Het barokke interieur van de Santa Francesca Romana al Palatino

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

We maakten in een vorige bijdrage kennis met de Santa Francesca Romana al Palatino, een kerk die ontstond als de Santa Maria Nova en werd ingebouwd in de ruïnes van de Romeinse tempel van Venus en Roma. Het interieur van de Santa Franceca Romana is nogal donker, maar wanneer de volledige verlichting is ingeschakeld, zoals tijdens een huwelijksplechtigheid, is deze kerk een pareltje van de barok. Ze glinstert dan van het goud en de vele kleuren marmer. Maar matige verlichting, in het halfduister, geeft ze een eerder besloten en wat stofferige indruk. Laat dat je echter niet afschrikken om ze even te bezoeken.

De vloer van de kerk bevat nog interessante stukken cosmatenwerk, let ook op het prachtige plafond. De zijhal, in feite de vestibule van de rechter (niet gebruikte) zijingang en zo in feite de tweede kapel rechts, bevat de graven van, rechts, kardinaal Marino Bulcani (overleden in 1394) en links van Antonio da Rido (of Rio) die commandant was van de Engelenburcht en de bevelhebber van de pauselijke wacht.

Deze laatste overleed in 1475. Het monument is wellicht een laat werk van de Napolitaan Mino del Reame, die actief was in Rome van 1460 tot 1480. Deze kunstenaar beitelde onder andere ook de linker toegangsdeur van de Nostra Signora del Sacro Cuoro op Piazza Navona, waar hij signeerde met ‘opus Mini’.

Aan het einde van de rechtermuur van het middenschip, net vóór de trappen die naar het hoogaltaar leiden, hangt een marmeren plaat die de abt herdenkt die hier kort na de Tweede Wereldoorlog werd beroofd en vervolgens gewurgd met zijn priestergewaad (violenta manus exstinxit). De rovers hadden zich aangediend onder het voorwendsel dat ze een mis wilden bestellen voor de recent geëxecuteerde Mussolini.

Tussen de trappen vinden we in de confessio een marmergroep van de heilige Francesca met een engel, in 1866 uitgevoerd door Giosuè Meli (1807-1893). We bestijgen de trap rechts.

In het rechter transept,voorbij de trappen, zien we tegen de achterwand het niet zo geslaagde grafmonument van Gregorius XI (1370-1378), een werk van architect en beeldhouwer Pietro Paolo Olivieri (1551-1599). Deze laatste door de Kerk officieel erkende Franse paus, werd geboren nabij Limoges. Hij maakte een denderende carrière. Op zijn zeventiende was hij reeds kardinaal dankzij zijn in de Auvergne begraven oom paus Clemens VI.

Toen hij door een bijna voltallig Frans conclaaf op zijn veertigste tot paus werd verkozen, was hij echter nog diaken. Hij werd dan ook onmiddellijk tot priester gewijd en daarna tot bisschop. Deze zevende Franse paus was een bekwame wetenschapper die zich enorm inzette voor de Kerk, maar hij had een zwakke gezondheid en een zwak karakter. Het grafmonument is een late dankbetuiging uit 1584 van de senaat en het volk van Rome aan deze paus die in 1377 voor een beperkte tijd de stoel van Petrus van Avignon naar Rome had teruggebracht.

Dit ondanks het verzet van zowel zijn vader, van de 21 Franse kardinalen en van de Franse koning. Zelfs zijn paard weigerde hem te dragen toen hij op 13 september 1376 in het zadel steeg om Avignon te verlaten. De terugkeer naar Rome, na een afwezigheid van zeventig jaar, was een gevolg van de aanhoudende verzoeken van Catharina van Siena. De paus werd in Rome evenwel niet op gejuich ontvangen en moest zich vlug in een klooster buiten de muren van de stad verschansen, waar hij op 27 maart 1378 teleurgesteld stierf. Hij was amper 48.

Op zijn sterfbed verklaarde hij hoe wanhopig hij zich voelde als hij eraan dacht dat hij geloof had gehecht aan de ‘voorspellingen van een vrouw’ en zich had laten ompraten om terug te keren naar de Eeuwige Stad. Gregorius XI had nog maar pas zijn ogen gesloten of alle acteurs kwamen in actie om mee te werken aan de intrige die zou uitlopen in het zogenaamde Westers Schisma, de periode van 1378 tot 1417 in de kerkgeschiedenis, waarin pausen en tegenpausen elkaar tegenwerkten.

In die periode waren er voortdurend twee pausen, één in Rome en één in Avignon. Het Westers Schisma was niet gebaseerd op theologie of enige doctrine. De oorsprong van deze crisis is te zoeken in de zogenaamde Babylonische ballingschap van de pausen (1309-1377) en de gevolgen hiervan voor het machtsevenwicht van de staten.

Het woord westers duidt aan dat het een scheuring betreft binnen de Kerk van de westerse wereld (de Rooms-Katholieke Kerk). Het Concilie van Konstanz maakte een einde aan dit schisma. Paus Gregorius XI werd na zijn dood door de Romeinen wel geprezen omdat hij de ‘ballingschap’ had beëindigd.

Het reliëf op zijn tombe stelt de paus voor onder een baldakijn tijdens zijn intocht in Rome langs de Porta San Paolo waar hij wordt opgewacht door ‘Rome’, hier gepersonifieerd door de godin Minerva. Catharina van Siena gaat voor hem uit. Achter de paus zie je de stoet van kardinalen. Aan de zijkanten bevinden zich de allegorische beelden van het Geloof en de Hoop. De vier zuilen werden in 1900 vervangen door antiek marmer.

Rechts van dit grafmonument, tegen de rechter buitenmuur, achter een traliehekje en boven de aanzet tot de trap die rechts naar de crypte leidt, bevinden zich twee merkwaardige basaltstenen afkomstig van de Via Sacra, de ‘silices apostolici’, de stenen van de apostel. Volgens de overlevering vertonen ze de knieafdrukken van de apostel Petrus. De bijhorende tekst vermeldt: ‘Op deze steen zette Petrus zijn knieën toen de duivel Simon de Magiër door de lucht droeg’.

Dat verwijst naar het verhaal uit de apocriefe ‘Handelingen van Petrus’. De apostel Petrus had in Rome een geduchte concurrent in Simon de Tovenaar, een magiër die actief was aan het hof van keizer Nero. Deze Simon wordt vermeld in de Handelingen der Apostelen 8: 9-24, we lezen: ‘Reeds vroeger had hij toverkunsten verricht en het volk van Samaria in verbazing gebracht’.

Toen deze Simon van Christus’ hemelvaart hoorde, beweerde hij dat hij daar net zo goed toe in staat was. In aanwezigheid van Nero sprong hij van het dak van de toenmalige tempel van Venus en Roma, de tempel waarin later de Santa Francesca Romana gebouwd werd. Tot ieders verbijstering bleef de man inderdaad zweven.

Pas toen Petrus de hemel aanriep met de woorden: ‘Laat hem vallen Heer, breek zijn benen op drie plaatsen om die zondige hoogmoed te verijdelen’, stortte Simon te pletter bij de huidige Santi Cosma e Damiano. Niet enkel waren zijn benen gebroken, maar de man was goed en wel dood. Volgens de overlevering zou de de ‘moord’ op Simon de Tovenaar één van de doorslaggevende argumenten geweest zijn om Petrus daarna ter dood te veroordelen.

Rechts van de knieafdrukken daalt een trap naar de crypte onder de confessio, een vroeg ontwerp van Bernini. We vinden er in een glazen schrijn de resten van de heilige Francesca. Tot vóór enkele jaren was de inhoud van het schrijn slechts te zien op de negende dag van elke maand.

De glazen kist wordt eenmaal per eeuw geopend om de kleren van de dode heilige, een wit tulen gewaad en pantoffels, te vernieuwen. De heilige stierf in 1440, de eerstvolgende keer dat Francesca nieuwe kleren krijgt zal dus in 2040 zijn. Nog even geduld dus. Tegenover het schrijn zien we een zeventiende-eeuws basreliëf met een visioen van Francesca met haar engelbewaarder.

We keren terug naar de apsis, ter hoogte van het hoogaltaar. In de antieke apsisboog van de tempel van Venus en Roma bevindt zich in de concha een mozaïek, waarvan de plaatsing werd beëindigd in 1161. Tijdens de twaalfde eeuw kenmerkte de mozaïekkunst zich door een zeker eclecticisme, zoals blijkt uit de combinatie van de klassieke kleurenrijkdom met de starre Byzantijnse figuren.

Het geheel toont ons de ‘Tronende Maria met het Kind omgeven door vier heiligen, Petrus en Andreas, Johannes en Jacobus’. Opmerkelijk: voor het eerst staat het Kind op Zijn moeders knie. Ook merkwaardig is dat de oosterse troon met liervormige rugleuning van hetzelfde type is als op de negende-eeuwse fresco’s in de Santa Maria Antiqua op het Forum Romanum.

Stilistisch kan het mozaïek in de stroming worden geplaatst die begon met het mozaïek van de San Clemente uit 1130 en van de Santa Maria in Trastevere uit 1135. Met dit laatste werk vertoont het bovendien de meeste overeenkomsten, al is het mozaïek in de Santa Francesca merkelijk zwakker. Hoogstwaarschijnlijk werden deze drie apsismozaïeken in hetzelfde atelier in Campanië vervaardigd. Let ook op de mooi geschakeerde hemel. Misschien krijgt deze concha van de bezoeker te weinig aandacht vergeleken met andere apsismozaïeken. In de Santa Francesca Romana is er geen met mozaïeken versierde triomfboog.

Links en rechts van de apsis staan engelen uit de school van Bernini. In een houten tabernakel onder het apsis-mozaïek is een Lukasicoon te zien met een ‘Madonna met Kind’. Het zou door Angelo Frangipane vanuit Palestina naar Rome gebracht zijn. Onderzoek leerde dat het hoogstwaarschijnlijk een Toscaans werk uit de twaalfde eeuw is.

Tijdens de achttiende en de negentiende eeuw was dit icoon helemaal in de vergetelheid geraakt. Pas in 1949 kwam het weer te voorschijn maar als palimpsest. Pietro Tedeschi (1750-1808) had er omstreeks 1800 niets beter op gevonden dan er een ander werk overheen te schilderen.

Bij de restauratie kwam niet alleen het twaalfde-eeuwse icoon terug tevoorschijn, maar ontdekte men daaronder nogmaals een ander icoon, een Madonna met Kind. Het dateert vermoedelijk uit de zevende eeuw en is misschien wel afkomstig uit de Santa Maria Antiqua. Dit werk hangt nu in de sacristie waarvan de toegang zich uiterst links bevindt ten opzichte van het hoogaltaar.

In een boek van de bekende Duitse kerkhistorica Eva-Maria Jung-Inglessis (1920-2007) en in een publicatie van Mario Lucentini (2006) wordt het originele icoon zelfs beschouwd als vijfde-eeuws. In dat geval zou het de oudste gekende geschilderde voorstelling van Maria zijn. Het is hoe dan ook één van de oudste nog bestaande christelijke schilderijen.

Het is bovendien een uniek voorbeeld van vroegchristelijke kunst. Het is namelijk een encaustisch paneel, een techniek waarbij werd geschilderd met in hete bijenwas opgeloste kleurstoffen. De techniek heeft een veel langere traditie dan die van olieverf. Ze beleefde haar hoogdagen in de kunst van de Grieks-Romeinse oudheid. Het woord al meer dan twee en een halve millennia gebruikt en is afgeleid van het Griekse enkauston ingebrand. Let op de donkere ogen van de Madonna die ongetwijfeld veel hebben gezien en zoveel te vertellen hebben indien deze figuur tot leven zou kunnen worden gewekt.

Nog in de sacristie bevinden zich fragmenten van middeleeuwse fresco’s. Boven de deur hangt een aan Perino del Vaga (1500-1547) toegeschreven schilderij dat de Engelse humanistische geleerde Reginald Pole (1500-1558) toont in gesprek met paus Paulus III.

Pole was een neef van Hendrik VIII, zijn moeder was Margaret Pole, de laatste rechtstreekse Plantagenet. Reginald Pole onderhield nauwe contacten met humanisten zoals Hugh Latimer, Pietro Bembo, Erasmus, Thomas More en anderen. Reginald Pole werd in 1536 kardinaal, onder andere omdat hij een boek had geschreven waarin hij de huwelijkspolitiek van Hendrik VIII veroordeelde. Dat had hij beter niet gedaan, want zijn volledige familie werd door de Engelse koning uitgemoord.

Pole was het niet eens met de Engelse koning, die zich in 1533 liet scheiden van Catharina van Aragon om te kunnen huwen met Anna Boleyn. Ook deze laatste heeft niet veel plezier beleefd aan Hendrik VIII: drie jaar later werd ze onthoofd.

Santa Francesca Romana al Palatino
Piazza di Santa Francesca Romana 4, Rome
Praktische informatie

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 21 december 2019. Bekijk het origineel.