Een reliekschrijn in de Case Romane

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Onder de kerk van de Santi Giovanni e Paolo, aan het gelijknamige plein, is het gelijkvloers ontdekt van enkele Romeinse woningen, gebouwd, verbouwd en verfraaid in de tweede tot vierde eeuw. Zij staan bekend als de Case Romane. De woonsite is gelegen aan het tempelplatform van keizer Claudius. Sinds 2002 zijn zij weer voor het publiek opengesteld. Het is tien minuten stappen vanaf het Colosseum.

In het midden van de vorige eeuw kwamen sommige archeologen tot de overtuiging dat hier in de tweede helft van de derde eeuw een christelijke huiskerk was ingericht en naar het einde van de vierde eeuw er de martelaren Johannes en Paulus (niet de apostelen) werden vereerd. Over de hypothese van de huiskerk en de ware toedracht van het martelarenverhaal ontstonden heel wat controverses. Naar het einde van de vorige eeuw toe is men een sterk verschillende hypohese over beide vraagstukken gaan ontwikkelen. De bewoners zouden wel christen geworden zijn maar van een huiskerk is geen sprake.

De chronologie van de twee visies stemmen grotendeels overeen. Het grote verschil betreft het ontstaan van de woonsite. In de eerste hypothese stonden aan de huidige Piazza SS. Giovanni e Paolo een herenhuis en een woonblok (insula) met winkels en woonvertrekken parallel met elkaar op een trapeziumvormig terrein, en dit in de tweede eeuw (vanaf de tijd van Hadrianus, 117-138). De woonsite ligt op een prestigieuze plek aan het tempelplatform van keizer Claudius.

Een nieuwe eigenaar heeft vanaf het midden van de derde eeuw beide woningen verbouwd tot één geheel. In het rechterdeel van het woonblok wordt mettertijd de eerste en tweede verdieping samengevoegd tot een grote zaal die zich over het herenhuis erachter uitstrekt. Het wordt een ruimte voor christelijke erediensten (na de vervolgingen van keizers Decius en Valerianus vanaf de jaren 250).

De andere vertrekken van het complex blijven woonruimten of worden dienstruimten. De winkels op het gelijkvloers verdwijnen in deze periode stilaan en krijgen een erg decoratieve opsmuk (zie verder). In de binnenkoer wordt een confessio ingericht, een kapelletje ter ere van de martelaren Johannes en Paulus. Het gehele veranderingsproces is gerealiseerd vóór het einde van de vierde eeuw.

Het ontstaan van de woonsite kent in de tweede hypothese een ander verloop. De eigenaar van het herenhuis (R-T) uit Hadrianus’ tijd neemt bijna de hele oppervlakte van het terrein binnen de trapeziumhoek in. Er staat niet parallel en gelijktijdig een woonblok. Pas tegen het einde van de tweede eeuw breekt hij zuidelijke delen van zijn woning af en bouwt een woonblok langs de Clivo di Scauro.

Er ontstaat een binnenkoer (A), niet overdekt zoals in vorige visie aangehaald, maar verbonden door een kruisgewelf ter hoogte van de eerste verdieping. Het gelijkvloers bevat winkels met vóór- en achterkamers (B-J) en twee verdiepingen woonkamers. De voorgevel grenst aan de Clivus Scauri (K-O) en heeft een portiek met zes boogvormige doorgangen.

De achterkamers van de winkels geven uit op de binnenruimte of cortile. Dit veronderstelt een connectie tussen de neringdoeners (winkeliers, ambachtslui, vrijgelatenen of slaven) en de eigenaar die de handelsruimten bouwde. Wie weet mochten zij ook de waterput gebruiken op de binnenkoer. De nieuwe realisatie was een bron van inkomsten. Het gebeurde in de tijd van de Severische keizers (193-235) wel meer. Ook in Ostia blijken dergelijke transformaties te zijn gebeurd. Was hij wegens economische omstandigheden ertoe gedwongen?

In de tweede helft van de derde eeuw doen zich nogmaals ingrijpende veranderingen voor, zoals ook gesteld in de vorige hypothese. De eigenaar bouwt een trap in de binnenkoer; op de eerste verdieping komen zijn private vertrekken. Er is geen sprake van een zaal ingericht voor christelijke erediensten!

De binnenkoer en de gelijkvloerse vertrekken krijgen een florissante decoratie, met een chronologisch verloop zoals in de vorige visie. De winkels verdwijnen. Eind derde eeuw bouwt de eigenaar twee nimfea (wandfonteinen) in de binnenkoer, een aan het westelijk uiteinde en een aan de wand tegenover de trap.

De eroten op het fresco, een zeetafereel, boven het grote nimfeum (naast kamer V) zijn aan het spelevaren. Zit daar in het midden de godin Proserpina of Venus? Iemand schenkt wijn in (Bacchus ?). In deze hypothese ziet men het Isola Sacra (Ostia) afgebeeld dat toegewijd was aan Venus, de beschermster van de zeevaarders. Het lijkt erop dat de eigenaar een viridarium wou aanleggen in zijn stadswoning: een ruimte met fonteinen, wanden beschilderd met waterpartijen, godentaferelen, groen, vogels,…

Dit idee wordt gesteund door de wandschildering in kamer B, eveneens van eind derde eeuw. Tien jonge figuren, waarschijnlijk twaalf, dragen een guirlande; zij symboliseren de maanden van het jaar. Zijn het efeben? Of zijn het de genii (beschermers) van de seizoenen? Eroten spelen hier niet in het rond maar halen de wijnoogst binnen. De opsmuk in deze kamer, vlakbij het fresco boven de wandfontein, versterkt het idee dat de binnenkoer als een viridarium fungeert.

Begin vierde eeuw krijgen ook de andere kamers een opsmuk, typisch voor hun tijd. Inlegwerk met veelkleurig marmer wordt op de wanden nageschilderd. De winkels worden dus helemaal teruggedrongen. Ook kamer D heeft een wand in nageschilderd marmer. De decoratie van de zoldering bleef nog grotendeels bewaard. De sfeer van het geheel is bucolisch, filosofisch, religieus. Er staan schapen en bokken, er zijn maskers afgebeeld. Een man zit te lezen, een andere heeft een schrijftafeltje vast.

De meest opvallende figuur is een orante, de handen biddend naar boven gericht. We kennen deze emblemen ook uit een christelijke context, b.v. op sarcofagen (Santa Maria Antiqua, rond 300). Maar deze beeldtaal is evenzeer gekend in een niet-christelijke context. De decoratie straalt de cultuur uit van de gegoede kringen. De eigenaar die deze kamer liet opsmukken was een gecultiveerd man, met een belangstelling voor filosofische en religieuze themata.

In kamer G is bovendien een muurschildering aanwezig met een apisstier, een Egyptische god, voorgesteld als een stier met een zonneschijf tussen de horens. Men acht het uitgesloten dat dergelijke afbeelding aanwezig is in een huis waarvan de eigenaar een christen zou kunnen zijn of in een huis waar een christelijke gemeenschap zijn erediensten viert.

Dat de eigenaar gevoelig is voor een religieus-filosofische thematiek blijkt hiermee nog eens duidelijk. Waar in de vorige hypothese de afbeelding van de orante doorslaggevend was om een christelijke aanwezigheid in het huis te verdedigen, is de apisstier nu een afdoend bewijs van het tegendeel.

Naar het einde van de vierde eeuw wordt een zogenaamde confessio ingericht. De trap in de middenkoer wordt na veertien treden onderbroken, op het niveau van het overspannend kruisgewelf, en een platform leidt naar een open ruimte van goed een vierkante meter. Deze bevindt zich bovenaan een schacht die zich vanaf het gelijkvloers verheft. Nu de trap daar wordt onderbroken is de familie waarschijnlijk terug gelijkvloers komen wonen.

Een confessio is in een kerk de ruimte onder het altaar waar zich het graf bevindt van een heilige (of de relikwieën), eventueel zichtbaar door een opening. Het is de geschikte plaats om de heilige te vereren, bekend om de belijdenis (= confessio) van het geloof. Maar is deze ruimte werkelijk een confessio? Er is geen altaar aanwezig of een graf waarvoor de gelovige op de knieën kan bidden. De opening bevindt zich op ooghoogte, niet onder een altaar of een graf.

Volgens deze hypothese lagen onderaan de schacht van de confessio geen martelaren begraven! De Passionisten waren bij hun opgravingen onder de kerk eind 19de, begin 20ste eeuw nochtans overtuigd dat zij hier de graven van de martelaren Johannes en Paulus gevonden hadden. Zij zouden hier in dit huis op bevel van keizer Julianus (361-363) de dood gevonden hebben omdat zij, omwille van hun christelijk geloof, geen dienst wilden nemen in zijn leger.

Men is nu de mening toegedaan dat in de opening een kast aanwezig was die relikwieën bevatte van drie heiligen die de marteldood waren gestorven. De bewoners van het huis mogen nu als christenen beschouwd worden. Zij beschikken over voldoende middelen om deze relikwieën aan te schaffen en daarvoor een private kapel aan te leggen.

In de loop van de vierde eeuw, na Constantijn (306-337) was deze praktijk bij welgestelde christelijke gelovigen in de mode gekomen. De vervolgingen waren voorbij en de martelarenverering kwam op gang. Het grote voorbeeld was keizerin Helena geweest (gestorven in 330), Constantijns moeder. Zij had in Jeruzalem het kruis van Christus gevonden en droeg in haar diadeem een van de nagels van het kruis.

De wandschilderingen worden nu in functie van deze relikwieën begrepen. Links en rechts van de opening in de achterwand staan twee mannelijke figuren (zonder hoofd) gekleed in tunica en pallium (mantel over tunica). Indien zij de martelaren Johannes en Paulus waren, de belangrijkste personen in de kapel, dan zou men hun afbeeldingen nooit hebben “onthoofd” later bij het oprichten van de kerk. Men mag eerder denken aan de apostelen Petrus en Paulus.

Centraal onder de opening staat een mannelijke orante. Deze figuur beeldt vaak een overledene uit, gekend om de toewijding aan het geloof, symbool van vroomheid. De orante is tevens een bemiddelende figuur voor de heilige(n) wier relikwieën in de kast zijn bewaard. Links en rechts buigt zich een echtpaar (man en vrouw des huizes?) diep in verering neer (proskynesis).

Bovenaan links worden twee mannen en een vrouw gearresteerd door militairen (zie de lederen beret). Voor de afbeelding aan de overkant volgt weer de interpretatie dat dit drie martelaren zijn, wiens relikwieën in het reliekschrijn bewaard zijn. Hun namen zijn onbekend.

Ooit werd een verklaring geopperd voor de naam Rufina die in de linkerwand van de kapel staat gegrift. Deze inscriptie doet denken aan de legende, uit de vijfde eeuw, van Cyprianus, Justina en Teoctistus. Een voorname dame, zij heette Rufinq, liet hun relikwieën uit Nicomedia (ten oosten van Constntinopel) naar Rome overbrengen en nabij de tempel van Claudius deponeren.

Op de rechterwand onderaan schrijden twee vrouwen naar voor, op de linkerwand twee mannen; één draagt een glazen bokaal als om een offer te brengen. Zijn het leden van het huis die zich bij de verering aansluiten? Het zijn leken in elegante kledij (rode chlamys), geen leden van de clerus. Deze ruimte is eerder een oratorium, een bidplaats, geen echte confessio.

De ruimte is klein, voldoende voor private verering, niet voor een veelvuldigheid van gelovigen en pelgrims. Het is de plaats van verering alleen door de leden van het huis. Ware het een plaats geweest door kerkelijke instanties ingericht, dan zou de naam van de heilige(n) bekend geweest zijn door een inscriptie. Meer nog, zoals het gebeurde in de derde en vierde eeuw, zou zich een depositio ad sanctos (begraving nabij heiligen) ontwikkeld hebben. Gelovigen waren er immers op uit na hun dood in de buurt van het graf van een heilige te liggen. Ook toen enkele decennia een basiliek geplaatst werd bovenop de confessio/bidkapel is dit niet gebeurd.

In de eerste helft van de vijfde eeuw (vanaf ca. 410) moesten de Case Romane immers plaats ruimen voor een basilica. Alleen het gelijkvloers bleef gespaard en ook de voorgevel bleef overeind, hij vormt nu de linkerbuitengevel langs de Clivo di Scauro. De relikwieën zijn niet bewaard gebleven en de namen van de heiligen waren vergeten. In het opschrift bovenaan de ingang van de oude basilica stond vermeld dat Christus er moest vereerd worden en dat de oprichter Pammachius was.

Deze Pammachius is in deze hypothese echter niet de vriend van Hiëronymus, de vertaler van de bijbel in het Latijn onder paus Damasus (366-384), zoals algemeen werd aangenomen. Deze Pammachius is een onbekende naamgenoot, waarschijnlijk de eigenaar van het huis, die in de eerste helft van de vijfde eeuw de kerk heeft gebouwd en heeft overgedragen aan de bisschop van Rome. Het is een gedurfde visie die nog meer bewijsvoering vraagt. Aanvankelijk stond de basilica bekend als de titulus Pammachii. Het zal nog enkele decennia duren vooraleer formeel de naam Basilica Santi Giovanni e Paolo verschijnt.

Na de samenvoeging van de Case Romane (uit tweede eeuw), waarin al of niet een huiskerk aanwezig was (derde eeuw), werd alleszins door de oprichting van de huiskapel het christelijke karakter duidelijk (vierde eeuw). De bouw van de basilica is een uniek voorbeeld van een titulus (begin vijfde eeuw). Later werd deze toegewijd aan de martelaren Johannes en Paulus (begin zesde eeuw). Een geschiedenis van vier eeuwen!

Dit is een bijdrage van clublid Toon Verhelst. Dit is deel III van een vijfdelige bijdrage over de Case Romane en de basilica Santi Giovanni e Paolo.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 16 april 2018. Bekijk het origineel.