Jackson Pollock in het Vittoriano

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

In het Vittoriano is een tentoonstelling begonnen die gewijd is aan de Amerikaanse abstracte expressionistische schilder Jackson Pollock en andere grote vertegenwoordigers van de zogenaamde New York School, waaronder Willem de Kooning, Mark Rothko en Franz Kline. De New York School was een informele beweging van avant-garde schilders, dichters, dansers en muzikanten die actief waren in New York in de jaren tussen 1950 en 1960. De action painter Pollock stond ook bekend als ‘Jack the Dripper’ vanwege zijn revolutionaire manier om verf op canvas aan te brengen. De tentoonstelling in Rome is te bezoeken tot 24 februari 2019 .

In het Vittoriano worden een vijftigtal kunstwerken getoond, waaronder het beroemde Number 27 uit 1950, een 3 m lang doek waarin de kunstenaar volgens kenners ‘een meesterlijke balans vindt tussen de zwarte penseelstreken en de fusie van lichtere, levendige kleuren’. De tentoonstelling wordt georganiseerd door de Arthemisia Group in samenwerking met The Whitney Museum of American Art in New York en werd samengesteld door David Breslin, Carrie Springer en Luca Beatrice.

De Amerikaanse schilder Jackson Pollock (1912-1956) onderging aanvankelijk invloed van onder andere Orozco, de kunst van de Indianen, Picasso en André Masson, en later van de surrealisten, met name van hun automatisme. In 1946 ontstonden zijn eerste geheel abstracte werken. Bekende voorbeelden zijn de seksueel beladen, totemistische schilderijen Male female (1942) en The guardian of secret (1943).

Eveneens in 1946 maakte Pollock zijn eerste abstracte schilderijen die in hoge mate waren geïnspireerd op het werk van Arshile Gorky. Hieruit kwamen zijn fameuze ‘drip-paintings’ voort, die hij tot het begin jaren van de jaren ’50 schilderde. De op de grond gelegen enorme doeken bespatte en besmeurde hij met verf, zonder de kwast in contact te brengen met het canvas. Later zou hij ook direct uit tube en blik werken.

Met deze techniek heeft hij sterke dynamische en ritmische composities gecreëerd die gelden als hét voorbeeld van de door Harold Rosenberg geïntroduceerde term ‘action-painting’. Het schildersvlak is hierbij opgevat als een arena voor een puur intuïtieve handeling. Begin de jaren ’50 keerde Pollock terug naar zijn stijl van werken van vóór 1947. Na zijn dood ontstond een zekere mythevorming rond zijn figuur: van voorman van de action-painting werd hij verheven tot het symbool van een nieuwe schildersgeneratie.

Jackson Pollock
Tot 24 februari 2019
Via di San Pietro in Carcere, Rome

Praktische informatie vind je hier

Je kan een dubbelticket kopen waarmee je tevens toegang krijgt tot de Andy Warhol-tentoonstelling die op dezelfde locatie tot 3 februari 2019 loopt.

ABSTRACT ESPRESSIONISME – ACHTERGROND

Het abstract expressionisme is de gebruikelijke benaming voor een beweging in de schilderkunst die gezien kan worden als een reactie op de geometrisch abstracte kunst en die zich in vele vormen en onder diverse namen tegen het eind van de jaren ’40 in de Verenigde Staten en in Europa manifesteerde. Het abstract expressionisme bereikte in de jaren ’50 zijn hoogtepunt en is van grote betekenis geweest voor de latere ontwikkelingen.

De term werd al in de jaren twintig incidenteel gebruikt, onder meer door de Amerikaanse kunstcriticus A.H. Barr, die hem toepaste op het vroege abstracte werk van Vassily Kandinsky. De bekende Amerikaanse kunstcritius Robert Coates gebruikte iN 1946 de benaming abstract expressionisme om de combinatie van abstracte vormeigenschappen en een emotioneel geladen verfbehandeling aan te duiden die in die jaren kenmerkend is voor het werk van schilders zoals Gorky, Willem de Kooning, Motherwell, Pollock, Rothko, Still, Kline, Gottlieb, Baziotes en anderen. Zij streefden naar een zelfstandige Amerikaanse kunst, los van de Europese stromingen.

In het vroegste stadium waren echter nog duidelijk Europese invloeden aanwezig, met name van de surrealisten, van wie een aantal zich gedurende de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten had gevestigd. Met name het zogenaamde automatisme dat door de surrealisten was gepropageerd, was voor de Amerikanen van belang: het vrije, onbelemmerde schilderen, zo weinig mogelijk gecontroleerd door het bewustzijn. Ook de biomorfe abstracte vormen die zij in de jaren ’40 schilderden, wijzen op surrealistische invloed.

Gaandeweg gingen zich binnen het Amerikaanse abstract expressionisme, waarvoor ook wel de term New York School wordt gebruikt, twee richtingen aftekenen. De eerste zette omstreeks 1947 in toen Jackson Pollock begon te experimenteren met zogenaamde drippaintings: de handeling van het schilderen is hier bepalend voor de compositie.

Deze schilderwijze die de handeling, het moment van de creatieve interactie van de kunstenaar met zijn materiaal, stelt boven het resultaat, en die eveneens door anderen zoals De Kooning, Motherwell en Kline werd beoefend, werd door de criticus Harold Rosenberg aangeduid als action-painting.

Een andere ontwikkeling deed zich voor bij schilders als Newman, Rothko en Still. Zij gaven het primaat aan de kleur: niet de actie van het schilderen, maar de kleur, aangebracht in de vorm van abstracte tekens of grote monochrome kleurvlakken, is het belangrijkst; zij werden daarom colourfield painters genoemd. Hun werk heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan, in de jaren zestig, van de zogeheten ‘postpainterly abstraction’.

In Europa leidde het verzet tegen de geometrisch abstracte kunst tot soortgelijke ontwikkelingen. In Frankrijk waren in de jaren ’40 schilders zoals Wols, Hartung, Mathieu, Michaux, Fautrier en Dubuffet onafhankelijk van elkaar tot een spontane, intuïtieve schilderwijze gekomen. Ook voor hen was het automatisme van de surrealisten een belangrijke inspiratiebron.

Voor hun werk lanceerde de schilder-theoreticus Mathieu in 1947 de aanduiding ‘abstraction lyrique’. Andere benamingen werden geïntroduceerd door de criticus Tapié: ‘art informel’ en ‘un art autre’. In 1954 bedacht de criticus Estienne de term ‘tachisme’ als aanduiding voor het abstracte werk van Bissière, Manessier, Singier en Bazaine, dat gekenmerkt wordt door een beeldopbouw uit kleurvlekken. Later is men de term ook gaan toepassen op het werk van de lyrisch abstracten.

Buiten Frankrijk waren het vooral de Nederlandse Experimentele Groep en de internationale groep Cobra en de Italiaanse kunstenaarscollectieven Movimento Nucleare en Movimento Spaziale die verzet aantekenden tegen de geometrisch abstracte kunst.

Zoals gezegd kreeg de Amerikaanse kunst van de jaren ’40 zeer wezenlijke impulsen van Europese kunstenaars die zich in de Verenigde Staten vestigden. Die vertegenwoordigden de beide richtingen waarin de beeldende kunst in Europa uiteengevallen was: de abstracte en de surrealistische richting.

De belangrijkste vertegenwoordigers van de geometrische abstracte kunst waren Mondriaan en Albers, met nog een aantal vroegere medewerkers aan het Bauhaus: Feininger, Moholy-Nagy, de beeldhouwer Naum Gabo en de architecten Gropius, Breuer en Mies van der Rohe; die van het surrealisme: Ernst, Seligmann, Matta, Dali en de theoreticus Breton.

Een zeer belangrijke rol als bemiddelaarster tussen de Europese en de Amerikaanse kunstenaars speelde Peggy Guggenheim, die in haar galerie Art of this Century zowel abstracten (inclusief kubisten en futuristen) als surrealisten toonde. De verbinding van abstractie en surrealisme teweeg te brengen werd nu het doel van de Amerikaanse kunstenaars en hieruit ontstond het abstract expressionisme, Amerika’s eerste zelfstandige bijdrage tot de beeldende kunst.

Binnen het abstract expressionisme zijn twee richtingen te onderscheiden: enerzijds de action painters, met Jackson Pollock, Franz Kline, Philip Guston en Willem de Kooning als belangrijkste exponenten.

Voor hen was de actie, de geste van beslissende betekenis, en anderzijds de vertegenwoordigers van de colourfield painting of abstract imagists: Barnett Newman, Marc Rothko, Adolph Gottlieb en Ad Reinhardt, die de kleur, veelal in grote, monochrome vlakken aangebracht, belangrijker achtten dan de actie; tussen deze richtingen in stonden Robert Burns Motherwell, Clyfford Still en Bradley Walker Tomlin. In dit verband moet ook Mark Tobey worden genoemd, wiens door de oosterse mystiek geïnspireerde kunst verwant is aan het abstract impressionisme.

Het einde van het abstract expressionisme situeert men rond 1960. De nieuwe generatie had kritiek op het subjectieve, autobiografische karakter ervan, verwierp al het mystieke, symbolische en metaforische en streefde naar een onpersoonlijke, objectieve kunst. Dit streven vond expressie in twee richtingen: enerzijds de pop art, anderzijds de nieuwe abstractie, vaak ‘postpainterly abstraction’ genoemd.

Voorlopers van de pop art, tevens de schakel vormend tussen het abstract expressionisme en de pop, waren Robert Rauschenberg en Jasper Johns. Als belangrijke pop-kunstenaars moeten hier worden vermeld: Claes Oldenburg, George Segal, Jim Dine, Roy Lichtenstein, James Rosenquist, Robert Indiana, Marisol, Andy Warhol en de in Duitsland geboren Richard Lindner. Velen van hen hebben – meegaand in de algemene tendens – ook objecten en grafiek gemaakt.

Vertegenwoordigers van de postpainterly abstraction zijn: Helen Frankenthaler, Morris Louis, Kenneth Noland, Sam Francis en Jules Olitski. Ook Ellsworth Kelly, Jack Youngerman, Nicolas Krushenick, Al Held en Alexander Liberman werkten in grote kleurvlakken; hun kunst wordt vaak gerangschikt onder het begrip ‘hard edge’. Frank Stella en Lee Bontecou zijn vooral bekend om hun shaped canvas-schilderingen; het werk van Larry Poons wordt zowel tot de postpainterly abstraction als tot de pop art gerekend.

Was de dagelijkse, banale realiteit het uitgangspunt voor de pop-kunstenaars, zij werd dat (zij het op andere wijze) ook voor een nieuwe stroming van realisten, die tegen het einde van de jaren ’60 internationale belangstelling verwierf (onder aanduidingen als ‘new realism’, ‘sharp-focus realism’, ‘photographic realism’ of ‘post-pop realism’). De new realists geven in hun schilderijen de dagelijkse werkelijkheid – en dikwijls geïsoleerde fragmenten daaruit – weer met fotografische exactheid, en vaak ook uitgaande van een foto.

Deze realistische stroming is ontstaan aan de westkust, waar kunstenaars als Don Eddy, Robert Bechtle, Ralph Goings, Robert Cottingham, Richard McLean en Paul Staiger werken. Ook aan de oostkust, vooral in New York, bloeide deze richting in het werk van onder meer Howard Kanovitz, Lowell Nesbitt, Philip Pearlstein, Chuck Close, Jack Beal, de in Amerika werkende Brit Malcolm Morley, John Clem Clarke, Richard Estes, John Kacere, Gabriel Laderman en Alfred Leslie.

Vanaf de jaren zeventig In de jaren zeventig kwam een nieuwe, abstracte stroming op: de fundamentele schilderkunst, waarvan de belangrijkste Amerikaanse representanten werden: de in Canada geboren Agnes Martin en voorts Robert Ryman, Brice Marden en Robert Mangold. Een latere generatie keerde terug tot een schilderkunst die zich betrokken voelt bij het verleden; de bekendste representanten hiervan zijn Neil Jenney, Julian Schnabel, Robin Winters en David Salle.

Vanaf de tweede helft van de jaren tachtig deed zich een veelheid aan stijlen voor. Cindy Sherman werd bekend met geënsceneerde fotografie. Op het gebied van de Amerikaanse naïeve schilderkunst verdienen vermelding: Grandma Moses, Edward Hicks, Morris Hirshfield en John Kane.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 19 oktober 2018. Bekijk het origineel.