Paardenstallen van keizer Augustus blijven zorgen voor discussies

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Er komt maar geen einde aan de lijdensweg van de paardenstallen van keizer Augustus die enkele jaren geleden per toeval werden ontdekt aan de Via Giulia, vlakbij Ponte Mazzini. De vondst van het stabulum gebeurde tijdens de voorbereiding voor de aanleg van een grote ondergrondse parkeergarage. De werkzaamheden werden meteen opgeschort en de archeologen kregen vrij spel om de site grondig te onderzoeken. De opgravingswerken slorpten tot nog toe al 5 miljoen euro op en zorgden voor nieuwe, baanbrekende inzichten.

Het was ook het begin van een ellenlange discussie of de parking er effectief moest komen of dat de hele archeologische site integraal zou bewaard blijven. Vandaag is men er nog steeds niet uit. Een actiecomité probeert de aanleg van de parking hoe dan ook te voorkomen. Andere burgers hebben graag dat een beperkt deel van de site bewaard blijft en zijn niet afkerig van wat extra parkeerplaatsen in de buurt. De projectontwikkelaar klaagt dat het project hem ondertussen al handenvol geld heeft gekost zonder dat er ook maar één steen is gebouwd.

De regering heeft geen geld om de site op een of andere manier als museum of archeologische bezienswaardigheid te integreren in de parkeergarage, laat staan dat er voldoende middelen zijn om de site volledig te beschermen en open te stellen voor het publiek. De voormalige paardenstallen van keizer Augustus dreigen daarom te verdwijnen onder geotextiel en beton, louter om op deze plaats 293 auto’s te kunnen parkeren.

De parking past in het stadsvernieuwingsproject dat de lelijke lege plek aan de Via Giulia vlakbij Piazza della Moretta moet opvullen. Begin vorige eeuw werden hier een aantal huizen gesloopt om een kruispunt en een paar extra straten aan te leggen. De bouwkundige wonde in de Via Giulia die toen door het verdwijnen van enkele huizen ontstond is nooit echt geheeld, al hebben de bewoners en toeristen van vandaag deze omgeving nooit anders gekend. Het is pas wanneer je er op let dat je beseft dat hier ooit iets fundamenteels is weggehaald.

Het plan voor de heraanleg van de omgeving ontstond al in 1909. Het was de bedoeling een nieuwe en vlottere verbinding te creëren tussen de Chiesa Nuova en de Regina Coeli-gevangenis aan de overzijde van de Tiber. Daarvoor moesten ondermeer Palazzo Ruggia en Casa Incoronati wijken.

De werken werden wel aangevat maar door allerlei omstandigheden werd de geplande weg echter nooit volledig afgebouwd. Daardoor blijft de Via Giulia tot vandaag zitten met een kruispunt dat hoegenaamd geen doel heeft en tref je er een pleintje aan dat eigenlijk geen plein is maar een nutteloze leegte.

Archeologen reageerden in 2009 euforisch op de ontdekking van de zeer goed bewaarde resten aan de Via Giulia, een vindplaats die snel aan belang zou winnen. Het duurde uiteindelijk tot 2011 vooraleer duidelijk werd dat men hier te maken hadden met de paardenstallen die verbonden waren aan het Circus Maximus en onder keizerlijk gezag stonden. Ze werden meer dan waarschijnlijk gebouwd door Agrippa, de goede vriend van keizer Augustus.

Archeologen omschrijven de ontdekking als één der belangrijkste van de jongste jaren, al worden de termen ‘uniek’, ‘belangrijk’ en ‘onovertroffen’ in Rome wel vaker gehanteerd wanneer het gaat om archeologische overblijfselen. In dit geval lijkt het niet echt om een overdrijving te gaan.

Het complex is zo goed bewaard en leverde zoveel details op dat bepaalde theorieën over de organisatie van de facties van de wagenmenners al moesten gewijzigd worden. De archeologen hebben proberen uit te zoeken hoe de structuur van het complex precies in elkaar stak en hoe de paarden van de diverse teams van elkaar werden gescheiden.

Archeologen kwamen veel meer te weten over het ontwerp en de onderdelen van dergelijke gebouwen. Het meeste van wat hierover tot nog toegekend was is afkomstig van een paar voorbeelden in kleinere militaire kampen of van zeldzame afbeeldingen, weergegeven in mozaïeken zoals die in Noord-Afrika werden ontdekt. Hoe dan ook wacht de archeologen nog heel wat studiewerk.

De structuur van het complex bestaat uit een reeks parallelle wanden, verbonden door gangen. Het geheel is opgetrokken uit travertijn. In sommige delen bevinden zich nog de stenen palen waaraan de dieren werden vastgemaakt. De stijl en methode van bouwen wijzen duidelijk in de richting van Agrippa, de goede vriend van keizer Augustus die in zijn latere politieke carrière verantwoordelijk was voor veel publieke gebouwen, herstelwerkzaamheden en verbeteringen, waaronder de renovatie en bouw van aquaducten, thermen en tuinen.

In 33 v. Chr. werd Agrippa verkozen als één van de aediles plebis (verantwoordelijk voor de gebouwen en festivals) en zorgde hij ervoor dat de straten werden hersteld en de riolen werden schoongemaakt, terwijl hij volop publieke spektakels organiseerde. Uit die tijd dateert vermoedelijk ook dit complex.

In de richting van de Tiberoever, op weg naar Circus Maximus, werd ook een stuk verharde weg blootgelegd, die vertrekt vanuit de mooiste kamers van het complex. De vloeren zijn bedekt met zwart-witte mozaïeken. Te oordelen naar de structurele veranderingen en aanpassingen is het gebouw tot in de vierde eeuw in gebruik gebleven.

Na afloop van de wagenrennen in het Circus Maximus trokken de keizerlijke teams met hun paarden naar deze luxueuze stoeterij waar de dieren verzorgd werden. Archeologen wisten dat dit complex zich ergens in de buurt moest bevinden maar hadden het helemaal niet verwacht onder het toekomstige parkeerterrein.

De ontdekking is daarom ook van groot belang voor de topografie van het Oude Rome. Ondanks het feit dat zowat vijfhonderd jaar geleden de uitgravingen voor de fundamenten van de huidige gebouwen langs de Via Giulia de vindplaats gedeeltelijk hebben beschadigd, blijkt de site nog verrassend goed bewaard.

Tijdens de wagenrennen kwamen telkens vier teams in actie die elk een politieke stroming vertegenwoordigden: de Witten (Albata), de Roden (Russata), de Blauwen (Veneta) en de Groenen (Prasina). Op feestdagen werden races gehouden, vanaf de tijd van keizer Nero zelfs 24 per dag. In uitzonderlijke gevallen werden er tot 100 races per dag gereden.

Meestal gebeurde dat met een vierspan, maar soms reden de menners ook met acht paarden. De wagens vertrokken vanuit de carceres waar twaalf startkooien naast elkaar stonden. De magistraat die belast was met de organisatie van de spelen gaf het startsein waarna de hekken van de kooien opengingen. In een vijf k ilometer lange race moesten de wagens zeven keer om de spina heen rijden.

Bij de metea, de keerpalen op de hoeken van de spina, was het de bedoeling om de bocht zo kort mogelijk te nemen om zo de tegenstanders te hinderen. Het gebeurde regelmatig dat de wagens kantelden en de menners eruit geslingerd werden. Pijnlijk, en soms zelfs dodelijk want het kon ook gebeuren dat de wagenmenners werden meegesleurd door de paarden en zo een akelige dood tegemoet raasden.

Op de spina stonden aan beide uiteinden zeven eieren en zeven met water gevulde bronzen dolfijnen opgesteld, waarmee de verreden rondes werden afgeteld. Bij iedere doorkomst werd een ei verwijderd en een dolfijn omgekiept zodat het water in een marmeren bak terecht kwam.

De menners waren meestal slaven of vrijgelatenen met een lage sociale status. Zij konden door de grote populariteit van de wagenrennen echter veel roem vergaren. Vrouwen werden verliefd op hen en dichters droegen hun werk aan hen op. Het waren samen met de beroepsgladiatoren de sporthelden uit de oudheid.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 27 augustus 2014. Bekijk het origineel.