Het graf van de ontdekker van de Laöcoongroep

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

We bevinden ons nu al meer dan een week in de Santa Maria in Aracoeli. Schuin voor de toegang naar de sacristie (een winkeltje) staat een rond tempeltje dat oorspronkelijk dateert uit 1602, maar dat na de verwoesting door de Franse troepen in het begin van de negentiende eeuw heropgericht werd. Dit is de plaats waar keizer Augustus kort voor zijn dood een altaar opstelde gewijd aan de Zoon van God, de ‘ara coeli’ of het hemelse altaar.

Paus Innocentius II (1130-1143) liet boven deze plaats de relieken van de heilige Helena (248-329) plaatsen, de moeder van Constantijn I (de Grote). De overblijfselen van deze heilige hadden toen al een lange zwerftocht achter de rug. Ze rusten in de purperen sarcofaag (nu altaar) onder de achthoekige koepel. Op het tempeltje en de reislust van de relieken van Helena komen we eerstdaags nog even terug.

Vóór het ronde tempeltje, ter hoogte van de drie trappen in de linker zijbeuk, bevindt zich onderaan tegen de zijmuur het graf van Felice de Fredis die beroemd werd door op 14 januari 1506 de Laöcoongroep te vinden tijdens het omspitten van zijn wijngaard, niet ver van Nero’s voormalige Domus Aurea. De man verwittigde onmiddellijk kunstenaar Michelangelo en samen met een andere beeldhouwer, Giuliano da Sangallo (1445-1516), trokken ze naar de vindplaats.

‘Nadat we het voldoende bewonderd hadden gingen we naar huis om te eten’ schrijft Antonnio, de zoon van Giuliano da Sangallo (niet te verwisselen met Antonio die de broer is van Giuliano). Na de maaltijd werd de Laocoön in een triomfwagen naar het Capitool gebracht. Later verhuisde de fraaie beeldengroep naar het Vaticaan, maar pas nadat Bramante een speciale ruimte voor het beeld had gebouwd. Toen de stoet het Vaticaan binnenreed daverden de kanonnen van de Engelenburcht. Over de vondst van dit beeld zei Michelangelo dat dit kunstwerk de geschiedenis van de beeldhouwkunst veranderde.

De beeldengroep werd enkele tientallen jaren v. Chr. vervaardigd in het Griekse Rhodos. Door wie het naar Rome werd gehaald is niet bekend. Vermoedelijk heeft het beeld in de Domus Aurea van keizer Nero gestaan. Zeker is dat ook keizer Vespasianus het in zijn bezit heeft gehad. Napoleon roofde de beeldengroep in 1799 uit het Vaticaan en verplaatste het naar het Louvre in Parijs. Daar bleef het tot Napoleons definitieve nederlaag in de slag bij Waterloo in 1815. De Britten stuurden de Laöcoongroep in 1816 terug naar het Vaticaan.

De Laöcoongroep is vandaag één van de pronkstukken in de Vaticaanse collectie en bevindt zich in het Museo Pio-Clementino. Toen Felice de Fredis het beeld het beeld in zijn wijngaard ontdekte, ontbraken enkele stukken: het meest opvallende was het onderste gedeelte van Laocoöns rechterarm, die bij de schouder afgebroken was.

Paus Julius II organiseerde een wedstrijd waarbij men de houding van de arm kon bepalen. De kunstschilder Rafaël was juryvoorzitter. Een uitgestrekte arm won de wedstrijd, hoewel Michelangelo van mening was dat de arm gebogen achter Laocoöns achterhoofd moest zitten. In 1957 werd in Rome de originele rechterarm teruggevonden, die inderdaad gebogen was en achter Laocoöns hoofd hoorde. De uitgestrekte arm werd verwijderd en het origineel herbevestigd.

Tussen de tweede en de derde kapel in de linkerzijbeuk in de Santa Maria in Aracoeli staat het grote beeld van Paulus III Farnese (1534-1549), de paus die Michelangelo de opdracht gaf voor de nieuwe Piazza del Campidoglio. Zoals het beeld aan de overkant in de rechterzijbeuk, is het een werk van Guglielmo della Porta (1516-1577).

Het is zijn meesterwerk, de invloed van Michelangelo is duidelijk. Alexander Farnese werd kardinaal dank zij de charmes van zijn zuster ‘Julia la bella’ die Alexander VI Borgia graag ter wille was in ruil voor interessante gunsten. De derde kapel, naast het grote beeld, werd tijdens de vijftiende eeuw met fresco’s versierd door de zeer gewaardeerde Benozzo Gozzoli (1421-1497). Maar van deze fresco’s resteert vandaag helaas nog enkel de ‘Sint Antonius van Padua met twee gelovigen’, boven het altaar.

Gozzoli was afkomstig uit Firenze en werkte met Ghisberti aan de deuren van het baptisterium. Hij was een medewerker van Fra Angelico in Rome en in Orvieto. Zijn absolute meesterwerk is de wonderlijke kapel in het palazzo Medici in Firenze, één der hoogtepunten van de renaissance.

Gozzoli schilderde een frescocyclus in het middeleeuwse Tor de’ Specchi klooster van San Francesco Romana (Monastero delle Oblate di santa Francesca Romana) aan de Via del Teatro di Marcello 32, slechts enkele honderden meter van hier verwijderd. Het klooster is slechts één dag per jaar te bezoeken.

In de vijfde kapel heeft Pietro della Valle die omwille van zijn reislust ‘il pellegrino’ genoemd werd, in 1626 zijn (volgens de verhalen) buitengewoon mooie Perzische echtgenote begraven (niet zichtbaar). De man moet erg van zijn knappe vrouw hebben gehouden, want opmerkelijk is dat hij het dode lichaam van zijn geliefde gedurende vijf jaar tijdens zijn omzwervingen in Azië met zich heeft meegevoerd. De kapel is nog steeds eigendom van de familie.

Ondertussen heeft iedereen het al begrepen: in deze kerk vinden we op enkele tientallen meters van mekaar, origineel werk van Donatello en Cavallini, en in een volgende kapel zien we werk van Giotto. Welk museum doet dit na? En dan hebben we de echte raadsels van deze basilica nog niet ontsluierd…

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 29 april 2018. Bekijk het origineel.