De vijf personen die werden beschuldigd van de moord op de Italiaanse bankier Roberto Calvi, zijn gisteren vrijgesproken door het Hof van Assisen van Rome wegens ‘onvoldoende bewijzen’. Het gaat om leden van de Siciliaanse maffia: Pippo Calo, een bekende oplichter, Ernesto Diotallevi, een beruchte smokkelaar, Silvano Vittor, een gerespecteerde zakenman, en tenslotte Flavio Carboni, en zijn vriendin, Manuela Kleinszig.
Calvi, heel vaak de ‘Bankier van God’ genoemd, werd op 18 juni 1982 opgehangen teruggevonden onder de Blackfriars-brug in Londen, na een enorm financieel schandaal dat het Vaticaan deed sidderen op z’n grondvesten. Francis Ford Coppola maakte met de fictiefilm The Godfather part III duidelijk waar het volgens hem wellicht allemaal om te doen was.
De 62-jarige Calvi was voorzitter van de Banco Ambrosiano. Een jaar voor zijn dood was hij gearresteerd in het onderzoek naar het faillissement van zijn bank en nadien weer vrijgelaten. Zijn beheer veroorzaakte een tekort van omgerekend 1,17 miljard euro bij zijn bank en een put van ongeveer 209 miljoen euro bij de Banco Vaticano, de hoofdaandeelhouder van de Banco Ambrosiano, wat Calvi’s bijnaam verklaart.
De Britse justitie oordeelde dat Calvi zelfmoord pleegde, maar dat stootte in Italië op groot ongeloof. Calvi, die ook maffiageld had beheerd en illegale buitenlandse transfers had uitgevoerd, was duidelijk “een man die te veel wist”.
Het onderzoek werd dan ook heropend, en mondde 23 jaar na de feiten, op 6 oktober 2005, uit in de start van het assisenproces. De vrijspraak van gisteren zal geen einde maken aan de vele vragen en twijfels over Calvi’s mysterieuze dood. Calvi werd hangend aan een strop onder de Blackfriars-brug in Londen aangetroffen.
In zijn zakken zaten stenen. Ook had hij 15.000 pond op zak. Een Britse lijkschouwer kwam aanvankelijk tot het oordeel dat Calvi door zelfmoord om het leven was gekomen. Italiaanse aanklagers heropenden de zaak in 2002, nadat ze zelfmoord hadden uitgesloten.
Na vele jaren raakte de mysterieuze zaak rond de zogenaamde Bankier van God dan toch in een stroomversnelling. De sporen leken, zoals velen al die jaren dachten, regelrecht naar de Siciliaanse maffia te leiden.
Roberto Calvi was de wanhoop nabij en zou de kapitale vergissing hebben begaan om er tegenover enkele maffieuze zakenlui en politici mee te dreigen ‘onthullingen‘ te doen. De Siciliaanse maffia zou vervolgens een paar huurmoordenaars op pad hebben gestuurd.
Was het zelfmoord die op een moord moest lijken, of een moord vermomd als zelfmoord? De keuze aan potentiële ‘killers’ bleek ruim. De Italiaanse maffia stond met stip bovenaan, maar ook de sinistere extreem-rechtse vrijmetselaarsloge Propaganda Due (P2), het Vaticaan, de CIA, de Britse of de Italiaanse geheime diensten en de Russische KGB kwamen in aanmerking. Zij hadden volgens sommigen allemaal zeer goede redenen om de bankier van God wat sneller dan voorzien naar het hiernamaals te helpen.
Het is een troostende gedachte voor mensen die zich nog altijd opwinden over de vele onopgehelderde politiek-criminele affaires uit de jaren ’80, genre Bende van Nijvel (28 doden en 20 gewonden, nooit één dader gevonden).
Ook meer dan 25 jaar na datum kunnen er nog steeds elementen opduiken die het onderzoek in een stroomversnelling brengen en wie weet zelfs naar een oplossing van het raadsel leiden. Flavio Carboni is de man die volgens het Romeinse parket de organisator was van de moord op Calvi.
Een vriendin beweerde echter dat Carboni bij haar was op het moment dat de bankier zou ‘gezelfmoord’ zijn. Flavio Carboni, een projectontwikkelaar uit Sardinië met zware maffiaconnecties, was de laatste die Roberto Calvi in levende lijve zag. Hij fungeerde als de steun en toeverlaat van Calvi in de laatste maanden van diens leven.
Toen duidelijk werd dat de Banco Ambrosiano op instorten stond en de financiële schandalen van de bank onvermijdelijk aan het licht zouden komen, vluchtte Calvi met de hulp van Carboni in de clandestiniteit. Via Joegoslavië en Oostenrijk arriveerde hij op 15 juni 1982 in Londen. In de laatste dagen voor zijn dood leefde de bankier ondergedoken, met een vals paspoort op naam van Gian Roberto Calvini, in een appartement in Chelsea Cloisters.
In de ochtend van 18 juni 1982 ontdekte een toevallige voorbijganger het lijk van Calvi, opgehangen aan een steiger van de Blackfriars Bridge. Hij hing met zijn hoofd in een strop, gemaakt van een stuk oranje nylon touw van een meter lengte, met zijn benen in het water van de Theems.
Zijn valse paspoort stak nog in zijn zak, plus twaalf portefeuilles met in totaal omgerekend een half miljoen frank cash geld in verschillende munteenheden, plus vier brillen. De zakken van zijn overjas zaten volgepropt met vijf kilo bakstenen.
Alleszins een vreemde manier om zelfmoord te plegen, zeker als men weet dat er in de flat waarin Calvi zijn intrek had genomen een flinke voorraad slaapmiddelen lag. Toch was het zelfmoord, zo besloot het Britse gerecht na een eerste lijkschouwing en een onderzoek dat amper een week had geduurd.
Kort na de dood van de bankier volgde met kletterend gedruis het frauduleuze bankroet van de Banco Ambrosiano. De omvang van de krater bedroeg van 1,4 miljard dollar, destijds goed voor het grootste financiële schandaal uit de naoorlogse geschiedenis.
Ook Belgische banken deelden in de klappen. De toenmalige Bank Brussel Lambert en de Kredietbank hadden samen 500 miljoen frank geleend aan de Banco Ambrosiano. Het totaalbeeld dat vervolgens aan het licht kwam was gewoon schrikwekkend.
Roberto Calvi had met zijn Banco Ambrosiano een wereldwijd netwerk van offshore firma’s en brievenbusvennootschappen opgezet dat gebruikt werd door zowel de Siciliaanse maffia-organisatie Cosa Nostra, het Instituut voor Religieuze Werken (de bank van het Vaticaan) als de Italiaanse misdaadloge Propaganda Due, de geheime organisatie van ‘grootmeester’ Lucio Gelli, die terreurdaden liet plegen om de Italiaanse staat te ontwrichten.
De Banco Ambrosiano had toestemming gegeven voor het witwassen van maffiageld uit de drugshandel, pleegde fiscale fraude, gaf betalingen in het kader van illegale partijfinanciering, stemde in met corruptie in Italië (een systeem dat pas in de jaren negentig door operatie Schone Handen werd blootgelegd) en had geen problemen met de financiering van terroristen en illegale wapenhandel, zoals de levering van Exocet-raketten aan Argentinië die in de Falklandoorlog tegen de Britse troepen werden gebruikt.
Tussendoor versluisde de bank in het diepste geheim ook geld van het Vaticaan naar Solidarnosc, de vakbond van Lech Walesa in Polen, en versnelde op die manier de implosie van het communistische Oostblok. In wiens opdracht dat eigenlijk gebeurde is nooit duidelijk geworden.
Carlo Calvi, de zoon van de overleden bankier, heeft de zelfmoordthesis nooit willen aanvaarden. Kwatongen beweren dat hij absoluut wou bewijzen dat zijn vader vermoord werd, omdat de familie anders naast de tien miljoen dollar van de levensverzekering zou grijpen.
Daar staat tegenover dat de nabestaanden van Calvi de laatste twintig jaar een fortuin hebben uitgegeven aan detectivebureaus en advocatenkantoren. In Italië was Calvi overigens al veroordeeld tot vier jaar effectieve gevangenis wegens schending van de wet op wisselverrichtingen.
Als hij in beroep eveneens zou worden veroordeeld, moest hij naar de cel. De inspectiediensten van de Italiaanse nationale bank zaten hem op de hielen. Zijn vrienden in het Vaticaan en de P2-loge lieten hem vallen. Er was maar voor hem maar één uitweg: zijn geheimen aan de openbaarheid prijsgeven.
“Hij was op het punt gekomen dat hij het Vaticaan en andere mensen met wie hij had samengewerkt begon te bedreigen. Als ze hem niet het zwijgen oplegden, zou hij zijn boekje opendoen. Calvi had heel wat topmannen van grote ondernemingen en politieke leiders aan de galg kunnen praten”, verklaarden insiders.
Het onverwachte spoor van Vaccari, een neergestoken drugsdealer, leidt naar Francesco Di Carlo, alias Frankie de Wurger, een maffioso die inmiddels meer dan honderd moorden heeft bekend. Hij was de lokale antenne van de Cosa Nostra in Londen en werd beschouwd als de ‘minister van buitenlandse zaken’ van de maffia.
Algemeen wordt aangenomen dat er in Londen geen maffiamoord gepleegd kon worden, tenzij dat gebeurde in opdracht van Di Carlo. Vanuit de Britse hoofdstad organiseerde Di Carlo onder meer de heroïnetrafiek van de Italiaanse maffia naar de VS, een activiteit waarvoor hij trouwens een gevangenisstraf van 25 jaar moet uitzitten. Zijn criminele chefs waren de Siciliaanse Corleonesi-clan, de voormalige maffiabaas Toto Riina en de drugssmokkelfamilie Caruana-Cuntrera.
In 1998 bekende Di Carlo dat hem werd gevraagd om Calvi te ‘straffen’ omdat de bankier maffiageld had verkwanseld. Hij verklaarde dat hem werd gezegd om snel op te treden, vooraleer Calvi kon worden aangehouden en kon worden verplicht om details vrij te geven over het financiële imperium van de maffia.
Di Carlo ontkende evenwel dat hij zelf de bankier vermoordde en schoof de uitvoering van de moord in de schoenen van een Napolitaanse gangster, die zes maanden na de dood van Calvi in Rome om het leven was gekomen bij een bomaanslag.
Calvi, zo vermoeden het Britse en Italiaanse gerecht al jaren, werd omgebracht in opdracht van Giuseppe ‘Pipo’ Calo, de kassier of ‘minister van financiën’ van de Siciliaanse maffia. Hij was de sleutelfiguur in de nauwe samenwerking die de maffia in de jaren ’80 heeft gesmeed met de P2-loge en de Italiaanse geheime diensten.
Pipo Calo was tevens een zakenpartner van Flavio Carboni, de vertrouwensman van Calvi die hem begeleidde op zijn vlucht naar Londen. Volgens het Italiaanse gerecht werd Calvi door Carboni en zijn trawanten naar Londen gelokt, om hem daar koud te kunnen maken.
Als projectontwikkelaar heeft Carboni grote stukken van de kust van Sardinië volgebouwd met hotels en toeristische complexen, die niet zelden zijn opgetrokken met maffiageld. De raden van bestuur van de bedrijven die hij gebruikte om in Sardinië te investeren, bleken tjokvol maffiafiguren te zitten: zakenmannen die voor Pipo Calo werkten of voor stromannen van Toto Riina.
Voor sommige vastgoedprojecten in Sardinië, zoals het megacomplex Olbia 2, werkte Carboni dan weer samen met Silvio Berlusconi, de vorige premier van Italië, van wie bekend is dat hij zakelijke bindingen had met Pipo Calo. Begrijpelijk dus dat zowel de Britse en Italiaanse onderzoeksmagistraten in het Calvi-onderzoek de hele tijd op eieren moesten lopen. Tevergeefs, zo blijkt nu, want de betrokkenen werden dus vrijgesproken.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 7 juni 2007 op het Romenieuws-archief.

