De wereld is klein geworden, heel klein. Alle wegen mogen dan wel naar Rome leiden, maar dat dient tot weinig als die wegen nu al maanden zijn afgesloten. Een mens wordt er mismoedig van. De enige oplossing is dan het verre nabij te zoeken.
Dus, met Schrijver dezes en met de Grote Speurder een wandeling gemaakt door het centrum van mijn wereld op dit moment, de Leuvense binnenstad! Omdat ik alleen woon, mag ik twee nabije contacten ontvangen, met deze twee illustere doch soms ook schimmige figuren mag ik dus verkeren…

Leuven en de Romeinen. Niet het thema waar u meteen aan denkt. Tongeren en de Romeinen, ja, dat wel. Maar gebaande paden bewandelen met mijn twee kompanen is onmogelijk. Ziet u de Grote Speurder al zeggen dat iemand anders gelijk zou (kunnen) hebben? Ik niet.
Dus, hup, gedaan met Tongeren, geen Velzeke of Kester, geen Viroviciacum, Geminiacum, Vodgoriacum, Perviciacum, niets van dat alles. Geen reliëfs uit Aarlen, niets van wat u al weet. Nee, Leuven.
Alhoewel. Tongeren ligt als een spin in zijn web en vormt het vertrekpunt of doorgangspunt van heel wat wegen. De weg Boulogne – Bavai – Tongeren – Keulen kent u wel, dat is de as waar heel Romeins België om draait.
Maar daar blijft het vanuit Tongeren niet bij. Er loopt een weg richting Aarlen, er loopt er één mysterieus naar het noorden die vanaf Bilzen verdwijnt.
(Op dat moment onderbrak de Grote Speurder mij en zei: ‘Oirschot, die weg loopt langs Bree naar Oirschot en dan langs Esch met zijn rijke graven (denk aan het barnstenen beeldje van Bacchus!) naar Grinnes of Rossum en sluit daar aan op de binnenweg langs de limes!’ Het zal ongetwijfeld wel waar zijn…)
En er loopt een weg naar Tienen. Eigenlijk liepen er twee opeenvolgende wegen naar Tienen, maar dat moet u maar nalezen in De Romeinse heerbaan. De oudste weg door de Lage Landen, het nieuwe boek van Robert Nouwen dat in juni verschijnt.
Kaartje door J. Mertens, uit Geschiedenis van het stadsgewest
Leuven tot omstreeks 1600 (Leuven, 1980).
De tweede weg van Tongeren naar Tienen liep eigenlijk niet naar Tienen (wat moet een mens daar uiteindelijk doen?), maar naar Elewijt en dan verder richting Velzeke en uiteindelijk Boulogne. (In Elewijt kan een mens nu eenmaal ook weinig doen.)
En het is een mathematisch feit dat u op een rechte lijn dan door het Leuvense komt.
Alleen: daar houdt het op. Niemand weet waar die weg heeft gelopen en waar hij de Dijle is overgestoken (want dat is de voornaamste reden waarom een weg door Leuven loopt, misschien tot ongenoegen van het stadsbestuur dat tal van andere redenen kan opsommen waarom men naar Leuven zou gaan, maar wegen lopen nu eenmaal naar Leuven om de Dijle in zijn vele aftakkingen over te steken. Daar dankt de stad haar ont- en bestaan aan).
De enige manier om dit echt te weten te komen is het volledig slopen van de binnenstad, zodat de archeologen de site kunnen omwoelen en er daarna een archeologisch park van kunnen maken. Het stadsbestuur lijkt dat idee niet heel genegen en helemaal ongelijk kan men het daarin niet geven. Nog afgezien van het feit dat ook mijn appartementencomplex dan zou verdwijnen.
Als we de Romeinse vondsten in Leuven bekijken, dan stemt dat niet meteen heel positief. Er zijn wat scherven en munten gevonden. Wauw! Alleen Groenland en Nieuw-Zeeland doen slechter. Enkele scherven bij het Sint-Pietersziekenhuis in afbraak naast de Dijle, naar het schijnt. Enkele fragmenten van een dakpan onder de Sint-Pieter, naar het schijnt. Met één dakpan bouwt zelfs een Romein geen villa.
Toch staat er in een historisch overzicht van Leuven dat in 2019 het licht zag, dat er resten van een villa of nederzetting zijn aangetroffen, maar ondanks het feit dat de Grote Speurder speurt en speurt, het is zelfs hém nog niet gelukt literatuur of de vondsten zelf te vinden. En dat wil wat zeggen, want de Grote Speurder speurt degelijk.
En toch moet, bij ontstentenis van Romeins vliegverkeer, door het Leuvense een Romeinse weg hebben gelopen. In Bierbeek en in Wilsele heeft men resten van villae gevonden. Waar blijft Leuven?

Het probleem blijkt te zijn dat de weg van Tongeren tot Tienen nog redelijk te reconstrueren is, maar daarna is de weg inderdaad weg. Mogelijk heeft het traject min of meer dat van de huidige steenweg gevolgd, maar dat is een hypothese die berust op de combinatie van a) het feit dat de steenweg tussen Tienen en Leuven een rechte lijn volgt en zodoende de kortste weg is, en b) het feit dat Romeinen erg recht door land waren als het op wegen aankomt.
U kunt dat nog mooi zien op wat er nog bestaat van de weg Bavai – Tongeren of ook tussen Edingen en Asse langs het eerder al genoemde Kester. De rotonde die de gemeente Gooik op die weg heeft aangelegd, stiekem en achter de rug van de bevoegde instanties in Rome om, is een horribele moderniteit.
De tumulus van Hottomont, mét Romeinse weg.
De procurator viarum Belgicae et Germaniae Inferioris moest het eens weten, Agrippa zou zich omdraaien in zijn graf! (Dat laatste is in Rome sinds kort weer te bezoeken, want Agrippa werd bijgezet in het mausoleum van Augustus, al is het als gevolg van de coronamaatregelen momenteel weer dicht.)
Als we dat idee verder volgen, moet de Romeinse weg dus in de buurt van de Tiensestraat hebben kunnen lopen, om dan na de Grote Markt de Dijle over te steken. Of dat laatste ter hoogte van de Brusselsestraat was of noordelijker, is volstrekt onbekend. Maar voor de Tiensestraat bestaat er bijkomend bewijs.
Want wat onderscheidt de civitas Tungrorum van alle andere civitates van het Rijk? De tumuli. Deze grote grafheuvels tieren welig in de civitas Tungrorum die net in het Leuvense grensde aan de civitas Nerviorum. Bij de Dijle dus.
U vindt deze tumuli langs de weg Bavai – Tongeren. Heel mooie zijn die van Glimes en Hottomont (foto hieronder). Een tommentocht langs deze weg loont echt de moeite!. U vindt deze langs de weg van Tongeren naar Tienen zoals bij Grimde.

En u vond er een in Leuven. Akten uit de 14de eeuw spreken over iets buiten de poort bij Sint-Michielskerk iuxta tumbas, ‘naast de tommen’. Het gaat uiteraard om de oude Sint-Michielskerk, niet de huidige die van de jezuïeten was. De oude stond naast en op de oude stadspoort van de eerste omwalling over de Tiensestraat. Voilà, we zijn er. Eccoci qua!
Wat is de zin van een tumulus? Een tumulus dient om iemand (of verschillende iemanden) in te begraven op een duidelijk zichtbare manier. Het laatste is een wezenlijk kenmerk. Een tumulus moet zichtbaar zijn, anders schiet het ding zijn doel voorbij. Dus mag het ons niet verbazen dat de meeste tumuli braaf langs de Romeinse wegen liggen.
Kleine tumulus langs de weg Bavai – Tongeren.
Een betreurenswaardige daad van stadsvernieuwing heeft de Leuvense tumulus al lang geleden het veld doen ruimen, zodat al wat ervan rest een straatnaam is, een toponiem, de Tomveldstraat. Overigens een onooglijk straatje waar verder niets herinnert aan de Tomme.
We hebben dus een Romeinse vondst in Leuven, al is het nog altijd niet om over naar huis te schrijven. Het Leuvense stadsbestuur zal zich eerder aarzelend opstellen om hier een toeristische attractie te ontwikkelen en dat niet geheel ten onrechte.
En dat terwijl andere plaatsen zoveel leuks hebben! Gelukkig kent de Romeinse topografie nog tal van witte vlekken en punten. De legerkampen van Caesars Gallische oorlog bijvoorbeeld. Dat van Sabinus en Cotta is voor oostelijker regionen (nee, niet Tongeren!).
Maar we hebben gelukkig Q. Tullius Cicero nog. Broer van. En legaat van Caesar. In dezelfde winter toen Ambiorix het garnizoen van Sabinus en Cotta uitmoordde en zich daarmee wist te vereeuwigen als cafénaam op de Oude Markt, lag Q. Tullius Cicero iets naar het westen. En we weten dus niet waar. Ondanks dat we er nu al eeuwen naar zoeken.
Romeinse legerplaatsen blijken notoir moeilijk om archeologisch terug te vinden. Als we alleen mogen geloven wat archeologisch betuigd is, dan heeft de Gallische oorlog niet plaatsgevonden…
Het kamp van Cicero (Q. dus) is al gesitueerd in Bergen (Mons), Namen, Binche, Kester (opnieuw), … Onlangs nog stelde een hoogleraar wiskunde aan de VUB voor het kamp in Sint-Kwintens-Lennik te zoeken.
De man zou beter wiskunde blijven doen en zich realiseren dat de studie van de klassieke oudheid ook een eigen wetenschappelijk vak is. Een van zijn argumenten was dat het patronaat van de kerk, Sint-Kwinten dus, H. Quintinus, wel erg lijkt op Quintus (Tullius Cicero). Zo kan ik ook wel iets bedenken.
Straks maken we van onze Leuvense Sint-Kwintenskerk ook nog een mogelijke locatie voor Quintus T.C. Die hoek heette vroeger Ten Hove: een beetje fantast ziet daar wellicht een aanwijzing in voor een legerkamp.
Keizersberg site van de hertogelijke burcht.
Nee, in Leuven hebben we iets veel leukers dan Quintus die belegerd wordt door woeste Nerviërs doch moedig stand houdt als een omgekeerde Asterix: wij hebben Caesar zelf!
Althans, dat wil het verhaal toch.
In het noorden van de stad verheft zich de Keizersberg, de plaats van de oude burcht van de hertogen van Brabant vanaf goed 1230. De naam Keizersberg is volgens de lokale sage met Caesar verbonden en de Franse benaming luidt dan ook nog steeds: Mont César.
Geleerde ontkrachters hebben dat uitgelegd en gecorrigeerd: het gaat niet om Caesar, maar om Karel V die in zijn prille jaren hier verblijf hield en het onderwijs genoot van de latere paus Adrianus VI. Of hij dat onderwijs inderdaad ‘genoot’ is een tweede en laat ik hier in het midden. Wijselijk. Zo tactisch ben ik al geworden.
Dat klinkt heel aannemelijk, maar voor één keer hebben de ontkrachters ongelijk. De legende is ouder. Een kroniekschrijver uit de 15de eeuw (en Karelke is in 1500 geboren, op 24 februari), Hennen van Merchtenen, beschrijft in zijn Cornicke van Brabant uit ca. 1414 hoe Silvius Brabo in Antwerpen de handwerper zijn hand afhakte en wierp.
Vervolgens trouwde deze Silvius Brabo met Suena, een nicht van niemand minder dan Caesar zelf (die evenwel niet in de officiële stamboom van de gens Iulia terug te vinden is).
Keizersberg site van de hertogelijke burcht.
Ongetwijfeld tot grote spijt van de burgemeester van Antwerpen vond dat huwelijk niet plaats in dat ongure oord dat door al dat handwerpen zo bloederig bezoedeld was, maar op een lieflijk oord aan de Dijle, u allen welbekend. En vervolgt Hennen van Merchtenen (v. 707-708):
Ende na der hant dedi daer sekerlike
Op den berch een castel maeken.
Nu hoort u het eens van een ander.
En daarom zwerf ik in deze coronatijden af en toe bij mooi weer over de Keizersberg, op zoek naar de hoefafdruk van het paard van Caesar dat het ultieme bewijs zal zijn. Als u mij daar bezig ziet, laat u mij dan rustig mijn gang gaan. Ik doe er niemand kwaad mee. En eens zál ik het vinden!
Uitzicht op Leuven vanaf de Keizersberg.
Helaas niet beschreven door Caesar in zijn De bello Gallico.
Dr. Michiel Verweij
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 13 april 2021. Bekijk het origineel.

