De Romeinse wijk Testaccio blijft voor vele toeristen een nobele onbekende. Het stadsbestuur wil iets doen om dit openluchtmuseum beter bekend te maken en pakt uit met de uitbouw van drie wandeltrajecten.
Ieder circuit voert de bezoeker langs een ander aspect van de wijk. Langs de diverse wandelroutes worden er in totaal 26 informatieborden voorzien, in het Italiaans en het Engels. De blauwe panelen markeren de historische route, de paarse tonen de middeleeuwse aspecten en de groene borden vertellen meer over het Testaccio van vandaag.
De drie wandelroutes krijgen ook een multimedia-versie, te downloaden met de iPhone. Goed nieuws is ook dat de ruïnes van de Porticus Aemilia, het graanpakhuizencomplex uit de 2de eeuw v. Chr., in ere worden hersteld.
Het achterliggende idee is om de bezoekers op diverse interessante plaatsen wat meer te vertellen over de geschiedenis van de Testaccio-wijk. In winkels, hotels en bars in de buurt zal er een opvouwbare kaart beschikbaar worden gesteld die de bezoekers de fraaiste plekjes in de wijk zal tonen, waaronder als best bekende Monte Testaccio, Piazza Santa Maria Liberatrice, de Boog van San Lazzaro, het voormalige slachthuis of Mattatoio, maar ook het Cimitero Acattolico, de Piramide van Cestius, het sportveld van AS Roma en nog veel meer.
De Porticus Aemilia, vlakbij de Tiber, bestond in de oudheid uit een groot complex van pakhuizen. De noodzaak van nieuwe magazijnen aan de rivier was ontstaan na de grote groei van de Romeinse bevolking, die volgde op de vele overwinningen die de Romeinse legers behaalden. Tijdens de Tweede Punische Oorlog (218 – 201 v. Chr.) veroverde Publius Cornelius Scipio Africanus grote delen van Hispania op de Carthagers.
Dit was een vruchtbare provincie van waaruit grote hoeveelheden graan konden worden ingevoerd. Om die graanvoorraad in Rome te kunnen opslaan werd niet alleen de Tiberhaven bij het Forum Boarium uitgebreid maar bouwden de Romeinen ook de graanpakhuizen van de Porticus Aemilia. De Porticus Aemilia lag direct naast het emporium van de stad, de plaats waar goederen die overzees vervoerd waren, verhandeld werden.
De porticus werd in 193 v. Chr. gebouwd door Marcus Aemilius Lepidus en Lucius Aemilius Paulus. Zij hadden in het jaar dat ze beiden de functie van Aedile bekleedden veel veehouders aangeklaagd en boetes opgelegd.
Van het geld dat zij hiermee hadden verkregen lieten ze de porticus bouwen en bovendien ook nog vergulde schilden maken, die aan de Tempel van Jupiter Optimus Maximus werden gehangen. In 174 v. Chr. werd de Porticus van Aemilia al verbouwd en uitgebreid door de censoren Q. Fulvius Flaccus en A. Postumius Albinus.
Het was overigens het eerste gebouw dat werd gemaakt van beton. De senaat heeft er zelfs over vergaderd of ze het materiaal niet moesten verbieden omdat het misschien wel onveilig zou zijn. Vandaag weten we dat het Romeinse materiaal steviger was dan vele betonsoorten die vandaag worden gebruikt.
Het gebouw was 487 meter en lang en 60 meter breed en was in die tijd het grootste commerciële gebouw in Rome. Restanten van de Porticus Aemilia zijn vandaag nog zichtbaar tussen de Via Rubattino en de Via Franklin.
Neem als je doorheen de wijk wandelt zeker een kijkje in de markthal op Piazza Testaccio. Op dit plein kan je dagelijks, behalve op zondag, van de vroege ochtend tot ‘s middags terecht voor een uitgebreide en nog vrij authentieke Romeinse markt, met een heel andere sfeer dan de op toeristen gerichte markt op Campo de’ Fiori.
Wat verderop verrijst een gloednieuwe markthal. Die moet normaal in april volgend jaar klaar zijn, waarna de huidige marktkramen worden overgebracht naar de nieuwe locatie.
De nieuwe markthal van Testaccio, een enorme structuur in staal en glas, met grote ramen en een zeer opvallende verlichting, zal een oppervlakte innemen van ongeveer 1 hectare en situeert zich aan de Via Galvani en de Via Beniamino Franklin.
Aan de binnenzijde wordt er plaats gemaakt voor ondermeer 112 marktkraampjes, een parking, een winkelcentrum en een studentenverblijf. De nieuwe markt werd bovendien gebouwd bovenop een uitgestrekte archeologische site.
Studenten van de universiteit Roma Tre en de Università del Salento in Lecce, hebben hier van april 2005 tot 2009 onder toezicht van de stadsarcheologen de ondergrond in kaart gebracht.
De keuze om de nieuwe markthal van Testaccio precies op deze plaats te bouwen is niet toevallig. Op deze plek bevond zich in de oudheid immers ook al een overdekte markt, de grootste van Rome nog wel. Bezoekers van het nieuwe marktgebouw zullen deze oude Romeinse ruïnes van bovenaf kunnen bekijken.
Binnenin de markthal opent bovendien een museum dat de vondsten uit deze omgeving zal tentoon stellen en de geschiedenis van Testaccio in beeld brengt. Het project schrijft andermaal een nieuw hoofdstuk in het boekje ‘experimentele archeologie’. De bezoeker maakt als het ware een soort tijdreis doorheen 2000 jaar Romeinse marktgeschiedenis.
De voorbije jaren werd de volledige ondergrond van de Nuovo Mercato di Testaccio zorgvuldig in kaart gebracht, te beginnen met de restanten uit de keizertijd en vervolgens via de Middeleeuwen doorheen de overblijfselen van de bomen en wijngaarden die zich hier tijdens de Renaissance bevonden. Die werden later gekapt om plaats te maken voor arbeidershuisjes.
De belangrijkste artefacten en overblijfselen die op de site werden gevonden dateren uit de oudheid. Het catalogeren ervan zal nog wel enige tijd in beslag nemen, het gaat om ongeveer duizend dozen met vondsten. Van heel wat dozen moet de inhoud nog gesorteerd en gewassen worden.
Volgens de archeologen bevond zich in de oudheid op deze plek eveneens een soort marktgebouw met een heleboel grote winkels. Dit was alleszins een belangrijke plek, waar de goederen werden verhandeld die per schip werden aangevoerd vanuit het Oosten of overgeladen waren in de haven van Ostia. Vanuit die laatste haven ging men met kleinere schuitjes stroomopwaarts de Tiber op, richting centrum.
De meeste winkels uit de oudheid situeren zich vooral in het noorden van de opgraving. In één van de gebouwen is een oven teruggevonden voor het bakken van keramische producten, wat in die omgeving door de nabijheid van de rivier (die water en klei leverde) geen probleem zal geweest zijn.
Wellicht bevond zich hier een winkeltje waar bezoekers kleine kruikjes of vaatwerk konden kopen. Er zijn ook enkele tientallen bronzen en zilveren munten gevonden, afkomstig uit de eerste twee eeuwen na Christus.
Een gedeelte van het achterliggende complex heeft waarschijnlijk gediend als opslagplaats. De Romeinse havenarbeiders goten de olie voor de hoofdstad over in andere recipiënten, bestemd voor verkoop of duurzame opslag. De kruiken waarin de olie was aangevoerd konden maar eenmaal worden gebruikt door het snelle bederf in de poreuze terracotta kruiken.
Een decreet bepaalde daarom dat de gebruikte oliekruiken in stukken moesten worden geslagen. De scherven werden op een grote hoop gegooid. Daaruit ontstond, vlak achter de toekomstige markthal die nu in aanbouw is, de Monte Testaccio of Schervenberg. Veel vondsten zijn dan ook (delen van) Spaanse en Afrikaanse olie-amforen en wijnamforen van Gallische oorsprong en het oosten van Kreta.
Studies van de antieke handelsgeschiedenis hebben veel aan het licht gebracht over de handel in wijn en olijfolie, naast graan de belangrijkste bestanddelen van het mediterrane voedselpakket. De belangrijkste hulpmiddelen hierbij zijn studies naar de productie en verspreiding van amforen. Op die manier heeft men – ook kwantitatief – vat kunnen krijgen op de zich voortdurend verleggende handelsstromen in de westelijke helft van het Middellandse Zee-gebied.
In de 1ste eeuw voor Chr. zien we een zeer omvangrijke wijnexport vanuit Italië naar Zuid-Frankrijk, een fenomeen dat rechtstreeks verband houdt met de opkomst en bloei van de slavenlandbouw in het exportgebied. Omstreeks het begin van onze jaartelling worden de rollen omgedraaid: de Italische
wijnuitvoer naar de provincies valt nagenoeg stil, terwijl steeds grotere hoeveelheden Zuid-Franse wijn hun weg vinden naar Rome.
Archeologisch gezien loopt het aandeel van de Gallische wijnamforen op tot zo’n dertig procent van het totaal in de eerste decennia van de 2de eeuw n. Chr. Sommige geleerden interpreteren de laat-Republikeinse export van wijn uit Italië als het transport van levensmiddelen naar legeronderdelen.
Een andere, minder overtuigende, verklaring om de aanvoer van Gallische, Spaanse en Noord-Afrikaanse producten naar Rome uit te leggen, is dat ze niet-commerciële transporten vormden van de opbrengsten van senatoriale landgoederen in de provincie naar huishoudens in de hoofdstad.
Voor de olijfolie voltrekt zich een soortgelijke ontwikkeling in Zuid-Spanje, vanwaar vooral vanaf het midden van de 1ste eeuw n. Chr. enorme hoeveelheden amforen naar Italië werden verscheept. Alleen al de Monte Testaccio vertegenwoordigt een exportvolume van ongeveer 25.000 ton per jaar en dit gedurende 12 decennia.
Enigszins verrassend is de wijze waarop Spanje in de 3de eeuw n. Chr. voorbij wordt gestoken door Tunesië. In de 4de en zelfs tot in de 5de eeuw n. Chr. vertegenwoordigen Noord-Afrikaanse amforen bijna de helft van het totale vondstenmateriaal in Ostia en Rome. Onderzoek wijst op een geweldige verspreiding van Tunesische keramiek tot in de 6de eeuw na Chr.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 31 maart 2011. Bekijk het origineel.

