In het Romeinse keizerrijk werden bij volkstellingen ook vrouwen en kinderen geteld. Dat verraden begraven en weer teruggevonden muntstukken. In cultureel opzicht was de eerste eeuw voor Christus een briljante periode voor het Romeinse Rijk. Het was de tijd van Cicero, Caesar, Vergilius, Horatius en andere reuzen uit de Romeinse letteren. Hoewel uit hun geschriften veel te leren valt over de manier waarop de Romeinen hun land bestierden, met de buren oorlog voerden en aan landjepik deden, hebben ze in hun beschrijving van de klassieke Romeinse oudheid ook veel zaken onbelicht gelaten.
De bevolkingsgroei op het eind van de Romeinse republiek, bijvoorbeeld, een periode die werd gekenmerkt door burgeroorlog en de moord op Julius Caesar, is nog steeds grotendeels in nevelen gehuld. De Romeinen organiseerden weliswaar om de paar jaar volkstellingen en hielden de resultaten daarvan zorgvuldig bij, maar onbekend is of ze bij hun censussen telkens alleen volwassen mannen telden (zoals onder de republiek gebruikelijk was) dan wel of ze vanaf de overgang naar het keizerrijk, ten tijde van de eerste keizer Augustus (28 voor Christus), ook vrouwen en kinderen gingen meerekenen.
Afhankelijk van het antwoord op die vraag zou de bevolking in de eerste eeuw voor onze jaartelling ofwel flink zijn ingekrompen dan wel zowat verdubbeld – voor de interpretatie van de geschiedenis geen onbeduidend verschil. Keizer Augustus beschikte in 28 voor Christus over vijf miljoen Romeinse onderdanen, zowat tien keer meer dan zijn voorgangers een eeuw tevoren. Ongeveer een derde van die toename valt te verklaren uit het toekennen van het Romeinse burgerschap aan buitenlandse geallieerden: voor de rest zijn er slechts twee verklaringen mogelijk: een bevolkingsexplosie of het meetellen van vrouwen en kinderen — in het laatste geval zou de bevolking zijn gekrompen tijdens de eerste eeuw.
In een verhaal dat in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences verscheen, werpt een bioloog van de universiteit van Connecticut nieuw licht op de zaak. Samen met historicus Walter Scheidel (Stanford) probeert Peter Turchin het bevolkingsverloop te schatten aan de hand van de hoeveelheid begraven munten die uit de periode zijn teruggevonden. Bij gebrek aan banken was geld begraven de manier waarop de Romein in de straat zijn bezit probeerde veilig te stellen in perioden van politieke en economische onrust. De spaarpotjes werden zo gauw de kust weer veilig was, weer opgegraven, tenzij de eigenaar ervan bij de onlusten was gedood of verdreven. Gewapend met metaaldetectoren, hebben Italiaanse amateurarcheologen de voorbije decennia honderden begraven kleien potten met daarin denariën uit het Romeinse Rijk opgedolven.
Volgens Turchin en Scheidel geeft de spreiding in de tijd van dergelijke door de eigenaar onopgehaalde muntenverzamelingen een idee van de heftigheid van onrusten en conflicten, en kan hij tevens als maat voor de bevolkingsevolutie dienen: hoe meer spaarpotten onopgehaald bleven, hoe meer doden er vielen of bannelingen werden gemaakt. De twee bedachten een eenvoudig wiskundig model om teruggevonden muntenverzamelingen in bevolkingsaantallen om te zetten. Ze ijkten het aan (betrouwbaar geachte) Romeinse bevolkingsgegevens uit de derde en tweede eeuw voor Christus. Feilloos voorspelde het model de kortdurende bevolkingspiek in de aanloop naar de Tweede Punische Oorlog, de bevolkingsafname tijdens die oorlog en vervolgens het demografische herstel na afloop ervan.
Vervolgens lieten de onderzoekers het model los op de teruggevonden muntenverzamelingen uit de eerste eeuw voor Christus. Het resultaat wijst op een krimpende bevolking – de burgeroorlog zou 100.000 mensen het leven hebben gekost – en niet op een bevolkingsexplosie. Kennelijk namen de Romeinse keizers dus ook vrouwen en kinderen mee in hun tellingen. Te oordelen aan het aantal teruggevonden munten uit de eerste eeuw voor Christus, was het in die periode twee keer flink raak. Het moeten even zware tijden zijn geweest als tijdens de oorlog tegen Hannibal. Je kunt je moeilijk voorstellen dat een bevolking in aantal zou verdubbelen net als er zoveel geweld en onrust heerste. (Bron: De Standaard)
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 28 oktober 2009. Bekijk het origineel.

