Bij uitgeverij Prometheus verscheen zopas het boek ‘Nederlanders in Rome’ van Arthur Weststeijn. Neen, dit boek heeft niets te maken met de gelijknamige vereniging die in Rome actief is, al is het natuurlijk wel een beetje op hun maat geschreven. Het boek neemt je mee langs een aantal plekken in Rome waaraan een Nederlands verhaal is verbonden. Overal in de eeuwige stad zijn immers nog sporen terug te vinden van de bewoners die we vandaag Nederlanders noemen. Nederlanders in Rome is een alternatieve reisgids voor alle liefhebbers van Rome en als boek evenzeer te genieten door thuisblijvers als tijdens je reis naar of doorheen de eeuwige stad.
Precies tien jaar geleden verscheen het nog altijd indrukwekkende boek en inmiddels door verzamelaars gezochte Fiamminghi in Rome – Vlaamse voetsporen in de Eeuwige Stad. De auteurs en samenstellers Hedwig Zeedijk, Hugo Vanermen en Carine Cuypers deden toen precies hetzelfde: via zestien wandelingen ontdekte de lezer in dit rijk geïllustreerde boek gaandeweg een heleboel sporen van Vlamingen in Rome. Dergelijke verhalen maken dankzij de link met de ‘Fiamminghi’ een verkenning van Rome nog boeiender.
Arthur Weststeijn die als historicus verzeilde in Rome en een tijdlang verbonden was aan het Koninklijk Nederlands Instituut Rome (KNIR) doceert tegenwoordig Italiaanse geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Ook hij ging op zoek naar sporen die Nederlanders in de loop der eeuwen achterlieten in Rome, al is de uitdrukking ‘Nederlanders’ een beetje beperkt. ‘Fiamminghi’ vormden immers een ruimer begrip. Het is moeilijk om ‘Vlamingen’ en ‘Nederlanders’ te definiëren, ook al omdat de landsgrenzen in al die eeuwen voortdurend verschoven.
Noem je mensen die in Antwerpen geboren zijn maar in Utrecht stierven Vlamingen of Nederlanders? In Italië bestond het onderscheid tussen Nederlanders en Vlamingen niet: mensen uit onze streken werden eeuwenlang steevast omschreven als Fiamminghi: al wie afkomstig was uit de gebieden die we nu Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Brabant noemen, een deel van het huidige Frans-Vlaanderen, maar evenzeer uit streken als het huidige Nederland en zelfs Duitsland.
In ieder geval zijn er in Rome enorm veel getuigenissen van de aanwezigheid van ‘Fiamminghi’ in het verleden terug te vinden. Dat geldt zowel in de schilderkunst en de beeldhouwkunst als in de urbanisatie, de architectuur, de literatuur, de muziek en de wetenschappen. Het is dus zeker geen slechte zaak nog eens een boek te wijden aan de sporen die onze streekgenoten vooral tussen de vijftiende en de achttiende eeuw nalieten in een Rome en welke invloed ze hadden in een dergelijke stad.
Weststeijn gaat echter nog dieper terug in de tijd en brengt bv. ook een verhaal over de Bataafse lijfwachten van keizer Nero. Voorts heeft hij het over de antieke ruïnes waar kunstenaars en dichters hun verbeelding de vrije loop lieten en over de kroegen en kerken waar ze hun toevlucht zochten. We volgen een prinses van Oranje-Nassau die met haar minnaar naar Rome vluchtte en een Amsterdamse ingenieur die de Tiber wilde verleggen.
Natuurlijk kennen we nog het verhaal van die kardinaal uit Utrecht die plots tot paus werd verkozen en samen met een drogist uit Delft dalen we af in de donkere catacomben. Met een Brabantse priester gaan we op audiëntie bij Benito Mussolini en met de schrijver Couperus kijken we uit over de koepels van de eeuwige stad.
In zijn voorwoordje omschrijft de auteur zijn werk als een boek voor iedereen die van Rome houdt. Voor de beginners die de stad voor het eerst ontdekten, voor de liefhebbers die er af en toe hun vleugels uitslaan, maar ook voor de ervaren Romegangers die er jaar in jaar uit terugkomen. Deze alternatieve reisgids bevat een zevental tochten door Rome en de auteur zou geen Nederlander zijn indien hij niet de tip zou geven dit per fiets te doen.
Maar wandelen kan natuurlijk ook en als de afstanden wat te groot worden kan je uiteraard ook gebruik maken van tram of bus. Bij iedere tocht hoort ook een kort gastronomisch intermezzo, al zegt Weststeijn er meteen bij dat dit de enige uitstapjes zijn waarbij het boek geen garantie biedt voor geboden kwaliteit omdat in Rome niet alles eeuwig is. Je kan maar beter gewaarschuwd zijn.
Dat de vele wegen die naar Rome leiden vaak door Nederlanders zijn bewandeld, inspireerde het Koninklijk Nederlands Instituut Rome (KNIR) een paar jaar geleden tot de creatie van het digitale project Hadrianus, vernoemd naar de Nederlandse paus Adrianus VI.
Op deze interessante website kunnen de Nederlandse voetstappen in Rome door iedereen worden nagelopen. Een kaart op de website geeft ‘net als Google Maps’ keurig met rode stippen aan op welke plekken de Nederlandse werken te zien zijn of waar de artiesten hebben gewoond.
PROLOOG UIT HET BOEK NEDERLANDERS IN ROME
door Arthur Weststeijn
Rome geeft zich niet makkelijk gewonnen. Steeds proberen ze het weer, de Nederlanders. Met hun lange lijven en korte broeken overspoelen ze dagelijks de stad, in de stellige overtuiging dat ze die wel even zullen veroveren. Want ze hebben zich thuis toch goed voorbereid, zes reisgidsen gelezen, alle pastasoorten uit het hoofd geleerd en opgezocht tot hoe laat je precies cappuccino mag drinken?
Maar steevast volgt de ontgoocheling. Je ziet het kleine drama zich ontrollen op iedere straathoek: de huisvader die vertwijfeld om zich heen kijkt met de camera in de aanslag, tevergeefs op zoek naar een kort moment van stille esthetiek tussen het langsrazende verkeer; de verdwaalde koppeltjes die, door honger overmand, de verlangde romantiek laten varen voor een klef stuk pizza; de schoolklassen die jaren werden klaargestoomd met Livius, maar nu van de sokken worden gereden door zwermen opgevoerde brommertjes.
En al snel slaat de schrik op de Nederlandse gezichtjes om in onbehagen – teleurstelling misschien wel. Is dit allegaartje van geknotte zuilen en protserige façades nu echt het tijdloze centrum van de westerse cultuur? Ligt hier, tussen al die oude stenen, werkelijk de bakermat van onze beschaving?
Er is geen Nederlander die zo veel verwoede pogingen heeft gedaan om Rome te overmeesteren als de schrijver Louis Couperus. Eind negentiende eeuw ging hij er voor het eerst naartoe, op zijn dertigste, en hij kwam terug, steeds opnieuw. Zelfs als hij weg was uit Rome achtervolgde de stad hem, naar Nederland, naar Indië, om als decor op te duiken in een van zijn vele romans. En in een van die romans, Langs lijnen van geleidelijkheid, wordt het gevoel van teleurstelling in de Eeuwige Stad prachtig verbeeld.
De roman vertelt over de chique Haagse dame Cornélie de Retz van Loo, een vrijgevochten feministe die haar toevlucht zoekt in Rome. Na aankomst neemt Cornélie haar intrek in het pension van een markiezin, ze krijgt een lunch voorgeschoteld van macaroni, biefstuk, pudding en droge vijgjes, en daarna huurt ze een rijtuig om maar eens de stad te gaan bekijken. De verwachtingen zijn hooggespannen, want Cornélie heeft zich als dame van stand natuurlijk goed voorbereid. Ze heeft foto’s bekeken van de belangrijkste kunstwerken, talloze boeken gelezen over de geschiedenis, en ze denkt Rome al helemaal te kennen als de ideale stad waar de tijd heeft stilgestaan.
De teleurstelling is groot. Want de realiteit van Rome is weerbarstig: de stad biedt geen verstilde momentopnames als in een fotoalbum, maar een onontwarbare kluwen van uitgerolde filmspoelen die helemaal door elkaar zijn gehusseld. De uiteindes zijn onvindbaar, iedere periode van de geschiedenis is met een andere verweven, niet eenmaal, maar steeds weer, op ieder plein, in iedere kerk, bij ieder eeuwenoud monument. De ontgoocheling slaat bij zo veel onbegrijpelijke wirwar genadeloos toe – ook bij Cornélie.
Ze dacht Rome met gemak te kunnen veroveren, en zoals iedereen die voor de eerste keer in Rome is wilde ze alles in een keer zien, ‘zij wilde de gehele stad ineens omhelzen’. Maar die omhelzing valt bitter tegen. Rome laat zich niet zo makkelijk inpalmen, en Cornélie voelt zich afgewezen, belazerd zelfs. Waren al die schilderijen en gebouwen niet veel mooier op de foto dan in het echt? Na de zoveelste teleurstelling in de Sixtijnse Kapel heeft Cornélie er genoeg van en houdt ze de eer aan zichzelf. Ze besluit ‘vooreerst niets meer te gaan zien’.
Niets meer willen zien: dat is wat Rome de eerste keer met je doet. Ik kan me mijn eigen gevoel van teleurstelling, en uiteindelijk lethargie, nog goed herinneren. Zoals zo veel Nederlanders kwam ik voor het eerst in Rome in de vijfde klas van de middelbare school. Het zou het hoogtepunt worden van onze schooltijd, wisten we, want Rome was de stad van Augustus en Michelangelo, van Catullus en Caravaggio.
Maar het viel tegen, of beter gezegd: we begrepen er niets van. Het Forum bleek een zooi op elkaar gestapelde stukken steen, en kerk-in-kerk-uit tolden we op en neer van Renaissance naar Barok, en weer terug. Het hoofd stond ook ergens anders: ’s avonds lonkte de filmische Trevifontein met alle verleidingen van la dolce vita. In een moment van jeugdige hybris waanden we ons Anita Ekberg – en ik weet nog goed hoe een struise lokale agente me als een nat katje uit het water viste, me stevig beetpakkend bij mijn doorweekte T-shirt. De boete was navenant, al leek alles toen in de tijd van de lire kapitalen te kosten; en we waren nog maar net op tijd terug voor de avondklok in het klooster midden in de stad waar we verbleven. De volgende morgen wachtte, als altijd, een hard broodje en een sterke kop koffie als ontbijt. Het bezoek aan een bijzondere villa uit de Renaissance ging grotendeels verloren in de onvermijdelijke kater. En een paar dagen later zaten we alweer terug in de trein naar huis, een kleine desillusie rijker.
Enkele jaren later probeerde ik het weer, en ging ik langs bij mijn broer die als uitwisselingsstudent in Rome woonde. Maar het is tekenend dat ik me ook van dat bezoek vooral nog de lijfelijke indrukken herinner: de drukte op het plein in een buitenwijk waar ik mijn broer als bij toeval tegen het lijf liep; het sprintje door een lege, donkere straat om de laatste metro naar huis te halen; de schaduw van een olijfboom in een zonovergoten klassiek landgoed. En die onwillekeurige herinnering aan kleine details bleef ook daarna, bij volgende bezoeken. De dunne jurk van een vriendinnetje in het park van Villa Borghese, de lentezon op een binnenplaats in de studentenbuurt San Lorenzo, het geklater van de fontein bij de kerk Santa Maria in Trastevere.
Rome openbaart zich eerst via de zintuigen – en pas later volgt de geest. De ruïnes van de Oudheid zijn in eerste instantie niets meer dan ruïnes, oude stenen die als bron van schaduw dienen of als rustplaats in een hete, drukke, afstandelijke stad. De fresco’s in al die kerken en musea zijn in eerste instantie niets meer dan grote lappen verf en figuren en kleur, zonder duidelijke boodschap of betekenis. Maar op een gegeven moment gebeurt er iets, en dan ontrafelt zich langzamerhand de kluwen van de geschiedenis. Op een gegeven moment geeft Rome zich gewonnen.
Dat overkwam ook Couperus’ Cornélie. In het pension van de markiezin ontmoette ze een jonge Nederlandse kunstenaar, die haar vroeg waarom ze eigenlijk naar Rome was gekomen.
– Ik weet het niet, zeide zij deemoedig. Ik had wel ergens anders ook kunnen gaan… Maar ik had mij veel van Rome voorgesteld, en Rome valt mij tegen.
– Hoe dat? – Ik vind Rome hard en onverbiddelijk, en zonder gevoel. Ik weet niet waarom, maar ik krijg die indruk. En ik ben tegenwoordig in een stemming, dat ik juist behoefte heb aan iets gevoeligs en zachts.
Hij glimlachte.
– Kom, zeide hij. Ga mee naar de Palatijn. Ik moet u Rome laten zien. Rome is zo mooi.
Arthur Weststeijn
Nederlanders in Rome
Auteur: Arthur Weststeijn
Taal: Nederlands
Afmetingen: 20 x 200 x 125 mm
Gewicht: 313 g
Uitgeverij Prometheus
Eerste druk september 2017
ISBN10 9035 1447 83
ISBN13 9789 0351 4478 1
Prijs: 17,99 euro
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 21 september 2017. Bekijk het origineel.

