Een bezoek aan de Chiesa Santissimo Nome di Gesù

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Komende vanaf Piazza Venezia in de richting van Largo di Torre Argentina, kom je na een paar honderd meter, op het einde van de Via del Plebescito, terecht op Piazza del Gesù. Daar vind je de Chiesa Santissimo Nome di Gesù, de hoofdkerk van de jezuïeten. In de volksmond wordt ze gewoon Gesù of Il Gesù geheten. Wandel hier niet zomaar voorbij. Achter de gevel bevindt zich een enorm museum boordevol zeer waardevolle kunst.

Deze kerk vormde een inspiratiebron voor latere barokarchitecten. Ook Ignatius van Loyola, de stichter van de Orde der Jezuïeten ligt hier begraven. Alle kerken in Rome bezoeken is onbegonnen werk, maar nu en dan moet je toch eens ergens binnenstappen. Dit is er zo eentje. Hou zoals steeds in Rome rekening met het feit dat veel kerken rond het middaguur een tijdlang dicht zijn. De Gesù is open van 7 tot 12.30 u. en van 16 tot 19 u. Morgen nemen we een kijkje in de kerk.

Op de plaats van de huidige hoofdingang van de Gesù stond ooit de kapel van Santa Maria della Strada. Daar bevond zich een afbeelding van de Madonna die door Ignatius van Loyola zeer vereerd werd. Vandaag is deze Madonna te zien in de linkerhoekkapel van de Gesù. Paus Paulus III (1534-1549), die in het nabije Palazzo Venezia woonde, schonk aan Ignatius de grond die rond deze kapel lag, met de opdracht er een machtige kerk te bouwen.

In 1551 werd Nanni di Baccio Biggio met de uitvoering van dit karwei belast maar zijn ontwerp viel niet in de smaak bij de opdrachtgevers en daarom vroegen ze Michelangelo een nieuw ontwerp te maken. Die aanvaardde de opdracht, naar verluidt “uit devotie maar zonder enige interesse”, een opmerking die ook werd genoteerd door Ignatius van Loyala.

Michelangelo, die toen volop bezig was met de koepel van de Sint-Pietersbasiliek had inderdaad geen tijd en zin in de opdracht en beperkte zich tot enkele minieme wijzigingen aan het plan van Biggio. Deze tekeningen bevinden zich nu in het Uffizi in Florence.

Er gebeurde helemaal niets met het ontwerp tot 1568. Dat jaar stierf Biggio, de oorspronkelijke ontwerper en ook Michelangelo was inmiddels al vier jaar overleden. Het ontwerp kwam in handen van Vignola (1507-1573), de vaste architect van de Farneses. Hij zorgde uiteindelijk voor de definitieve afwerking van de plannen. De bouw van de kerk begon nog datzelfde jaar.

Ignatius van Loyola was reeds in 1556 gestorven en had al die moeilijkheden niet meer meegemaakt. Maar zijn ideeën voor de te bouwen kerk liepen parallel aan de principes van het concilie van Trente (1545-1563). Dat decreteerde dat alle kerkbezoekers een goed zicht moesten hebben op zowel altaar als preekstoel, wat een andere kerkbouw vereiste.

Ook eiste het concilie respect voor de paramenten en het gewijde vaatwerk, wat leidde tot sacristieën die net zo prachtig waren als de kerken.Vignola hield daar rekening mee. Dit alles opende de weg voor een feestelijke kunstvorm, de barok.

Kardinaal Farnese schreef aan Vignola: ‘De kerk moet niet bestaan uit een schip met twee zijbeuken, maar als een schip met zijkapellen. De kerk dient geheel overwelfd te zijn zodat zij het geluid van de stem het beste draagt’.

De Gesù werd gewijd in 1584, ze markeerde het begin van de barok en de triomf van de contra-reformatie die de ideeën van de zegevierende Kerk moest uitdrukken. Deze kerk werd het grote voorbeeld voor de zogenaamde jezuïetenstijl, zijnde de internationale, religieuze barok-bouwstijl. Wilden de middeleeuwse kerken diegenen helpen die niet konden lezen, moesten deze kerken door hun luister toch nog diegenen imponeren die wellicht te veel gelezen hadden. In Rome werd de Gesù in die tijd al snel gevolgd door de Sant’ Andrea della Valle en de Sant’ Ignazio, eveneens twee grootse barokke parels.

De letters IHS die je overal in en om de Gesù aantreft verwijzen naar het symbool dat Constantijn volgens de overlevering aan de horizon zag verschijnen aan de vooravond van de slag bij de Milvische brug. Ze staan voor In Hoc Signo (Vinces), in dit teken zult u overwinnen. Ze vormen tevens de eerste letters van de Griekse naam Ihèsus (Latijn: Iesus, Aramees: Jesjoea) en staan ook voor ‘Iesus Hominum Salvator’, Jezus Verlosser van de mensen.

Tenslotte verwijst IHS naar het Grieks ‘ichtus’ (vis), en gezien Grieks ook de taal is van het Nieuwe Testament, is ‘ichtus’ een acronym geworden voor ‘Iessous CHristos Theou Uios Soter’, Jezus Christus, zoon van God de Redder. Deze sublieme christelijke vondst wordt reeds omstreeks 290 vermeld door kerkvader Clemens van Alexandrië. Critici van de kerk beweren ook weleens dat IHS eigenlijk staat voor ‘Iesuiti habent satis’, de jezuïeten hebben genoeg (geld).

De vrij sobere gevel (1575) werd gebouwd door Giacomo della Porta (1539-1602), die o.a. ook de San Giovanni dei Fiorentini, de San Trinità dei Monti en de gevel van de San Luigi dei Francesi tekende. Maar we kennen deze leerling van Vignola vooral van zijn talrijke fonteinen in Rome, waaronder de fraaie Schildpaddenfontein. De gevel van de Gesù betekende de overgang tussen renaissance en barok, en werd het prototype voor de duizenden jezuïetenkerken die overal in de wereld zouden worden gebouwd.

Twee zuilenorden bevinden zich boven elkaar, de zware voluten verzachten het verschil in breedte tussen de twee niveaus, een navolging van de gevel die de in Genua geboren Leon Battista Alberti (1404-1472) een eeuw vroeger tekende voor de Santa Maria Novella in Firenze (1458-1470). Let er op hoe rondom de ingang de effecten versterkt worden, de halfzuilen zijn in de plaats gekomen van de vlakke renaissancepijlers ondersteund door het krachtige reliëf van vlakken, openingen en uitspringende pijlers, zuilen en lijstwerk.

Dubbelpilaren markeren (zoals in het interieur) de kanten, de binnenste bij de deur zijn ronde zuilen geworden en ook het gevelmotief boven het portaal is verdubbeld. Door de uitstaande bouwelementen en de subtiele lichtwerking, vertoont de gevel een beweging die later een kenmerk van de barok zou worden.

De hoge en zeer brede gevel verbergt gedeeltelijk de koepel die alleen vanop afstand in volle omvang te zien is. Alhoewel het interieur van de Gesù de vorm heeft van een Latijns kruis is hiervan uitwendig weinig te zien omdat de transepten samenvallen met de zijkapellen om zo een continue buitenmuur te vormen.

Over deze gevel schrijft de Oostenrijkse kunstcriticus Ernst Gombrich in 1950 (The Story of Art – p. 388): “De meester heeft een voluut gebruikt die in de hele klassieke architectuur niet voorkomt. Wij hoeven een dergelijke vorm maar aan een Griekse tempel of Romeins theater te denken om te beseffen hoe uiterst misplaatst die daar zou zijn.

En inderdaad vooral zijn deze kromme lijnen en spiralen de oorzaak geworden van veel kritiek die op de bouwmeesters van de baroktijd is uitgestort door hen die de klassieke tradities in ere wilden houden. Maar als wij deze aanstootgevende ornamenten met een stukje papier wegdenken en dit gebouw zonder deze versiering voorstellen dan zullen wij toch moeten toegeven dat die hier niet als een overbodige tooi mag worden opgevat.

Zonder deze ornamenten zou het gebouw ‘uiteenvallen’. Juist die voluten helpen er dat essentiële verband en die eenheid aan te geven die ’s kunstenaars bedoeling was. In de loop der tijden moesten de architecten van deze periode steeds meer en altijd stouter en minder bekende middelen aanwenden om de tot het wezen van deze stijl behorende eenheid in het grondschema van hun model te bereiken”.

Op aanvraag kan je in het hoofdhuis der jezuïeten (buiten de kerk) de kamers bezoeken waar Ignatius verbleef van 1544 tot zijn dood in 1556. De toegang tot de ‘Stanze di Sant’Ignazio’ bevindt zich op Piazza del Gésu 45, direct links bij het verlaten van de kerk. Op de deur staat in brons I.H.S. De kamers zijn van maandag tot en met zaterdag toegankelijk van 9.30-12.30 u.

De ontvangst is zeer hartelijk. De rondleiding duurt ongeveer dertig minuten en is gratis. De kamers omvatten een wachtzaal, een slaap- en studeerkamer, een privé-kapel (dat is de plaats waar Ignatius stierf) en een dienstlokaal. Het bezoek is interessant want het gewelf en de wanden van de vestibule zijn volledig versierd met fresco’s in trompe-l’oeil. Bezoekers komen dan ook vooral om deze buitengewone ruimte te bewonderen.

De uitzonderlijke, verrassende fresco’s (1680) zijn het werk van Andrea Pozzo, de schilder die zich ook uitleefde op het plafond van de Sant’ Ignazio, die hier alle geheimen van het perspectief toepaste. Op de vloer bevindt zich een marmeren roos. Als je daarop gaat staan kan je Pozzo’s werk het best evalueren.

Aan het einde van een korte gang zie je een spectaculaire, fictieve apsis met een altaar (met Sint-Ignatius) dat is omgeven door zuilen waarnaast zittende engelen viool en cello spelen. Let ook op het illusionistische plafond. Pozzo creëerde net als in de Sant’ Ignazio ook hier de suggestie van een (kleine) koepel waar het licht doorheen valt.

Wanneer je door de gang uiteindelijk naar het altaar loopt, kom je voor een volkomen vlakke muur te staan. Links daarvan kan je bij het laatste tafereel zien hoe Pozzo de figuren heeft uitgerekt om het perspectief te doen kloppen.

De plaats waar de heilige stierf is gemarkeerd door een tegel. Zijn stoel staat nog aan de lessenaar waaraan hij naar verluidt 7.000 brieven schreef (bijna 600 per jaar). Zijn pij hangt boven zijn schoenen waarvan de zolen deels door pelgrims werden afgesneden. De fresco’s zijn van Jacques Courtois die we kennen als Borgognone (1621-1676).

http://www.chiesadelgesu.org/la-chiesa/

http://www.chiesadelgesu.org/la-chiesa/visita-virtuale/

Morgen: Het indrukwekkende interieur van de Gesù

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 1 september 2014. Bekijk het origineel.