In Barbegal (Zuid-Frankrijk) bevindt zich een enorm Romeins watermolencomplex uit de tweede eeuw. Volgens Science Advances kregen wetenschappers dankzij ingenieus laboratoriumonderzoek nieuwe inzichten in wat de Romeinen precies deden met dit technologische meesterwerk, het vroegste en grootste bekende industriële gebruik van waterkracht door een oude samenleving. Het complex bestaat uit zestien watermolens, opgesteld in twee rijen van acht, en is de grootste bekende concentratie van mechanische kracht in de antieke wereld. In de Romeinse tijd bestonden vermoedelijk meer van dergelijke complexen, maar tot dusver werden nergens watermolencomplexen van deze omvang teruggevonden, ook niet bij opgravingen van andere beschavingen.
De watermolens bevonden zich op zowat 8 km ten noordoosten van de antieke stad Arelate, het huidige Arles. Dat was een belangrijke stad in het Romeinse Rijk en toen het christendom werd ingevoerd, werd Arles ook een belangrijk religieus centrum. In de stad vind je vandaag nog talrijke Romeinse restanten. Het watermolencomplex werd vanaf 1937 opgegraven door Fernand Benoit die het identificeerde als een hydraulische meelfabriek.
Sommige van zijn conclusies zijn ondertussen achterhaald. Lange tijd geloofde men dat de molens van Barbegal werden gebouwd aan het einde van de derde eeuw, toen Arles de residentie was van keizer Constantijn en dat de productie van meel moest dienen voor het keizerlijke bestuur. Dat bleek niet te kloppen. Nieuwe opgravingen leidden tot het opgeven van deze hypothese. Zo neemt men nu aan dat het complex teruggaat tot de regeerperiode van Trajanus, en niet tot de late derde eeuw zoals eerst gedacht.
Ook de productieramingen van Benoit (4,5 ton meel per dag) werden herzien. Latere berekeningen toonden aan dat het veel meer moet geweest zijn. Het complex was volgens antieke begrippen immers gigantisch. De zestien watermolens stonden in twee rijen van acht en maalden volgens de actuele ramingen tot 25 ton graan per dag, voldoende om 27.000 mensen te voeden. Die productie was meer dan genoeg om het lokale verbruik te dekken en nog heel wat over te hebben voor export, voornamelijk naar de in Gallië gelegerde legioenen. Dat was althans de denkpiste.
Tot dusver, tachtig jaar na de eerste opgraving van het complex (1937-1939), bleven de belangrijkste vragen open: wat was de bestemming van de grote hoeveelheid meel die door het molencomplex werd geproduceerd? Hoe functioneerde het complex en hoe lang was het in gebruik? Waren molencomplexen van deze omvang verspreid over het hele Romeinse rijk? Zo ja, waarom zijn er dan zo weinig teruggevonden? Deze vragen zijn onopgelost gebleven omdat de ruïnes slechts fragmentarisch zijn, de opgravingen onvolledig zijn en slechts enkele andere industriële locaties van enigszins vergelijkbare omvang bekend zijn in het Romeinse rijk. Nieuwe laboratoriumtechnieken en interdisciplinair onderzoek wierpen recent een nieuw licht op deze oude vragen.
De molens van Barbegal werden aangedreven met water vanuit de Alpilles over een aquaduct van 9 km lengte dat ook de stad Arles van water voorzag. Het water liet kalkafzettingen achter op de houten raderen. De houten onderdelen zijn vergaan, maar de kalklagen bevinden zich in het Musée de l’Arles Antique en werden recent geanalyseerd. De onderzoekers keken naar de kristalsamenstelling van de afzettingen en de verhouding van twee zuurstofisotopen, die onder andere varieerden met de temperatuur. Zo ontdekten ze dat de molens in de koudere periodes van het jaar regelmatig langere tijd buiten gebruik waren omdat er dan geen kalk werd afgezet.
Tot nu toe gingen archeologen ervan uit dat het meel van de molens bestemd was voor bewoners van Arelate. Maar hoe voedden die zich dan als de molens maandenlang stilstonden? Vanwege de lange pauzes in het gebruik vermoeden de onderzoekers dat het meel niet naar de stad ging, maar vooral werd gebruikt om lang houdbaar, dubbel gebakken brood te produceren, dat werd meegenomen op schepen. Dit brood zou de schepen bevoorraad hebben die de nabijgelegen havens van Arles en Fossae Marianae bezochten.
Panis nauticus, ook wel panis militaris of buccelatum genoemd, was een belangrijk ingrediënt aan boord van schepen. Nadat het dubbel gebakken was, was het geschikt voor langdurige opslag, net zoals scheepsbrood (panicus panis) dat in latere periodes werd gebruikt. In de maanden dat er geen vraag was uit de havens in de omgeving (in de herfst en de winter) stonden de molens effectief stil.
Archeoloog en classicus Miko Flohr (Universiteit Leiden) is onder de indruk van de kalkanalyse die hij een prachtige manier noemt om inzicht te krijgen in het gebruik van de watermolens. Bij de suggestie dat het brood was bestemd voor zeelui, heeft hij nog wel vragen. Het dubbel gebakken brood was lang houdbaar, dus waarom zouden de Romeinen niet zijn doorgegaan met de productie van bloem als er een tijdlang geen vraag was? Bovendien zijn de pauzes enkel voor sommige jaren aangetoond. Bleven de molens in andere jaren gewoon in werking? En had die pauze dan misschien eerder te maken met een tekort aan water of aan graan? Daarover zal de komende jaren ongetwijfeld nog veel worden gediscussieerd.
Een vergelijkbaar watermolencomplex dat nu grotendeels verdwenen is bevond zich bij de Janiculum-heuvel in Rome. Vermoedelijk deed het dienst als productiecentrum voor openbare bakkerijen. Ook bij Caesarea (op de Crocodilus) en Simitthus (op de Medjerda) bestonden parallelle watermolencomplexen, maar voor zover we nu weten werd nergens in het Romeinse rijk de grootte van het complex van Barbegal geëvenaard. De molens botsen ook met het heersende idee dat Romeinen vrijwel al hun zware werk door slaven lieten uitvoeren. De toenemende mechanisering en de Romeinse technologie zorgde er gaandeweg voor dat de echt zware karweien niet meer door mensenhanden moesten worden uitgevoerd. Het molencomplex van Barbegal bleef in gebruik tot rond het einde van de oudheid.
Met de inzichten die de nieuwe studie over Barbegal heeft opgeleverd, zou toekomstig onderzoek zich moeten richten op de zoektocht naar andere soortgelijke grote watermolencomplexen die waarschijnlijk onze perceptie van industriële groei in de Romeinse tijd zullen veranderen. Het is bijna onmogelijk dat in het hele Romeinse rijk slechts enkele van deze grote productiesites bestonden.
Voor watermolencomplexen zoals Barbegal en de Janiculum waren een grote afzetmarkt voor meel en een geschikte watervoorziening nodig. Omdat zowel de locatie van grote stedelijke centra en havens in het Romeinse rijk, als de locaties van grote aquaducten en hun bronnen bekend zijn, zou het mogelijk moeten zijn om met behulp van die twee belangrijke criteria na te gaan waar mogelijk dergelijke grote en tot nu toe onontdekte fabriekscomplexen te vinden zijn.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 23 september 2018. Bekijk het origineel.

