Een bezoek aan de fraaie San Cesareo in Palatio

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Het was vele jaren een ware uitdaging om dit prachtige kerkje met een magnifiek cosmateninterieur met zeer vele fraaie details, dierenfiguren en mozaïeken te bezoeken, maar wie het volhield raakte doorgaans wel een keer binnen. Je kon hopen op een toevallig openstaande deur, proberen telefonisch een afspraak te maken, aanbellen en het vriendelijk vragen (al dan niet na het overhandigen van een kleine schenking) of het gewoon eens proberen op een zaterdagochtend, wanneer men alles in orde zet voor een huwelijksviering die hier vrijwel wekelijks plaatsvindt. Tegenwoordig kan je er (in principe) binnen op zaterdag (van 10 tot 16 uur) en op zondag (van 10 tot 12 uur, met een eucharistieviering om 11.30 uur).

De San Cesareo in Palatio is sinds 1988 vele jaren gesloten geweest, maar staat de jongste jaren na een lange opknapbeurt weer opnieuw in de belangstelling. Toeristen komen hier echter zelden. Het bescheiden maar erg mooie kerkje is de tocht naar de Via Porta San Sebastiano nr. 2 echter zeker waard, ook al omdat je in de buurt nog een aantal andere bezienswaardigheden zoals het Museo delle Mura kan bezoeken.

Om de plek even te situeren: je bent hier vlakbij Piazzale Numa Pompilio, niet ver van de Thermen van Caracalla. Vlakbij bevindt zich ook het Casina del Cardinal Bessarione, de voormalige residentie van de Griekse kardinaal Basilios Bessarione (1402-1472).

De naam van de kerk verwijst naar de Palatijn. Dat klopt natuurlijk niet, want de keizerlijke heuvel ligt hier toch een heel eindje vandaan. Vanwaar dan deze naam? Dat kwam omdat het kerkje in de zestiende eeuw verward werd met een gelijknamige kerk die zich destijds wel op de Palatijnse heuvel bevond.

Die werd echter vergeten nadat ze (hoogstwaarschijnlijk) in 847 werd verwoest door de grote aardbeving die Rome toen teisterde en waarbij heel wat gebouwen uit de oudheid voorgoed werden vernietigd. In de middeleeuwen bevonden zich op de Palatijnse heuvel waarschijnlijk nog wel wat restanten van de San Cesareo, maar de kerk zelf was toen al uit het collectieve geheugen van de meeste mensen verdwenen.

De originele San Cesareo op de Palatijn was gewijd aan de heilige martelaar Caesarius van Afrika. Volgens de overlevering bracht Caesarius in de tweede eeuw een bezoek aan Italië. Tijdens dit bezoek zou hij, samen met een lokale priester genaamd Julianus, hebben geprotesteerd tegen een offerfeest ter ere van Apollo. Hierop werden hij en Julianus gevangengezet en later verdronken.

Vele jaren later genas keizer Valentinianus I (364-375) in Terracina (op de plek waar Caesarius de marteldood vond) miraculeus van een ernstige ziekte. De keizer besliste daarom om de relieken van de martelaar naar Rome over te brengen. Ze kregen een plek in een gloednieuwe kerk op de Palatijn.

De San Cesareo die we vandaag kennen en hier bezoeken heeft zijn voortbestaan wellicht te danken aan de Italiaanse kardinaal-historicus Caesar Baronius of Cesare Baronio (1538-1607) die dacht dat hij de originele kerk had ontdekt en ze in al zijn enthousiasme ook de verkeerde naam gaf. Veel later werd duidelijk dat de naam van de kerk absoluut fout was, maar die was toen al zo lang in gebruik dat het gebouw tot vandaag als de San Cesareo in Palatio bekendstaat. Ze heeft dus ook niets te maken met de (toevallige) voornaam van Baronius.

Door de ongewilde historische vergissing van Baronius is de geschiedenis van ‘onze’ San Cesareo in Palatio tot omstreeks 1600 vrij obscuur. Het staat vast dat in de achtste eeuw op deze plek een eerste kerk werd gebouwd bovenop ruïnes uit de tweede eeuw. Deze zijn lange tijd beschouwd als de restanten van een triclinium (de eetzaal in een particuliere woning), maar later werd het als aannemelijker beschouwd dat zich hier in de tweede eeuw een badhuis bevond.

Er werden onder de kerk namelijk mozaïekvloeren ontdekt, wat beide functies zeker mogelijk maakt, maar de mozaïeken beelden onder meer zeewezens en de figuur van Neptunus uit, wat hun aanwezigheid in een badhuis iets aannemelijker maakt. Zeker weten doen we het echter niet. In het begin van de veertiende eeuw werd de kerk opgenomen in een gasthuis voor pelgrims die daar, op weg naar de catacomben aan de Via Appia Antica, regelmatig passeerden. Vervolgens werd het een nonnenklooster dat in de vijftiende eeuw echter ontbonden werd.

Toen volgde de zogenaamde ‘ontdekking’ van de ‘San Cesareo in Palatio’ door Baronius. Deze kardinaal-historicus was een neef van paus Clemens VIII Aldobrandini (1592-1605) en hij kon zijn oom overhalen om de kerk te laten restaureren. Casare Baronius hebben we al eerder ontmoet in de eerder besproken San Nereo e Achilleo, hier niet ver vandaan.

De eenvoudige maar mooie renaissancegevel wordt toegeschreven aan Giacomo della Porta (1539-1602) die we kennen van de Trinita dei Monti, de gevel van de Gesù, de San Nicola in Carcere, de koepel van de Sint Pietersbasiliek, … en vele fonteinen. Kardinaal Baronius gaf toe aan de smaak van de tijd door het aanbrengen van een mooi caissonplafond met zijn familiewapen, zes sterren en aan beide zijden een gekanteelde schuinbalk.

De mozaïeken in de apsis zijn het werk van Francesco Zucchi (1562-1622). De schilderijen op de hogere delen van het schip zijn het werk van de Italiaanse maniëristische schilder Cavaliere d’Arpino (1568-1640) die ook wel Il Giuseppino werd genoemd. Zijn echte naam was echter Giuseppe Cesari waardoor het bijna lijkt of de man voorbestemd geweest is om precies deze kerk te decoreren. In die tijd werd d’Arpino overigens vergezeld door een leerling met, bijna niet te geloven, de naam Cesare Rossetti (1565-1623).

Cavaliere d’Arpino was een maniërist en een uitgesproken tegenstander van Caravaggio die bij hem omstreeks 1593 als leerling arriveerde en zijn leermeester al snel zou voorbijsteken. In het begin van de zeventiende eeuw was d’Arpino zo beroemd dat hij heel wat belangrijke opdrachten kreeg, wat vandaag een beetje moeilijk te begrijpen valt.

Hij heeft best wel mooie dingen gemaakt, onder meer in de San Luigi dei Francesi, maar ging met zijn werk ook regelmatig flink de mist in. Denk bijvoorbeeld aan zijn slecht geslaagde ontwerp voor de mozaïeken in de koepel van de Sint-Pietersbasiliek. Hij was vooral een frescoschilder maar maakte ook schilderijen met religieuze en mythologische scènes naar Vlaams model.

Kardinaal Baronius wilde vooral de middeleeuwse decoratie van de kerk herstellen, met name het prachtige marmeren meubilair. De koorafsluiting, de transennae onder de vorm van een open rooster, de ambo of preekstoel en de kandelaber (voorzijde van de zijaltaren) werden opnieuw samengesteld met cosmatenfragmenten. Baronius is daarin zeker geslaagd. Deze indrukwekkende stenen kunstvoorwerpen maken een bezoek aan deze kerk meer dan waard.

Achteraan staat de bisschopstroon met zuilen van serpentijnsteen, kalksteen of marmer met slangvormige strepen. Het materiaal dat bekendstaat als serpentijnsteen is alleen te vinden in de streek die we vandaag kennen als Zimbabwe. Hoe die steen ooit in Rome geraakte, is niet duidelijk. Sommige experts beweren dat deze kerk voornamelijk gebouwd of zeker herbouwd werd met materiaal uit de ruïnes van antieke thermen. De thermen van Caracalla bevinden zich hier vlakbij, het is dus een theorie die aannemelijk lijkt.

Er valt ook iets voor te zeggen: let bijvoorbeeld op het vloermozaïek achter het hoogaltaar, dat zwarte en witte zeemonsters voorstelt van een type dat we gewoonlijk in de Romeinse badhuizen aantreffen. Ook elders in de kerk vinden we vaak mythologische wezens, griffioenen, figuren van dieren zoals leeuwen, paradijsvogels, adelaars, enz. Zekerheid is er andermaal niet, maar het maakt een bezoek aan de San Cesareo des te mysterieuzer.

Het mooie, kleine fresco van de ‘Madonna met Kind’ boven de troon dateert uit de renaissance. Het baldacchino dateert uit de tijd van paus Clemens VIII (1592-1605). De engelen die de gordijnen open houden voor de confessio onder het hoogaltaar zijn wellicht afkomstig van een vijftiende-eeuwse tombe uitgevoerd door Paolo Romano (ca. 1445-1470). Paolo Romano was een bescheiden man wiens beelden door de Florentijnse kunstcriticus Giorgio Vasari (1511-1574) werden geprezen. Van Paolo Romano is niet veel werk bekend in Rome. De Vaticaanse Musea en de Sant’Andrea della Valle bezitten elk één van zijn beelden.

Tijdens de twaalfde eeuw grepen architecten terug naar het Constantijnse model, maar lieten ze zich ook inspireren door de paleo-christelijke kerken van het type Santa Maria Maggiore. Door dit teruggrijpen wilden de pausen het accent leggen op hun legitieme erfenis van zowel de apostel Petrus als keizer Constantijn.

Men kan zich de vraag stellen of het feit dat de pausen zichzelf zagen als de opvolgers van de Romeinse keizers, tijdens de twaalfde en de dertiende eeuw het ontbreken uitlegt van christelijke decors of zelfs van het vertonen van heidense decors. In dezelfde lijn ligt ook de gewoonte om in het begin van de twaalfde eeuw antieke Romeinse zetels of daarop gesteunde versieringen zoals leeuwen op de leuningen, putti en rietstengels te gebruiken als pauselijke troon. We zien dat onder andere in de Santa Maria in Cosmedin, de San Lorenzo in Lucina en in de San Clemente. Antieke motieven zoals sfinxen, leeuwen en griffoenen vinden we ook in de productie van de Cosmaten. De zetel in de San Cesareo is een bijkomend voorbeeld van deze ‘pauselijke ambitie’.

Vooraan tegen de linkerzijmuur vinden we de trappen die leiden naar de antieke ruïnes onder de kerk waar lange tijd opgravingen plaatsvonden. Als je al het geluk had deze fraaie kerk te kunnen bezoeken, zal je helemaal blij worden om even tot in deze tweede-eeuwse ruimte te kunnen afdalen. Je kan er echter niet altijd in.

De vloeren zijn rijkelijk met mozaïeken bedekt. Ze vertonen wit-zwarte motieven maar zijn wat beschadigd door vochtproblemen. Het lijkt inderdaad aannemelijk dat de fantastische zeemonsters, waterdieren en figuren ooit een badruimte versierd hebben. Sommige bronnen beweren dat de Thermen van Commodus (180-192) hier zouden gelegen hebben. Dat badcomplex bevond zich in het eerste district van Rome, vermoedelijk ten zuiden van de later gebouwde Thermen van Caracalla. Volgens Hiëronymus van Stridon werd het complex in 183 gebouwd.

De geschiedschrijver Herodianus meldt dat het een groot complex was, maar er zijn nooit restanten van deze thermen teruggevonden. Tenzij we ze hier voor onze neus zien, onder de San Cesareo. Als dat klopt zijn deze zeewezens alles wat tot vandaag overblijft van het badhuis van Commodus. Andermaal weten we het niet zeker, maar dromen mag. In ieder geval zijn de Thermen van Commodus in onbruik geraakt nadat de veel grotere Thermen van Caracalla in 216 werden geopend.

Het verdwijnen van de Thermen van Commodus kan te maken hebben met de ‘damnatio memoriae’ (vervloeking der nagedachtenis) die de Senaat over hem uitspraak en waarbij na de dood van Commodus alle herinneringen aan de keizer werden uitgewist. Drie jaar later werd de Senaat door keizer Septimius Severus echter gedwongen om de titel ‘Divus’ (goddelijk) aan de door hen vervloekte Commodus toe te kennen.

Sinds de zestiende eeuw is de San Cesareo in Palatio ook een titelkerk. Sinds 2012 is ze toegewezen aan de Italiaanse kardinaal-diaken Antonio Maria Vegliò. Eén van zijn voorgangers is is echter veel bekender: Karol Józef Wojtyla, de latere paus Johannes Paulus II die als Poolse kardinaal de San Cesareo in Palatio van 1967-1978 als titelkerk had. Het is één van de redenen waarom, vooral na de heiligverklaring van Johannes Paulus II, de kerk weer meer in de belangstelling staat.

San Cesareo in Palatio
Via di Porta San Sebastiano 2, Rome
Tel.: +39 338 491 68 38

Open op zaterdag van 10 tot 16 uur
en op zondag van 10 tot 12 uur

Mgr. Maurizio Milani: tel. +39 338 491 68 39
Eucharistieviering op zondag om 11.30 uur.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 31 mei 2019. Bekijk het origineel.