De stad Rome gaat de hellingen van de Capitolijnse heuvel die uitkijken op het Theater van Marcellus renoveren, beveiligen en beter toegankelijk maken. Aan de voet van de heuvel bevindt zich een enorme blok tufsteen die het Terrazza Caffarelli – Belvédère en de Via di Villa Caffarelli letterlijk ondersteunt. De heuvel wordt omschreven als ‘geologisch kwetsbaar’ wat zorgwekkend is omdat er verschillende historische en archeologische restanten te vinden zijn, waaronder het Casa del Luparo, waarin zich destijds een levende wolvin en een adelaar bevonden. Dat gebruik werd pas in het midden van de twintigste eeuw stopgezet.
Dit deel van de Capitolijnse heuvel werd voor het laatst grondig gerenoveerd in de periode tussen 1929 en 1933. Van de enorme tufstenen blok die de basis vormt van de heuvel vielen regelmatig stenen en brokstukken naar beneden. Dat zou de komende jaren een probleem blijven. In de jaren ’60 van de vorige eeuw was de toestand onhoudbaar geworden en waren nieuwe en grote ingrepen nodig om de veiligheid te waarborgen. Dat gebeurde behoorlijk slordig. Sommige van die maatregelen zijn zelfs nog altijd zichtbaar.
De jongste jaren verloederde de toestand nog meer. Wandelpaden groeiden dicht met onkruiden struiken. Nog meer stenen kwamen los. De belabberde toestand van de stadskas van Rome zal er veel mee te maken hebben, maar de enige ingrepen die gebeurden waren het spannen van plastic waarschuwingslinten op plekken die niet meer toegankelijk waren en, als het echt niet anders kon, een veiligheidshek.
Het stadsbestuur heeft nu blijkbaar toch ingezien dat een dergelijke situatie op enkele tientallen meters van hun eigen stadhuis niet echt bevorderlijk is voor het imago van Rome. De omgeving wordt nu teruggbracht in de toestand zoals die in de jaren ’30 werd gecreëerd. Naast het aanpakken van de overwoekerde staat van de heuvel en het veiliger maken, zal de stad de onderliggende groene heuveltuinen vooral weer bruikbaar en toegankelijker maken voor bezoekers.
De reeds lang verlaten en verwilderde paden en de panoramische terrassen met uitzicht over het Teatro di Marcello worden weer in ere hersteld. Er worden zitbankjes geplaatst en er komt ook een nieuw verlichtingssysteem dat de archeologische en historisch-markante kenmerken van de heuvel benadrukt. De omgeving wordt ook toegankelijk voor rolstoelgebruikers. Het project kost 1,1 miljoen euro en wordt door de stad Rome betaald. De werkzaamheden moeten tegen het einde van 2020 voltooid zijn.
Het nieuwe restauratieproject van het stadsbestuur valt niet geheel toevallig samen met een soortgelijk plan waarbij de beroemde Tarpeïsche rots op de zuidelijke top van de Capitolijnse heuvel, met uitzicht op het Forum Romanum, zal worden hersteld. Ook dit deel van de heuvel en de rots zelf verkeren in behoorlijk slechte staat. De kostprijs van dit project wordt geraamd op 1,6 miljoen euro en wordt gesponsord door het modehuis Gucci.
Als je vanaf de Via Luigi Petroselli de Vico Jugario inloopt, zie je op een bepaald moment links boven je de flank van de legendarische Tarpeïsche rots of de Rupe Tarpea. Ja kan de rots situeren op de plaats waar (komende vanaf Piazza del Campidoglio aan de andere zijde) de Via Monte Tarpeo eindigt aan het begin van het Forum Romanum. Wat we vandaag beschouwen als de Tarpeïsche rots ligt aan de voet van de als parkeerruimte gebruikte Piazza della Consolazione, waar daar vlakbij, hoog boven een trap, de Santa Maria della Consolazione staat.
Ongetwijfeld zijn in de loop der eeuwen stukken van de oorspronkelijke rots weggehakt, afgevoerd als bouwmateriaal of gewoon om plaats te maken voor andere zaken. Welke ingrepen op stedenbouwkundig vlak er in het verleden in deze kernzone van de historische stad allemaal zijn gebeurd, valt helaas niet meer te achterhalen.
De Tarpeïsche rots (Saxum Tarpeium of Rupes Tarpeia) heeft in de geschiedenisboeken een beruchte plaats verworven. In de eerste eeuwen van Rome werden verraders of tegenstanders van deze rots geduwd om vele meters lager te pletter te vallen. Volgens de Romeinse Twaalftafelenwet kon men van de Tarpeïsche rots worden gegooid voor het afleggen van valse getuigenissen of als slaaf een diefstal te plegen.
Andere vergrijpen waarvoor men deze straf kon krijgen waren verraad tegenover de eigen meester, incest, het overlopen naar de vijand of vluchten, landverraad en incest als Vestaalse maagd. De uitvoering van de straf was in handen van tribunen of tribunen en consuls. De laatst bekende executie vond plaats in 43 na Chr., daarna werd deze straf afgeschaft.
Op 28 augustus 1872 besliste de gemeenteraad van Rome, onder leiding van burgemeester Pietro Venturi, om op de Capitolijnse heuvel in een speciale hut een levende wolvin als symbool van Rome te plaatsen. De kosten van het onderhoud voor het dier werden vastgesteld op 2.500 lire per maand. Voor het bewaken van de wolvin werd zelfs een conciërge ingehuurd. Het verblijf van de wolvin werd al gauw omschreven als het Casa del Luparo. De restanten zijn nog steeds te zien aan de Via Monte Caprino.
Het idee was echter niet nieuw, want het was niet de eerste keer dat het Romeinse stadsbestuur een levend dier als symbool voor de stad op de Capitolijnse heuvel tentoon stelde. I n het begin van de vijftiende eeuw bevond zich op het Capitool immers al een leeuw, destijds het symbool van de stad. Aan die traditie kwam abrupt een einde toen het beest op een zondagochtend in 1414 erin slaagde om te ontsnappen. In zijn zoektocht naar de vrijheid beet de leeuw verschillende kinderen dood, anderen werden verminkt.
Maar nu had Rome dus een echte, levende wolvin. Het dier werd onmiddellijk een attractie, vooral voor kinderen, die vaak even langsliepen om het dier onrustig heen en weer te zien lopen in de smalle, vochtige en donkere ruimte. Het toenmalige onrustige gedrag van de gekooide wolvin ligt aan de basis van de Romeinse zegswijze ‘me pari la lupa der Campidojo’, wat zoveel wil zeggen als ‘ik kan niet blijven stilz itten’ of ‘ik voel me rusteloos’.
In 1935 werd de wolvin tijdelijk verplaatst van zijn oude kooi langs de Cordonata naar een nieuw werblijf, ditmaal aan de voet van de Tarpeïsche rots. Deze kooi was ook uitgerust voor het verblijf van een ander symbool van Rome, de adelaar. De gebeurtenis haalde op 12 mei de cover van La Domenica del Corriere, een Italiaanse weekkrant die bestond van 1899 tot 1989 en destijds bijzonder populair was.
Het blad werd elke zondag gratis verspreid, samen met de Corriere della Sera, maar werd ook afzonderlijk verkocht in kiosken. La Domenica del Corriere werd vooral beroemd omwille van zijn fraaie omslagtekeningen in kleuren die zowat de hele geschiedenis van de Italiaanse samenleving in de eerste helft van de twintigste eeuw samenvatten.
De covers werden vele jaren getekend door Achille Beltrame (1871-1945) en na diens dood door Walter Molino (1915-1997). Beltrame verliet nooit zijn studio in Milaan maar wist, hoewel hij zijn onderwerpen nooit in het echt zag, vaak erg realistische tekeningen te maken die de gebeurtenissen goed weergaven.
De covers van het weekblad worden vandaag gezocht en verkocht op antiekmarkten en verhandeld via het internet. Ze leveren soms behoorlijk wat geld op. Omwille van de historische waarde zijn de oudste jaargangen van het blad (tot 1950) inmiddels volledig gedigitaliseerd en online raadpleegbaar .
Maar even terug naar onze wolvin en haar nieuwe vriendje de adelaar. Na verloop van tijd werden burgers zich steeds meer bewust van de erbarmelijke omstandigheden waarin deze dieren leefden. Toen op de avond van 28 juni 1954 een jonge wolvin van amper drie jaar stierf, brak de controverse over het houden van dieren op de Capitolijnse heuvel pas goed uit.
Marian Johnson, een Britse die al lange tijd in Rome woonde, schreef zelfs een open brief naar de Times om buitenlandse lezers ertoe aan te zetten het stadsbestuur te overtuigen om de dode wolvin niet te vervangen door een nieuw dier. Niet alleen gewone burgers schaarden zich aan de zijde van Johnson, maar ook de Giardino zoologico di Roma en de dierenbeschermingsvereniging l’Ente nazionale Protezione animali steunden het voorstel.
De toenmalige burgemeester Salvatore Rebecchini dacht echter heel anders over de kwestie en bleef bij het oude standpunt dat de wolvin en de adelaar nu eenmaal de symbolen van Rome waren en in levende lijve zichtbaar moesten zijn voor de burgers. Bovendien verwonderde de burgemeester zich over het feit dat niemand protesteerde tegen de vele dierentuinen in heel Europa waar ook talloze dieren in kooien gevangen zaten.
Dus arriveerde op 15 november toch weer een nieuwe (ditmaal mannelijke) wolf op het Capitool, al kreeg die wel een nieuwe en iets comfortabeler kooi. Toch zou een paar jaar later onder toenemende druk een einde komen aan het gebruik. Sindsdien staat de kooi leeg (foto boven), in de schaduw van een gigantische boom, een zogenaamde phytolacca dioica, beter bekend als ombú, die door prins Baldassarre Odeschalchi in 1911 vanuit Argentinië naar Rome werd gebracht.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 23 december 2019. Bekijk het origineel.

