Documenten van Caruso op tentoonstelling in Verona

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Ruim duizend brieven en nog eens zo’n duizend andere documenten van de legendarische tenor Enrico Caruso worden deze maand, vanaf 17 juni, tentoongesteld in Verona. Een deel van de niet eerder bekende brieven werpen een nieuw licht op zijn turbulente privéleven.

Enrico Caruso (Napels 25 februari 1873 – nabij Napels 2 augustus 1921) studeerde bij Vergine en Lombardi en werd na zijn opvallende vertolking van Loris bij de premiëre van Giordano’s Fedora (in 1898) door de Scala te Milaan geëngageerd. In 1902 debuteerde hij te Londen, in 1903 te New York waar hij tot zijn dood als eerste tenor aan de Metropolitan Opera verbonden was. Caruso was door zijn unieke stem en zijn acteertalent de grootste tenor van de eerste helft van de 20ste eeuw. Aanvankelijk trad hij alleen op als lyrisch tenor, later ook als heldentenor. Hij had 37 rollen op zijn repertoire en muntte vooral uit in het veristisch genre. Zijn beroemdste creaties zijn Canio in Leoncavallo’s I Pagliacci en Rodolfo in Puccini’s La Bohème. Als één der eerste zangers maakte hij opnamen voor de grammofoonplaat.

Rond de herkomst van de documenten die nu worden tentoongesteld, hangt een waas van geheimzinnigheid. Het zijn er alles bij elkaar tweeduizend, onder meer cheques en officiële papieren, maar de meerderheid zijn brieven. Daarvan zijn er 1.200 geschreven door de beroemde tenor, andere zijn aan hem gericht. De eigenaar is een bejaarde industrieel uit Noord-Italië, die anoniem wil blijven maar het grote publiek voor zijn dood inkijk wil geven in de schat. Hij erfde het archief van zijn grootvader. Hoe die eraan kwam, is ook al een mysterie.

Alberto Francho, de advocaat van de eigenaar, nam geen risico’s en liet de brieven door experts onderzoeken. Die zijn formeel: het handschrift is dat van de bekendste tenor die Italië in de twintigste eeuw voortbracht – alle claims van Luciano Pavarotti ten spijt. Over een verkoop van het archief wordt niet gesproken, al volgen muziekstudenten het verhaal met interesse. Vanaf 17 juni zijn de documenten in Verona te zien, op een nog niet nader genoemde plek.

Sommige brieven zijn ongelooflijk alledaags. Zo geeft Caruso gedetailleerde instructies aan de aannemer die zijn villa nabij Siena aan het renoveren is. Maar andere brieven zijn persoonlijk en geven ons een inkijkje in zijn privé-leven. Dat was net zo turbulent als de plots van de opera’s die hij zong. Caruso werd in 1873 in een arm Napolitaans gezin geboren: zijn moeder was schoonmaakster, zijn vader werkte in een gieterij. De zanger ging maar tot zijn tiende naar school en zong jarenlang voor aalmoezen in bars. Het duurde een paar jaar voor zijn reputatie gevestigd was. Maar Caruso zag wel het potentieel van een nieuwe uitvinding, de grammofoon. Hij was een van de eerste grote operasterren die van het nieuwe medium gebruik maakten; het verspreidde zijn faam bij een veel groter publiek dan voordien denkbaar was.

Tijdens een optreden in Livorno leerde hij de sopraan Ada Giachetti kennen. Zij was getrouwd en had een kind. Ze verliet haar man voor Caruso, maar de liefde van zijn kant was sterker dan van de hare. Hoewel ze samen twee kinderen kregen, Enrico jr en Rodolfo, bedroog Ada hem constant. Het stel trouwde nooit. Hoe erg hij aan haar verknocht was, blijkt uit een van de brieven, geschreven op een stoomschip onderweg naar Amerika: “Mijn Ada, de boot is amper vertrokken en ik mis je al…”. Giachetti ging er uiteindelijk vandoor met de chauffeur van de tenor. Samen probeerden ze hem daarna ook nog te chanteren. Ze werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.

Caruso trouwde pas op zijn 45ste, met de twintig jaar jongere Amerikaanse Dorothy Benjamin. Na een slechte ervaring in San Carlo, de opera van Napels – de critici hadden geschreven dat hij zong als een bariton, niet als een tenor – zwoer hij nooit meer in zijn geboortestad te zingen. Hij hield woord, maar was zo aangedaan toen hij in 1921 eindelijk weer voet aan wal zette in Napels, dat hij na een korte uitstap naar Sorrento zijn intrek nam in het Hotel Vesuvio van de stad. Het zouden zijn laatste momenten worden, want hij leed toen al aan de borstvliesontsteking die hem uiteindelijk fataal werd.

Italiaanse kinderen leren dat zijn laatste woorden “Dorothy, fammi portare al sole” waren (“Dorothy, laat me in de zon zetten”). Maar hoewel ze aan zijn vrouw waren gericht, waren ze oneindig veel banaler: de laatste woorden van Caruso waren “Doro, ik kan geen adem meer halen.” De meest duurzame eigenschap van de stem van de legendarische tenor Enrico Caruso waren zijn vermogen om breed te fraseren en zijn energieke dramatische uitbarstingen. Hoewel hij al in 1921 overleed, wordt Caruso door velen nog steeds gezien als de grootste tenor van de eeuw. In deze opname uit 1910 van Ruggero Leoncavallo’s No! Pagliaccio non son uit de opera Pagliacci is Caruso’s vermogen om een groot aantal vocale effecten te gebruiken goed te horen.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 14 juni 2005 op het Romenieuws-archief.