Op de hoek van Largo Goldoni met de Via del Corso staat het indrukwekkende palazzo Ruspoli Memmo uit 1586 dat er met zijn zwaar uitgevoerde ‘rustica’ eerder Florentijns dan Romeins uitziet. Het gebruik op de benedenverdieping van steenblokken die ‘in bosschage’ bewerkt zijn, geeft een indruk van grote kracht en stevigheid, maar het toont vooral de rijkdom en status van de bouwheer. Vandaag wordt het gebouw regelmatig gebruikt voor tentoonstellingen. Er wonen nog steeds Ruspoli’s in deze palazzo. Het gebouw is sinds 1990 eigendom is van de financier Roberto Memmo.
Het enorme palazzo werd in 1586 ontworpen door de Florentijnse beeldhouwer en architect Bartolomeo Ammannati (ook Ammanati) (1511-1592), een leerling van Baccio Bandinelli (Firenze) en architect Jacopo da Sansovino (Venetië). Na de dood van Bandinelli (1560) nam hij diens opdracht over voor het ontwerpen en uitvoeren van de Neptunusfontein op Piazza della Signoria (voltooid in 1575) in Firenze, maar dat werd geen succes (‘Ammannati, che bel marmo hai rovinato’, wat een mooi stuk marmer heeft u vernield). Aldus de critici.
Maar Bartolomeo Ammannati realiseerde ook mooie kunstwerken. Zo vervaardigde hij als beeldhouwer twee grafmonumenten in de San Pietro in Montorio in Rome en werkte hij aan het ontwerp en het bovenscherm van het nymphaeum in de Villa Giulia. Ook beitelde hij de Madonna boven het graf van Rafaël in het Pantheon en een piëta in de Santa Maria dell’Anima.
Het is dus absoluut niet zo dat de man niets kon of slecht werk afleverde, maar in sommige publicaties is hij vreemd genoeg de geschiedenis ingegaan als een matige kunstenaar, iets wat dus zeker niet het geval was. De kritiek op zijn werk is vermoedelijk de wereld ingestuurd door jaloerse collega’s. De geschiedenis zou echter duidelijk maken welk talent de man bezat.
Als architect was Ammannati trouwens een belangrijke vertegenwoordiger van het maniërisme. In Firenze bouwde hij onder meer het Palazzo Riccardi-Manelli (1557-1575) en de Ponta Santa Trinità (1567-1569, dat na de verwoesting in 1944 werd herbouwd) en voltooide hij het door Brunelleschi ontworpen Palazzo Pitti (1560 en later). Ammannati was gehuwd met de dichteres Laura Battiferri.
Vele muziekliefhebbers kennen wellicht markies Ruspoli die tijdens het begin van de achttiende eeuw in dit Romeinse palazzo woonde. In zijn opdracht werden door verschillende meesters zowat vijftig cantaten gecomponeerd. De componist Georg Friedrich Händel (1685-1759) was bij Ruspoli enige tijd in vaste dienst als lid van zijn ‘virtuosi di canto e suono’, vocale en instrumentale virtuozen. Hij componeerde hier zijn tweede Italiaanse oratorium, ‘La Resurrezione’, dat met Pasen 1708 in dit paleis onder leiding van Corelli zijn première beleefde. In die periode was Domenico Scarlatti (1685-1757) in Venetië en Rome één van de toonaangevende componisten.
Händel schreef voor dezelfde Ruspoli ook de schitterende cantata ‘Alla Caccia’, bedoeld voor een jachtpartij georganiseerd door de markies. Van de vele werken die Händel in Rome componeerde maakte hij later dankbaar gebruik door ze tot aria’s om te werken voor opera’s die soms heel snel klaar moesten zijn en waarvoor de reeds gecomponeerde muziek zich uitstekend voor een tweede gebruik leende.
Gedurende eeuwen was het palazzo Ruspoli een must voor alle begoede Romereizigers, die vooral kwamen kijken naar de indrukwekkende statietrap. Deze fraaie trap, het absolute pronkstuk in dit gebouw, bestaat uit honderd treden die elk gekapt werden uit een marmerblok met een breedte van drie meter. Het geheel werd ontworpen door Martino Longhi de jongere (1602-1660) die ook de mooie Sant’ Antonio dei Portoghesi tekende.
Van deze trap, één van de mooiste in Rome, is een heel klein stukje te zien wanneer de poort open staat. De poort werd echter definitief gesloten nadat vóór de hoofdingang van palazzo Ruspoli prins Caetani werd vermoord. Enkele jaren geleden werd ze voor het eerst sinds lange tijd weer geopend, toen de nieuwe eigenaar op het gelijkvloers van het palazzo een kunstgalerij opende. Sindsdien kan je bij bepaalde tentoonstellingen en kunstexpo’s even een blik op de trap werpen en, indien je letterlijk stoute schoenen aantrekt, er zelfs even een klim op wagen.
Hortense Eugénie de Beauharnais (1783-1837), de stief- en schoondochter van Napoleon, en als gemalin van Lodewijk Napoleon koningin van Holland van 1806 tot 1810, was de dochter van keizerin Joséphine, de eerste echtgenote van Napoleon. Uit haar vroeger huwelijk met generaal De Beauharnais. Zij werd in 1802 aan Lodewijk Bonaparte uitgehuwelijkt. Uit dit zeer ongelukkige huwelijk werden drie zoons geboren.
Vanaf 1825 huurde Hortense de Beauharnais in palazzo Ruspoli een ruim appartement om er met haar twee zonen (eentje was inmiddels gestorven) de winter door te brengen. Ze was een charmante kletskous die alle pleziermakers van Rome in haar salon ontving. Haar jongste zoon, Karel Lodewijk Napoleon Bonaparte (1808-1873), de latere Napoleon III, maakte een einde aan dit luxe leventje. Hij raakte betrokken bij een republikeins complot en werd samen met zijn moeder uit de Pauselijke Staat verbannen. Later zouden de zaken natuurlijk grondig veranderen, toen hij zich na een geslaagde staatsgreep liet uitroepen tot keizer der Fransen.
ACHTERGROND – NAPOLEON III
Op 2 december 1851, de verjaardag van de keizerkroning van Napoleon I, vond met veel machtsvertoon en bloedvergieten een staatsgreep plaats. De door Karel Lodewijk ingestelde en benoemde Senaat herstelde daarop precies een jaar later het keizerrijk met hem, als keizer Napoleon III, als heerser. Hij zou keizer blijven tot 1870. Toen een verbintenis met een vorstendochter onmogelijk bleek, huwde hij in 1853 de Spaanse gravin Maria de Montijo y de Guzman (1826-1920).
Na de triomf van de in bondgenootschap met Groot-Brittannië gevoerde Krimoorlog (1853-1856) herinnerde een aanslag van de Italiaanse revolutionair Orsini (1858) hem wellicht aan het lidmaatschap (in zijn jeugd) van de Carbonari. Hij kwam de Italiaanse nationale beweging onder Cavour te hulp en voerde een oorlog tegen Oostenrijk met overwinningen bij Magenta en Solferino (1859), als beloning waarvoor Sardinië een jaar later Nizza (het huidige Nice) en Savoye aan Frankrijk moest afstaan.
Ook de koloniale en wereldpolitiek hadden zijn interesse, getuige zijn bemoeienissen met West-Afrika, Cochin-China, China en het mislukte avontuur in Mexico (1862-1867). Tussen 1859 en 1869 werd door een Franse onderneming ook het Suezkanaal gegraven. Zijn hulp aan de Italiaanse beweging vervreemdde hem echter van de reactionairen en de klerikalen, die uiteindelijk ook de Kerkelijke Staat in gevaar zagen komen.
Frankrijk raakte ook geïsoleerd in het buitenland: van het inmiddels tot stand gekomen koninkrijk Italië (zonder Rome) door steun aan de paus, en van Rusland door een poging tot interventie bij een Poolse opstand in 1863. De Luxemburgse kwestie, de diplomatieke beroering die in het najaar van 1866 ontstond over de politieke status van het Groothertogdom Luxemburg, dat sedert 1815 door de Nederlandse koningen werd geregeerd in personele unie met Nederland, zorgde voor een zware diplomatieke nederlaag tegenover het steeds sterker wordende Pruisen (1867).
Juist naar aanleiding hiervan begon zich een oorlogspartij onder de minister van Oorlog, Niël, op de strijd voor te bereiden, niet gesteund, maar wel te weinig gecontroleerd door de keizer. Deze werkte trouwens, gedwongen door binnenlandse onrust, serieus aan verdere liberalisering van het staatsbestel (1868). Om de oppositie de wind uit de zeilen te nemen, stelde hij het eerste parlementaire ministerie-Ollivier aan (1870), voerde een liberale grondwetswijzing door (1870) en liet de gewonnen goodwill peilen door een inderdaad zeer gunstig plebisciet: 7 tegen 1,5 miljoen stemmen.
Zijn stedenbouwkundige reconstructie van Parijs, uitgevoerd door Georges Haussmann, was niet alleen een keizerlijk prestige-object, maar was tevens bedoeld om door krotopruiming de barricadenoorlog te voorkomen. Inmiddels had de pas sedert mei in functie zijnde minister van Buitenlandse Zaken, Gramont, de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) onafwendbaar gemaakt na het beruchte Emser Depesche-telegram, dat de aanleiding werd voor de oorlog.
In 1859, 1865 en 1870 trad keizerin (Eugénie) Maria de Montijo tijdens de afwezigheid van de keizer als regentes op. De keizerin steunde de ultramontaanse krachten in Frankrijk en beïnvloedde Napoleons politiek ten aanzien van Italië, Mexico en Pruisen. Ultramontanen was de naam waarmee in de middeleeuwen de ‘aan de overzijde der bergen’ (de Alpen) wonende volken door de Italianen werden aangeduid. In de negentiende eeuw werd het woord door niet-katholieken in Noord-Europa gebruikt als scheldnaam voor katholieken. Dezen zouden ‘over de Alpen’, bij de paus, alle richtlijnen halen en de belangen van de eigen staat aan die van Rome ondergeschikt maken.
Na keizerin (Eugénie) Maria de Montijo vanaf 28 juli 1870 andermaal het regentschap te hebben opgedragen, verbleef de keizer als opperbevelhebber in Metz. Hij durfde de verantwoordelijkheid echter niet langer aan, en begaf zich op 14 augustus naar het leger van Mac-Mahon, waarmee hij op 2 september in krijgsgevangenschap raakte. Na zijn vrijlating op 19 maart 1871 trok hij zich als balling terug naar Engeland. Na de val van het keizerrijk in 1870 vestigde Maria de Montijo zich eveneens in Engeland. Uit het huwelijk tussen Napoleon III en Maria de Montijo werd in 1856 een zoon geboren. Haar zoon stierf kinderloos, nog vóór haar dood.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 20 februari 2017. Bekijk het origineel.

