Het einde van de Romeinse republiek

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Toen Julius Caesar op een donkere ochtend in januari met zijn leger het grensriviertje de Rubicon overstak, onder het uitspreken van de beroemde woorden ‘de teerling is geworpen’, ontketende hij één van de grootste burgeroorlogen uit de geschiedenis. Auteur Tom Holland vertelt ons in zijn nieuwe boek het spannende verhaal van de val van de Romeinse republiek, beginnend bij de periode waarin de latere hoofdpersonen opgroeien: Caesar, Cicero, Cleopatra, Brutus, Pompeius, Augustus en vele anderen. De beroemde hoofdpersonen komen schitterend tot leven, met al hun goede en slechte eigenschappen. Tom Hollands boek leest als een roman en werd ogenblikkelijk een bestseller in Engeland, maar ook in vele andere landen.

Tom Holland (1970) bewerkte Herodotus, Homerus, Thucydides en Vergilius voor de BBC. Behalve Rubicon schreef hij onder meer Persian Fire. The First World Empire and the Battle for the West, dat ook al meteen in de bestsellerlijsten terechtkwam.

Titel: RVBICON
Subtitel: Het einde van de Romeinse republiek
Auteur: Tom Holland
Uitvoering: paperback, 384 bladzijden
ISBN: 90 253 2051 1
Prijs: 19.95 euro
Uitgever: Athenaeum-Polak & Van Gennep

Voor de geïnteresseerden:

Hierna lees je het integrale en boeiende voorwoord uit het boek:

10 januari, het zevenhonderdvijfde jaar sinds de stichting van Rome, het negenenveertigste voor de geboorte van Christus. De zon was allang ondergegaan achter de Apennijnen. In het donker stond een groep soldaten van het 13de Legioen in volle marsorde opgesteld. Het was een bitter koude nacht, maar deze mannen waren extreme omstandigheden wel gewend. Acht jaar lang hadden ze de gouverneur van Gallië gevolgd op zijn veldtochten, de ene nog bloederiger dan de andere, door sneeuw, door zomerse hitte en naar de uiteinden van de wereld. Nu waren ze teruggekeerd uit de barbaarse woestenij van het noorden en stonden ze stil voor een heel ander soort grens. Voor hen stroomde een smal riviertje.

Aan de kant van de legionairs bevond zich de provincie Gallië; aan de overkant Italië en de weg die naar Rome leidde. Maar door die weg in te slaan zouden de soldaten van het 13e Legioen een dodelijk vergrijp plegen. Ze zouden daarmee niet alleen de grenzen van hun eigen provincie overschrijden, maar ook de meest onverbiddelijke wetten van het Romeinse volk schenden. In feite zouden ze er een burgeroorlog mee ontketenen. Maar dat was een ramp waartegen de legionairs, getuige het feit dat ze naar de grens waren opgerukt, zich al terdege hadden geharnast. Terwijl ze stonden te stampen om warm te blijven, wachtten ze op het teken van de trompetters om tot actie over te gaan. Om hun wapens te schouderen, om op te trekken – om de Rubicon over te steken.

Maar wanneer zou het bevel gegeven worden? Vaag hoorden ze in het nachtelijk duister het ruisen van de rivier, die gezwollen was door de sneeuw uit de bergen, maar nog steeds geen trompetgeschal. De soldaten van het 13e spitsten hun oren. Ze waren niet gewend te moeten wachten. Normaal gesproken sloegen ze, als er een veldslag dreigde, bliksemsnel toe. Hun generaal, de gouverneur van Gallië, was een man die geroemd werd om zijn daadkracht, snelheid en overrompelingstactiek. Bovendien had hij hun die middag nog opdracht gegeven de Rubicon over te steken. Dus waarom waren ze plotseling tot stilstand gebracht, nu ze eindelijk bij de grens waren aangekomen? In het donker konden slechts weinigen hun generaal ontwaren, maar zijn stafofficieren, die zich om hem heen hadden verzameld, zagen hoe hij verscheurd werd door twijfel. In plaats van zijn mannen een teken te geven om verder te gaan staarde Gaius Julius Caesar in het troebele water van de Rubicon en zweeg. En zijn gedachten dreven op de stilte.

De Romeinen hadden een woord voor zo’n moment. Discrimen noemden ze het – een ogenblik van hachelijke en ondraaglijke spanning, wanneer alles wat iemand in een heel leven heeft bereikt aan een zijden draadje hangt. De carrière van Caesar was, zoals bij iedere Romein met grote ambities, een opeenvolging van dergelijke beslissende momenten geweest. Keer op keer had hij zijn toekomst in de waagschaal gesteld – en keer op keer was hij triomferend uit de strijd gekomen. Dat was in de ogen van de Romeinen hét kenmerk van een echte man. Maar het dilemma waarvoor Caesar zich aan de oever van de Rubicon gesteld zag was ongekend lastig, temeer daar het voortvloeide uit zijn eerdere wapenfeiten. In minder dan tien jaar tijd had hij achthonderd steden, driehonderd stammen en heel Gallië tot overgave gedwongen.

Toch kon overmatig succes voor de Romeinen behalve een reden tot vreugde ook een reden tot zorg zijn. Ze waren tenslotte burgers van een republiek en dat één iemand alle anderen voortdurend in de schaduw stelde was ontoelaatbaar. Caesars vijanden, afgunstig en bevreesd, hadden al geruime tijd alles in het werk gesteld om hem zijn gezag te ontnemen. Nu, in de winter van 49, waren ze er ten langen leste in geslaagd hem in een hoek te drijven. Voor Caesar was eindelijk het moment van de waarheid aangebroken. Of hij kon zich onderwerpen aan de wet, zijn gezag afstaan en het einde van zijn carrière onder ogen zien, of hij kon de Rubicon oversteken.

‘De teerling is geworpen.’* [Meestal in het Latijn geciteerd – alea iacta est – maar in feite plagiaat op de Atheense toneelschrijver Menander, en door Caesar in het Grieks gezegd. Zie Plutarchus, Pompeius, 60 en Caesar, 32.]

Alleen als gokker, meegesleept door de passie van een gokker, kon Caesar zichzelf er ten slotte toe bewegen zijn soldaten opdracht te geven om op te trekken. De inzet was te hoog gebleken voor een rationele afweging, de uitkomst te onvoorspelbaar. Caesar wist dat hij door Italië binnen te vallen een wereldoorlog riskeerde, want zoveel had hij zijn mannen al toevertrouwd, en hij huiverde bij de gedachte. Maar ondanks zijn vooruitziende blik kon zelfs Caesar niet bevroeden wat de precieze gevolgen van zijn besluit zouden zijn. Naast ‘beslissend moment’ had discrimen nog een betekenis: ‘scheidslijn’. Dat was in alle opzichten wat de Rubicon zou blijken te zijn. Door deze rivier over te steken stortte Caesar de wereld inderdaad in een oorlog, maar tevens droeg hij bij aan de vernietiging van de eeuwenoude vrijheden van Rome, en maakte hij indirect mogelijk dat op hun puinhopen een monarchie werd gesticht – gebeurtenissen die van cruciaal belang waren voor de geschiedenis van het Westen.

Lang nadat het Romeinse rijk zelf ten onder was gegaan zouden de tegenstellingen die door de Rubicon waren gesymboliseerd – vrijheid en despotisme, anarchie en orde, republiek en autocratie – nog steeds tot de verbeelding van Romes opvolgers spreken. Al was de rivier dan maar een onbekend stroompje – zo onbeduidend dat de exacte ligging ervan niet meer bekend is – toch kent iedereen nog zijn naam. Geen wonder. Caesars oversteek van de Rubicon was zo’n beslissende gebeurtenis dat zij spreekwoordelijk is geworden voor elke beslissende stap die sindsdien ooit genomen is.

Een tijdperk in de geschiedenis werd hiermee afgesloten. Ooit waren er verspreid over het hele Middellandse Zeegebied vrije steden geweest. In de Griekse wereld, en ook in Italië, werden die steden bewoond door mensen die zichzelf niet zagen als de onderdanen van een farao of een koning der koningen, maar als burgers, en die zich vol trots beroemden op de verworvenheden die hen van slaven onderscheidden: vrijheid van meningsuiting, privébezit en gelijke rechten voor de wet. Maar geleidelijk aan werd met de opkomst van nieuwe rijken, eerst dat van Alexander de Grote en zijn opvolgers, en toen dat van Rome, de onafhankelijkheid van dergelijke burgers overal in de kiem gesmoord. In de eerste eeuw v.Chr. was er nog maar één vrije stad over, en dat was Rome zelf. En toen
stak Caesar de Rubicon over, stortte de Republiek ineen en waren er helemaal geen vrije steden meer.

Het gevolg was dat er een einde kwam aan duizend jaar burgerlijk zelfbestuur, en het nog eens duizend jaar zou duren voordat dit opnieuw verwezenlijkt zou worden. Sinds de renaissance zijn er vele pogingen gedaan de Rubicon in omgekeerde richting te doorwaden, terug te keren naar de overzijde en de autocratie achter te laten. De Engelse, Amerikaanse en Franse revolutie waren stuk voor stuk geïnspireerd door het voorbeeld van de Romeinse Republiek. ‘Vooral als het gaat om rebellie tegen de monarchie,’ klaagde Thomas Hobbes, ‘is een van de vaakst voorkomende oorzaken het lezen van boeken over de politiek en geschiedenis van de oude Grieken en Romeinen.’

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de wenselijkheid van een vrije republiek de enige les was die uit de drama’s van de Romeinse geschiedenis kon worden getrokken. Het was tenslotte niemand minder dan Napoleon die van consul keizer werd, en gedurende de negentiende eeuw was de meest gebruikelijke term voor een bonapartistisch regime ‘cesarisme’. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, toen republieken overal ineen leken te storten, waren degenen die stonden te juichen over hun ondergang de eersten om te wijzen op parallellen met de doodsstrijd van hun antieke voorganger. In 1922 creëerde Mussolini met opzet de mythe van een heroïsche, Caesarachtige mars op Rome. En hij was niet de enige die geloofde dat er een nieuwe Rubicon was overgestoken. ‘Het bruine hemd had waarschijnlijk niet bestaan zonder het zwarte hemd,’ erkende Hitler later. ‘De mars op Rome was een van de keerpunten in de geschiedenis.’

Met het fascisme bereikte een lange traditie in de westerse politiek haar climax en liep vervolgens ten einde. Mussolini was de laatste wereldleider die geïnspireerd werd door het voorbeeld van het oude Rome. De fascisten hadden natuurlijk hun hart opgehaald aan de combinatie van wreedheid, arrogantie en staal, maar tegenwoordig zijn zelfs de nobelste idealen van deze stad, de idealen van actief burgerrecht waar ooit Thomas Jefferson zo door geroerd was, uit de mode. Te streng, te humorloos, te sterk geassocieerd met koude douches. In ons agressief postmoderne tijdperk is niets zo’n afknapper als het klassieke. De Romeinen als helden vereren is zo vreselijk negentiende-eeuws.

We zijn bevrijd, zoals John Updike het ooit zei, ‘van al die benauwende antieke Romeinse waarden’. Eeuwenlang werden ze beschouwd als inspiratiebron voor onze hedendaagse burgerrechten, maar nu niet meer. Weinig mensen staan stil bij de vraag waarom, in een werelddeel waarvan de antieken zich geen voorstelling hadden kunnen maken, een tweede senaat op een tweede Capitolijnse heuvel zou moeten zetelen. Het Parthenon zien wij in onze verbeelding nog steeds in volle glorie schitteren, maar het Forum heeft zijn glans bijna geheel verloren.

En toch vleien we onszelf, in de democratieën van het Westen, als we onze wortels alleen op Athene terugvoeren. We zijn ook de erfgenamen, zowel in positieve als in negatieve zin, van de Romeinse Republiek. Was de titel niet al vergeven, dan zou ik dit boek Burgers hebben genoemd – want zíj zijn de hoofdrolspelers, en de tragedie van de val van de Republiek is hún tragedie. Ook het Romeinse volk werd de antieke deugden uiteindelijk beu en verkoos de gemakken van comfortabele slavernij en vrede. Liever brood en spelen dan eindeloze bloedige oorlogen. Zoals de Romeinen zelf erkenden, had hun vrijheid de kiemen van haar eigen ondergang bevat. Een bespiegeling die genoeg aanleiding was voor veel somber gemoraliseer onder het bewind van een Nero of een Domitianus. En ook in de daaropvolgende eeuwen heeft ze nooit haar onthutsende effect verloren.

Door te stellen dat de Romeinse vrijheid ooit meer was dan een hoogdravende schijnvertoning wil ik natuurlijk niet beweren dat de Republiek op enig moment een paradijs van sociale democratie was. Dat is ze nooit geweest. Vrijheid en maatschappelijke gelijkheid waren voor de Romeinen heel verschillende dingen. Alleen dwangarbeiders waren werkelijk aan elkaar gelijk. Voor een burger was de essentie van het leven competitie, en waren rijkdom en kiezersstemmen de erkende maatstaven voor succes. Daarbij kwam natuurlijk dat de Republiek een supermacht was, met een reikwijdte en overwicht die volstrekt nieuw waren in de westerse geschiedenis. Toch doet dit alles –als het al wordt toegegeven – niets af aan de relevantie van de Republiek voor onze eigen tijd. Integendeel, zou je kunnen zeggen.

Neem alleen al het feit dat de vergelijking van Rome met de huidige Verenigde Staten sinds ik ben begonnen dit boek te schrijven al bijna een cliché is geworden. Voor de historicus is de ervaring ingehaald te worden door actuele ontwikkelingen gebruikelijker dan men zou denken. Het is vaak zo dat periodes die eerst vreemd en ver weg leken plotseling verontrustend scherp in beeld komen. Vooral de klassieke wereld, die zo op de onze lijkt en toch zo volslagen anders is, heeft altijd dat caleidoscopische karakter gehad. Enkele tientallen jaren geleden, aan het eind van de jaren dertig, zag Ronald Syme, de grote classicus uit Oxford, in de manier waarop de Caesars aan de macht kwamen een ‘Romeinse revolutie’, een voorafspiegeling van het tijdperk van de fascistische en communistische dictators.

Rome is dus altijd geïnterpreteerd en geherinterpreteerd in het licht van de troebelen der wereld. Syme stond in een lange en eerbiedwaardige traditie die helemaal terugging op Machiavelli, die uit de geschiedenis van de Republiek lering had getrokken voor zijn eigen geboortestad Florence en voor die naamgenoot van de vernietiger van de Republiek, Cesare Borgia. ‘Voorzichtige mannen zeggen gewoonlijk – en dat doen ze niet onbezonnen of zonder goede redenen – dat hij die vooraf wil zien wat er komen gaat moet kijken naar wat al geweest is, want alles wat er op enig moment in de wereld gebeurt, vertoont een zuivere gelijkenis met wat er in de oudheid is gebeurd.’ In sommige periodes heeft deze stelling misschien bizar geklonken, maar niet in alle – en zeker niet in de huidige tijd.

Rome was de eerste en – tot voor kort – enige republiek die zich ooit heeft opgewerkt tot de status van wereldmacht, en het is inderdaad moeilijk een episode in de geschiedenis te noemen die de onze een intrigerender spiegel voorhoudt. En het zijn niet alleen de grove contouren van de geopolitiek, globalisering en pax Americana die we, zij het vaag en vervormd, in het glas kunnen ontwaren. Ook onze bevliegingen en obsessies, van koikarpers tot televisiekoks, roepen bij de geschiedschrijver van de Romeinse Republiek onvermijdelijk een zeker gevoel van déjà vu op.

Toch kunnen parallellen bedriegen. De Romeinen leefden vanzelfsprekend onder omstandigheden – fysieke, emotionele en intellectuele – die totaal verschilden van de onze. Aspecten van hun beschaving die ons herkenbaar toeschijnen zijn dat in sommige gevallen ook – maar niet altijd. In feite zijn de Romeinen vaak het vreemdst wanneer ze het gewoonst lijken. Een dichter die treurt over de wreedheid van zijn maîtresse, of een vader die zijn dode dochter beweent, ze lijken rechtstreeks tot ons te spreken over iets onvergankelijks in de menselijke natuur, en toch, hoe bizar, hoe onuitsprekelijk bizar zouden wij de opvattingen van een Romein over seksuele relaties of het familieleven vinden.

Hetzelfde geldt voor de waarden waaruit de Republiek is voortgesproten, de verlangens van haar burgers, hun rituelen en hun gedragscodes. Wie die begrijpt, kan ook veel van wat wij verafschuwen aan de Romeinen, daden die in onze ogen overduidelijk crimineel zijn, misschien niet vergeven, maar toch in elk geval beter begrijpen. Het bloedvergieten in een arena, de verwoesting van een grote stad en de verovering van
de wereld – ze kunnen in de visie van de Romeinen als roemrijke prestaties worden beschouwd. Alleen door in te zien waarom kunnen we hopen de Republiek zelf te doorgronden.

Het is natuurlijk een gevaarlijke en haast onmogelijke onderneming te proberen inzicht te krijgen in de denkwereld van een lang vervlogen tijdperk. Maar het geval wil dat de laatste twintig jaar van de Republiek de best gedocumenteerde in de Romeinse geschiedenis zijn, met wat voor de classicus een rijkdom aan bewijsmateriaal is: toespraken, memoires en zelfs privécorrespondentie. Maar zelfs die blinken alleen maar als gouden schatten dankzij het feit dat ze tegen zo’n diepe duisternis afsteken.

Misschien zal op een dag, wanneer de documenten van de twintigste eeuw even schaars zijn geworden als die van het oude Rome, een geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog worden geschreven die uitsluitend berust op de propaganda van Hitler en de memoires van Churchill. Zij zal hele dimensies aan ervaringen ontberen: geen brieven van het front en geen dagboeken van strijders. De stilte zal er een zijn waarmee de oudhistoricus maar al te bekend is, want, om de woorden van Shakespeares Fluellen te verdraaien, ‘in het kamp van Pompeius wordt gekwebbeld noch gebabbeld’. En evenmin in de hut van de boer, in het krot van de achterbuurtbewoner, of in de barak van de lijfeigene. Van vrouwen kan weliswaar zo nu en dan iets worden opgevangen, maar alleen van vrouwen uit de hoogste kringen, en dan steevast wanneer hun woorden – al dan niet correct – zijn aangehaald door een man. In de Romeinse geschiedenis details proberen te vinden over iemand buiten de heersende klassen is een speld in een hooiberg zoeken.

Zelfs de beschrijving van grote gebeurtenissen en bijzondere mannen, hoe ogenschijnlijk indrukwekkend ook, is in feite een armzalige bouwval, als een aquaduct op de Campagna, dat boog na boog het landschap doorkruist om plotseling in het open veld te eindigen. De Romeinen zelf hebben altijd gevreesd dat dit hun lot zou zijn. Zoals Sallustius, hun eerste grote geschiedschrijver, het formuleerde: ‘Het lijdt geen twijfel dat Fortuna de meesteres is van alles wat zij overschouwt en het voortbrengsel van haar eigen grillen; ze besluit de faam van de ene man wijd en zijd te verspreiden, terwijl ze die van een ander in het duister houdt, zonder de omvang van wat beiden bereikt hebben in aanmerking te nemen.’

Ironisch genoeg zou het lot dat zijn eigen geschriften beschoren was deze bittere bespiegeling illustreren. Als volgeling van Caesar schreef Sallustius een geschiedenis van de jaren die onmiddellijk voorafgingen aan het moment waarop zijn patroon de macht greep, een boek dat door zijn lezers unaniem als standaardwerk werd geprezen. Was het bewaard gebleven, dan zouden we een eigentijds verslag hebben gehad van een periode van tien jaar, van 78 tot 67 v.Chr., die rijk was aan beslissende en dramatische gebeurtenissen. In plaats daarvan zijn er van Sallustius’ meesterwerk slechts enkele fragmenten over. Op grond daarvan kan, met behulp van andere informatie, nog steeds een verhaal worden gereconstrueerd – maar wat verdwenen is, kan nooit meer hersteld worden.

Geen wonder dat classici altijd bang zijn te dogmatisch te klinken. Wie één zin over de antieke wereld schrijft, is onmiddellijk geneigd er een kanttekening bij te plaatsen. Zelfs als er een overvloed aan bronnen is, duiken overal onzekerheden en discrepanties op. Neem bijvoorbeeld de beroemde gebeurtenis waar dit boek zijn titel aan ontleent. Dat de oversteek plaatsvond zoals ik het beschreven heb, is waarschijnlijk, maar beslist niet zeker. Er is een bron die ons vertelt dat de Rubicon na zonsondergang werd doorwaad. Andere bronnen impliceren dat de voorhoede al in Italië was toen Caesar zelf bij de oever van de rivier aankwam. Zelfs de datum kan alleen worden afgeleid uit andere gebeurtenissen. Een wetenschappelijke consensus heeft zich gevormd rond 10 januari, maar voor elke dag tussen de tiende en de veertiende zijn argumenten aangedragen – en daarbij komt dat wat de Romeinen januari noemden dankzij de grillen van de pre-juliaanse kalender in feite onze maand november was.

Om kort te gaan, de lezer moet als vuistregel hanteren dat veel feitelijke beweringen in dit boek op aannemelijke wijze kunnen worden tegengesproken door iemand met een tegenovergestelde interpretatie. Dit is niet, haast ik me te zeggen, een poging om me in te dekken. Het is eerder een noodzakelijk voorbericht bij een verhaal dat samengesteld is op grond van losse brokstukken, maar op zo’n manier dat al te opvallende naden en voegen verborgen zijn. Dat het mogelijk is dit te doen, dat er inderdaad een samenhangend verhaal gedestilleerd kan worden uit de gebeurtenissen rondom de val van de Republiek, heeft deze periode voor oudhistorici altijd zo aantrekkelijk gemaakt.

Ik zie beslist geen reden voor een verontschuldiging. Na langdurig uit de gratie te zijn geweest is narratieve geschiedschrijving nu weer helemaal in de mode – en zelfs al zou ze, zoals velen hebben beweerd, alleen kunnen functioneren door de willekeurige gebeurtenissen van het verleden in een kunstmatige mal te gieten, dan hoeft dat op zich geen nadeel te zijn. Sterker nog, het kan ons helpen dichter bij de denkwereld van de Romeinen zelf te komen. Welke burger zag zichzelf immers niet als de held van zijn eigen geschiedenis? Dat was een instelling die sterk heeft bijgedragen tot de rampspoed van Rome, maar anderzijds heeft het epos van de val van de Republiek er ook zijn buitengewoon sensationele en heroïsche karakter aan te danken.

Nog geen generatie na de gebeurtenis schudden de mensen al vol verwondering hun hoofd, verbaasd over het bestaan van zo’n tijd, van zulke giganten. Nog geen halve eeuw later riep de lofredenaar van keizer Tiberius, Velleius Paterculus, al uit: ‘Het lijkt een haast overbodige taak om de aandacht te vestigen op een tijd waarin mannen van zo’n uitzonderlijk kaliber leefden’ – om er prompt een boek over te schrijven. Zoals alle Romeinen wist hij dat het talent van zijn volk bij uitstek in actie, in grote daden en opmerkelijke prestaties het meest glorieus tot zijn recht was gekomen. Dit talent kon dan ook het best begrepen worden wanneer het in een verhaal werd gegoten.

Meer dan tweeduizend jaar na de val van de Republiek doet het ‘uitzonderlijk kaliber’ van de mannen – en vrouwen – die in dat drama een hoofdrol speelden ons nog steeds versteld staan. Maar hetzelfde geldt voor de Romeinse Republiek. Al is die dan misschien minder bekend dan een Caesar, of een Cicero, of een Cleopatra, ze is opmerkelijker dan wie ook. Er is veel wat we nooit over haar zullen weten, maar er is ook veel wat opnieuw tot leven geroepen kan worden: haar burgers, die half tevoorschijn komen uit het antieke marmer, hun gezichten verlicht door een schijnsel van goud en vuur, de schittering van een vreemde en tegelijk soms griezelig bekende wereld.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 3 februari 2007 op het Romenieuws-archief.