Kardinaal Angelo Comastri, de voorzitter van de kerkfabriek van de Sint-Pietersbasiliek, heeft recent de nieuwe verlichting van de wereldberoemde Pietà van Michelangelo (1475-1564) voorgesteld. De nieuwe opstelling gebeurde volgens de kardinaal op een wetenschappelijk verantwoorde wijze en moet kunstkenners en specialisten in staat stellen de universele waarde van Michelangelo’s werk nog beter te begrijpen.
Michelangelo wilde in het jonge gezicht van Maria de boodschap benadrukken dat het vermijden van zonde de enige ware remedie is van schoonheid en eeuwige jeugd. Pietro Zander, die bij de Fabbrica di San Pietro verantwoordelijk is voor restauraties en conservaties, stelt eveneens dat de lichtfactor erg belangrijk is.
Volgens de specialist had Michelangelo destijds het verlichtingsprobleem eveneens zorgvuldig overdacht en voorzag de kunstenaar voor zijn nieuwe beeld zeer lage verlichtingswaarden. Daarvoor werden de marmeren oppervlakken zorgvuldig gladgemaakt, zodat het kaarslicht slechts miniem zou weerspiegelen in het marmer.
Nu werden de oudere armaturen vervangen door de nieuwste generatie ledverlichting. Er wordt gebruik gemaakt van warme witte tinten (3000 K) met een zeer hoge kleurweergave. De installatie gebeurde door het bedrijf iGuzzini Illuminazione dat een systeem van verschillende lichteenheden ontwierp waarvan de lichtintensiteit en aanstraling elk afzonderlijk volgens een gewenst scenario kunnen worden aangepast.
Naargelang het ingestelde scenario kan het licht zich concentreren op het beeldhouwwerk, terwijl de vloer, het plafond en de achtergrond minimaal worden verlicht. In dit scenario overheerst het licht nergens. Aan de andere kant is er een balans van clair-obscur die de plasticiteit van het werk herstelt en het mogelijk maakt om stil te staan bij zowel één bepaald detail als bij de harmonie van het geheel.
Bij een ander lichtscenario verlicht slechts één enkele lichtstraal de Pietà. De richting van de inval is in dit geval bijzonder duidelijk en rond het beeld zullen dan gemarkeerde schaduwen te zien zijn. De rustige verlichting van de gewelven en de achtergrond kaderen dan de hele marmeren groep. De lichtstralen kunnen in verschillende gradaties en op bepaalde tijden worden gedimd; de vloer is hier bijna verduisterd.
Bij een derde verlichtingsmogelijkheid zijn alle apparaten ingeschakeld. Het beeld is dan absoluut oogverblindend en wordt op zichzelf een lichtbron. De gewelven en de vloer hebben nu een iets lagere verlichting omdat alles geconcentreerd is in de stralende lichtbundel waarin het beeld zich bevindt. Het licht van het centrale gewelf, van de bogen en van de zijgewelven is enigszins ingetogen, alle aandacht gaat naar de Pietà.
Een vierde en laatste lichtscenario is ontworpen voor de pelgrims en de bezoekers van de basiliek die het werk helaas enkel zien door het beschermende raam. Daarom is de verlichting hier frontaal: de lichtbundels kruisen elkaar met symmetrische hoeken om de kijker toch de reliëfkenmerken van het werk te tonen. Het centrale gedeelte is gelijkmatig verlicht, terwijl de bogen en de gewelven aan de zijkanten met een lagere lichtintensiteit worden aangestraald. Het is niet ideaal, maar de verlichting is voor de bezoekers nu wel beter dan voorheen.
De Pietà is zonder meer een meesterwerk, maar gezien de vrijwel permanente toeloop van met flitsende camera’s en smartphones uitgeruste toeristen en het glazen veiligheidsscherm, is het de jongste jaren bijzonder moeilijk geworden om rustig te kunnen genieten van dit fantastische kunstwerk, dat gerust een mijlpaal in de beeldhouwkunst mag worden genoemd.
Het beeld werd in 1499, onder het pontificaat van Alexander VI Borgia, door de toen 25-jarige Michelangelo voor de oude Sint Pietersbasiliek gemaakt. Het werd in 1500 ter gelegenheid van het jubeljaar in kapel van Santa Petronilla geplaatst, ook bekend als de Cappella di San Michele.
De opdrachtgever was de Franse kardinaal Jean Bilhères de Lagraulas, ambassadeur van Karel VIII bij de Heilige Stoel. Hij bestelde het beeld oorspronkelijk voor zijn latere graf en betaalde een honorarium van 450 gouden dukaten. Omdat het Michelangelo’s eerste werk in Rome zou worden, bevatte de overeenkomst de bepalingen dat het kunstwerk binnen een jaar klaar moest zijn en dat het het mooiste beeld van Rome moest worden, zodat geen enkele kunstenaar het zou kunnen overtreffen.
Inderdaad heeft later niemand Michelangelo kunnen navolgen om de rechtop zittende Maria met de dwars over haar schoot liggende Christus als een gesloten groep uit te beelden. De afmetingen van de Pietà zijn 174 cm bij 195 cm.
De Pietà in de Sint-Pietersbasiliek was de eerste van vier die Michelangelo gedurende zijn lange leven maakte. De andere twee bevinden zich in Firenze, het vierde niet helemaal voltooide exemplaar is te zien in Milaan. Dit is overigens het enige werk dat door Michelangelo gesigneerd werd, op een marmeren band die als een sjerp over de borst van Maria ligt staat ‘Michael Angelus Bonarotus Florent. Faciebat’. Er staat ook nog een M gegraveerd in de binnenpalm van haar rechterhand, maar dat werd pas recenter ontdekt, daarover zo meteen meer.
Na de onthulling van de beeldengroep was heel Rome overweldigd en er werd al gauw gefluisterd dat een zo jonge man zoiets nooit had kunnen maken. Omdat Michelangelo de Pietà door toeschouwers aan de Milanees Cristoforo Solari hoorde toeschrijven liet hij zich volgens het verhaal de nacht nadien opsluiten in de basiliek, om het van zijn naam te voorzien.
Michelangelo kreeg aanvankelijk ook kritiek op zijn beeld, omdat hij Maria veel te jong had afgebeeld in vergelijking tot haar 33-jarige zoon. Tegen zijn leerling Ascanio Condivi zei de meester dat zuivere vrouwen nu eenmaal langer hun jeugdigheid bewaarden en dat hij Maria met opzet een goddelijke uitstraling had gegeven terwijl hij van de Zoon van God een echte mens had gemaakt. Waarschijnlijk heeft Michelangelo zich laten inspireren door Dante’s Divina Commedia, waarin Maria ‘figlia del suo figlio’, de dochter van haar zoon wordt genoemd. De keuze kan ook verwijzen naar de moeder van Michelangelo die stierf toen hij 5 jaar was.
Wat niet op het eerste gezicht opvalt, is dat Maria veel groter is dan Jezus. Dit was niet omdat Michelangelo het verkeerd deed, hij paste hun afmetingen doelbewust aan. Daardoor werd het beeld harmonieuzer en evenwichtiger, en belichtte hij ook Maria’s rol als moeder. Hoe dan ook stond iedereen, los van alle afgunst en roddel, vol bewondering voor de onnavolgbare gladheid van het marmer, de soepele plooienval en de gezichtsuitdrukking van de beide personen.
Het was inderdaad een meesterwerk, zelfs mooier dan welk voorbeeld dan ook uit de Oudheid, en Rome had wat dit betreft echt wel genoeg vergelijkingsmateriaal. De Pietà vormde een bewijs voor de grotere scheppingskracht van de nieuwe tijd, daarover was iedereen het eens.
Sinds 1749 staat de Pietà op zijn huidige plaats in de Sint-Pietersbasiliek. Op 21 mei 1972 (Hemelvaartsdag) werd het beeld door Laszlo Toth, een geesteszieke Australiër van Hongaarse afkomst, beschadigd met een hamer. De man dacht dat hij de enige Christus was. Met vijftien slagen verwijderde hij Maria’s arm bij de elleboog, sloeg een stuk van haar neus af en sneed één van haar oogleden af. Toth kon overmeesterd worden door omstanders. Laszlo Toth verbleef twee jaar in een psychiatrisch ziekenhuis in Rome en werd daarna gedeporteerd naar Australië.
Tijdens de restauratie na de aanslag ontdekte men dat Michelangelo in de handpalm van de Madonna het voormelde monogram, een M, had gebeiteld. Een voor het publiek nadelig gevolg van de aanslag is dat de Pietà nadien werd ingekapseld in veiligheidsglas en dat bezoekers nadat het beeld werd hersteld niet meer rond de Pietà kunnen wandelen. De maatregel is begrijpelijk, maar voor kunstliefhebbers betekent het hoe dan ook een verlies. (Met dank aan Hugo Vanermen voor de tip)
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 25 november 2018. Bekijk het origineel.

