Vandaag bezoeken we een iets minder bekende kerk, de San Francesco a Ripa (ook wel San Francesco d’Assissi a Ripa geheten of Chiesa di San Francesco a Ripa Grande). Ze is gelegen in Trastevere, niet ver van Porta Portese en gewijd aan de heilige Franciscus van Assisi. De extensie in de naam kreeg deze kerk van de voormalige haven aan de Tiber, de Ripa Grande, die in het begin van de twintigste eeuw buiten bedrijf werd gesteld.
In de kerk bevinden zich relikwieën van Franciscus van Assisi en een aantal belangrijke kunstwerken, waaronder een fantastisch beeldhouwwerk van Gian Lorenzo Bernini. Vreemd genoeg komen weinig toeristen hiernaar kijken. De San Francesco a Ripa is de titelkerk van de Mexicaanse kardinaal Norberto Rivera Carrera (77).
In 1210 was Franciscus van Assisi (1182-1226) al eens naar de Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano) gekomen om paus Innocentius III (1198-1216) de instelling van zijn orde ter goedkeuring voor te leggen. In 1219 kwam hij nogmaals twee keer naar Rome, en vond toen onderdak in het hospitium van de San Biagio de Hospitale. Franciscus deed daar zoveel godvruchtig werk dat op voorstel van paus Gregorius IX (1227-1241), zijn medebroeders het hospitium na de dood van Franciscus in 1226 mochten overnemen. Daarmee was ook de eerste franciscaanse nederzetting in Rome een feit.
De plek werd een klooster waaraan in 1229 een kerk werd toegevoegd die de naam van Franciscus van Assisi zou krijgen. Die kerk was geen nieuwbouw, maar het resultaat van een verbouwing van een oudere kerk, de San Biagio de Curte. Deze kerk maakte deel uit van een ziekenhuis. De bouw van de huidige kerk begon in 1603, door Onorio Longhi (1568–1619), beginnend bij de apsis. Na 1681 werd de San Francesco herbouwd in barokstijl, een project dat tot 1701 zou duren. De kerk bestaat uit drie schepen met aan iedere zijde vier kapellen.
De Romeinse architect Mattia de Rossi (1637-1695) voorzag de kerk in 1682 van een nieuwe gevel. De Rossi was een leerling en assistent van Bernini met wie hij ook samenwerkte aan de Sant’ Andrea al Quirinale. Hij is ook de man achter de mooie stucco’s, de orgelpartij en het cantoria in de Santa Maria della Vittoria. Tussen 1873 en 1943 deed een gedeelte van het klooster onder de naam La Marmora dienst als kazerne voor de Bersaglieri, een legereenheid die een vrij grote rol speelde bij de eenwording van Italie in 1870.
Het interieur van de kerk is niet bijzonder aantrekkelijk, maar een aantal kunstwerken zijn dat wel. In de eerste kapel links zien we aan de linkerzijde een zeer mooie ‘Geboorte van Maria’ door Simon Vouet (1590-1649), die Caravaggio’s realisme combineerde met het classicisme van Poussin. Hier bevindt zich ook een werk van Antonio della Cornia (Maria-Hemelvaart).
Links achterin deze kapel bevindt zich achter de afgesloten doorgang het graf van de in Griekenland geboren Giorgio de Chirico (1888-1978). Hij was de grondlegger van de metafysische schilderkunst. Een tijdje geleden publiceerden we een bijdrage over deze kunstenaar die in vroegere eeuwen John Keats als buurman zou hebben gehad.
Boven het altaar hangt de interessante ‘Onbevlekte Ontvangenis’, een werk uit 1560 dat hier, maar ook in vrijwel alle reisgidsen en zelfs op de officiële website van de kerk wordt toegeschreven aan de Antwerpse kunstschilder Maarten (of Maerten) De Vos ((1531-1603). Dat is fout. In werkelijkheid gaat het om een werk van de Brusselse kunstschilder Antoon Sallaert (1594-1650). Nog niet zo heel lang geleden zijn kunstkenners het er eindelijk over eens geraakt dat dit werk lange tijd onterecht werd toegeschreven aan De Vos.
Bekijk dit schilderij met aandacht, het is één van de rijkste iconografische interpretaties die we kennen van het dogma. We wijzen hierna op enkele opmerkelijke details. Maria staat centraal en draagt in haar armen Jezus die de wereldbol vasthoudt terwijl Zijn moeder aan haar voet de slang van de ketterij verplettert. Twee engelen dragen een banderol met ‘Aeternitas’ dat aan haar eeuwige aanwezigheid in Gods gedachten herinnert. Tussen de wolken verschijnen God de Vader en de duif van de Heilige Geest omgeven door de hemelse heirscharen.
Wat lager zit links de Dood in de vorm van een geraamte, hij wijst met zijn vinger in de richting van het opschrift ‘in momento pendeo’ (ik overleg op welk moment). Die dreiging van de dood wordt nog benadrukt door een raaf die, zittend aan de voeten van het skelet, een huisjesslak oppikt met de letters CRA, waarschijnlijk een zinspeling op de spreuk ‘hodie mihi cras tibi’ (vandaag ik, morgen jij).
Rechts op het schilderij verbeeldt de groep van Adam en Eva de mogelijkheid tot verlossing van de erfzonde die geboden wordt door Maria. In het onderste gedeelte waar geschreven staat ‘aeternum quod cruciat’ of de eeuwige kwelling, herkennen we in de hel tussen de geketende verdoemden Tantalus die de alwetendheid der goden op de proef stelde, en Prometheus de schepper van de mens en de beschaving, en die de goden trotseerde. In een grillige rotsholte beveelt Lucifer zijn duivels.
Dit ongelooflijk gedetailleerde stuk van het doek werd enkele jaren geleden afgesneden en gestolen maar nadien teruggevonden, weer aangehecht en gerestaureerd. Dit werk, dat in de recente vakliteratuur nu algemeen aanvaard als een Antoon Sallaert (hoewel dat zoals verteld vrijwel nergens wordt vermeld), toont diens vorming in het milieu van het late maniërisme in het begin van de zeventiende eeuw, nog voordat Rubens en Van Dyck hun stempel op deze stijl zouden drukken.
Sallaert toonde steeds een voorliefde voor het grisaille en had een tomeloze fantasie. Zijn kleurengamma is zeer persoonlijk, een vermenging van goudgelen met onverwachte schakeringen van zacht paars en parelgrijs. Dat deze zeer begaafde en toch onbekende schilder ooit in Rome is geweest, is voor zover we weten niet gedocumenteerd, maar zeker is dat hij nog zeer jong, eind 1605, terug in Brussel actief was en die stad niet meer zou verlaten. In Rome vind je ook in het Palazzo del Quirinale werk van deze kunstenaar.
In de tweede kapel links zien we naast de fresco’s van Giovanni Battista Ricci, vooral de ‘Annunciatie’ van de belangrijke Francesco Salviati (1510-1563), een Florentijnse maniërist en een navolger van Parmigianino en van Rafaël. Il Salviati heette eigenlijk Francesco de’ Rossi maar nam de naam van zijn kardinaal-broodheer over. Dat is het bewijs dat er absoluut geen verband bestaat tussen de schilder en de voormelde architect-gevelontwerper Mattia de Rossi. Ook deze fout wordt regelmatig verteld door en gedrukt in gidsen.
Van Salviati kennen we ook de mooie fresco’s in onder meer de Santa Maria dell’Anima en de San Marcello al Corso. Zijn meesterwerk bevindt zich in palazzo Farnese. Terloops kunnen we vermelden dat het werk van Salviati grote invloed had op de Amsterdamse schilder Pieter Lastman (1583-1633), de leermeester van Rembrandt. De buste van Laura Frangipani (1637) in de derde kapel aan de linkerkant is gemaakt door Andrea Bolgi.
In de vierde kapel links, de zogenaamde Altieri- of Paluzzi-Albertoni-kapel, is ‘De extase van de Gelukzalige Ludovica Albertoni’ uit 1674 te bewonderen, één van de late meesterwerken van Bernini (1598-1680). Het werk heeft een duidelijke band met de veel bekendere ‘De extase van de heilige Theresia’ uit 1646 in de Santa Maria della Vittoria en de dertig jaar jongere Raimondi-kapel in de San Pietro in Montorio.
Ook deze Ludovica geeft zich in de San Francesco a Ripa hartstochtelijk en haast willoos over aan haar religieuze extase. Ludovica Albertoni (1474-1533) die onder het altaar begraven ligt, behoorde tot de reguliere derde orde van Franciscus van Assisi. Tot deze orde traden mensen toe die geen priester of non wilden worden, maar wel de idealen van Franciscus (liefde, armoede en nederigheid) wilden naleven.
De weduwe Albertoni wijdde haar laatste levensjaren aan het verzorgen van de armen in Trastevere. Toen ze doodziek de communie kreeg, raakte ze in mystieke extase en overleed meteen daarna. Dat is het moment dat door Bernini werd uitgebeeld. In 1671 werd Ludovica zalig verklaard.
Haar rijke familie (de Santa Maria in Campitelli staat ongeveer op de plaats van hun vroegere paleis) bestelde de praaltombe bij Bernini. De kunstenaar vereeuwigde de dame op het moment dat ze zalig en verzadigd het goddelijke licht ontvangt. Vandaag kijken bezoekers nog altijd vol verbazing naar deze ‘Estasi di Beata Ludovica Albertoni’.
Het beeld ligt boven en achter het altaar en vormt door de lichtinval vanuit een verborgen zijvenster een frappant contrast met de schemerige kapel ervoor. Aan de zijkanten zijn twee zestiende-eeuwse fresco’s te zien met rechts de heilige Ludovica en links de heilige Clara. Tijdgenoten verweten dit werk zijn overdreven pathetiek, een gebrek dat men verklaarde door Bernini’s ouderdom, hij was toen 76. Het waren vooral reacties van jaloerse, gefrustreerde en veel jongere collega’s die nooit het niveau van de meester zouden bereiken.
Boven het altaar hangt een werk van Baciccio (1639-1709) met de ‘Maagd en Kind met de heilige Anna’. Let ook op het mooie achttiende-eeuwse hoogaltaar met een veelkleurig beeld van Franciscus, het werk van een plaatselijke monnik. In de eerste kapel rechts bevinden zich fresco’s van Fra Emanuele da Como. Domenico Guidi vervaardigde het monument voor kardinaal Michelangelo Ricci.
In de tweede kapel rechts zien we fresco’s uit 1725 die werden gemaakt door Domenico Maria Muratori uit 1725. Ze verbeelden het leven van San Giovanni van Capestrano. Het altaarstuk in de derde kapel rechts is gemaakt door Stefano Maria Legnani en dateert uit 1685.
In het transept bevindt zich de Rospigliosi-Pallavicini-kapel, waaraan de architect Nicola Michetti en de beeldhouwer Ludovico Rusconi samen gewerkt hebben. Hier bevinden zich onder andere de grafmonumenten van leden van de twee families die hun naam hebben gegeven aan de kapel. Het altaarstuk is vervaardigd met veelkleurig marmer en de door Tommaso Chairi geschilderde afbeeldingen zijn van San Pietro d’Alcantara en San Pasquale Babylon. De beelden naast de sarcofaag verbeelden Kracht (links) en Rechtvaardigheid, terwijl Dood er bovenuit torent. Aan de andere kant wordt de sarcofaag vergezeld door Liefdadigheid en Voorzichtigheid.
In het linkertransept bevindt zich de door Giacomo Mola ontworpen Paluzzi-Albertoni-kapel, waar Bernini’s hierboven genoemde meesterwerk zich bevindt. Achter het beeldhouwwerk hangt een schilderij van Giovanni Battista Gaulli (Sint-Anna en de Maagd). Het hoofdaltaar (1746) toont een door Fra Diego da Careri gemaakt beeld van San Franciscus en een doek dat de Heilige Drie-eenheid verbeeldt en door Paris Nogari gemaakt is.
Het aanpalende klooster is te bezoeken via de sacristie, links van het hoogaltaar, waar men zich eerst moet melden. In het klooster vinden we de cel van Franciscus, oorspronkelijk een eenvoudige kloostercel. In 1603 werd het kamertje echter vergroot door de aangrenzende cel erbij te betrekken. In 1698 werd het geheel voorzien van een houten lambrisering en met barokke draperieën versierd. Uiteindelijk werd de cel een pronkjuweel van kerkelijke pracht en praal. Franciscus zou dat waarschijnlijk niet prettig hebben gevonden.
Achter een traliewerk in de rechtermuur wordt Franciscus’ hoofdkussen bewaard, namelijk een zwarte stenen blok. Het schilderij dat boven het altaar hangt werd waarschijnlijk nog tijdens Franciscus’ leven gemaakt en moet dus behoorlijk levensecht zijn. Het werk is van Margaritone (Margarito) d’Arezzo (1250-1290). Wat je hier ziet is een kopie, het origineel bevindt zich in de Pinacotheek in de Vaticaanse Musea. Aan weerszijden van het portret ziet men beroemde leden van de orde, we herkennen de heilige Antonius van Padua en Saint Louis de Toulouse.
Er is ook een ingenieuze reliekhouder, waarin met behulp van allerlei mechaniekjes talrijke heilige resten zichtbaar gemaakt kunnen worden, niet minder dan 18.000 in totaal. In de kloostertuin is een sinaasappelboom te zien waarvan gezegd wordt dat hij door de heilige Franciscus zou geplant zijn, dit in navolging van de heilige Dominicus (1170-1221), een tijdgenoot en ‘concurrent’ van Franciscus, die hetzelfde had gedaan in de tuin van de Santa Sabina op de Aventijn. Het feest van de heilige Franciscus valt op 4 oktober, niet per toeval ook Werelddierendag.
De Ionische zuil op het plein vóór de kerk is afkomstig van de ruines van Veii (Veio), een stad uit de negende eeuw v. Chr. die zich op een kleine 20 km ten noorden van Rome bevindt en die lange tijd het centrum van de Etruskische beschaving was. De zuil was in 1847 op Piazza di Francisco d’Assisi in Rome geplaatst in opdracht van paus Pius IX. De paus verontschuldigde zich bij de franciscaner paters over de geringe afmetingen van de zuil met de woorden: “Jawel, het is een kleine zuil, maar ook het plein is klein”.
San Francesco a Ripa
Piazza di San Francesco d’Assisi 88, Rome
www.sanfrancescoaripa.it
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 30 september 2019. Bekijk het origineel.

