorst gaf zijn architecten zelfs de toelating, indien nodig, nog enkele bogen te slopen. En zo ging het er het gehele Cinquecento aan toe: tussen 1480 en 1550 werd het Colosseum gebruikt als steengroeve voor het Palazzo della Cancelleria, het Palazzo Farnese, en voor de verfraaiing van vele andere Renaissancepaleizen, waaronder deze op het Capitool. Met het goedvinden van paus Urbanus VII werd het travertijn van de bogen die in 1664 waren ingestort hergebruikt bij de bouw van het Palazzo Barberini.

De ontmanteling ging nog door tot het begin van de negentiende eeuw: de grote bewondering van de Kerk voor het oud heidkundig patrimonium moest het in de praktijk steeds afleggen tegen de lucratieve overwegingen dat de bouwmaterialen voor kerken en paleizen kosteloos en in overvloed voor het grijpen lagen. De bekende archeoloog Rodolfo Lanciani (1845-1929) geeft wel toe dat onder de duizenden documenten die hij heeft nagekeken, er nergens een te vinden was, waarin de algehele sloping van het gebouw werd bevolen.

Na het dieptepunt van 1084 begon de bevolking in Rome opnieuw toe te nemen. Men moest daarom nieuwe woningen bouwen en ook grote paleizen, want Rome was immers het centrum van de Kerk en de verblijfplaats van de pausen. Men had het voordeel dat de bouwmaterialen er voor het grijpen lagen. Als gevolg daarvan werd Rome één grote steengroeve: omdat de ovens niet konden volgen werden bakstenen muren ontmanteld; voor de funderingen waren grote blokken travertijn of tufsteen nodig, die men van onder de keizerlijke paleizen weghaalde, zodat die verder gingen instorten.

Ook kalk om mortelspecie aan te maken was er in overvloed, want die kon men verkrijgen door marmer te verhitten, tot het calcineerde tot calciumoxide (ongebluste kalk of CaO). Rome werd niet alleen één grote steengroeve maar tevens één grote kalkoven, waarin duizenden tonnen stukgeslagen beeldhouwwerken, zuilen en marmerplaten verdwenen.

En ook brons bleek er in overvloed aanwezig te zijn, dankzij de vele ruiterstandbeelden die Rome telde, de talrijke bronzen portretbustes en de bronzen klampen van het Colosseum waarmee de travertijnblokken aan elkaar gehecht waren. Ook de bronzen bekleding van vele andere gebouwen, waaronder het Pantheon, moest eraan geloven.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 13 juni 2019. Bekijk het origineel.