De naam ‘gladiatoren’ is afgeleid van het Latijnse gladius, (zwaard). Deze zwaadvechters namen deel aan gevechten op leven en dood die in de Romeinse amfitheaters werden georganiseerd. Dergelijke gevechten waren van Etruskische oorsprong. Aanvankelijk waren het particuliere lijkspelen, die de plaats van mensenoffers innamen. Zij werden in 264 v. Chr. voor het eerst als begrafenisritueel opgevoerd; als publieke spelen het eerst in 105 v. Chr.
Daarna zouden op regelmatige basis gladiatorengevechten en spelen plaatsvinden, op kosten van aediles, hoge Romeinse ambtenaren die voor een jaar werden gekozen (*) en in de keizertijd ook van andere magistraten en van de keizers die zich door dit volksvermaak populair wilden maken.
Op zondag 25 oktober om 11 u. gaan we met S.P.Q.R. op groepsbezoek bij de gloednieuwe gladiatorententoonstelling in Tongeren. Er worden Nederlandstalige gidsen voorzien.
Lees hier hoe je kan deelnemen aan dat bezoek.
De spelen, soms met zeer veel paren of grotere strijdgroepen, slorpten vaak enorm veel geld op. Zo werd er soms tegen wilde dieren gestreden. De gladiatoren waren niet zelden krijgsgevangenen, slaven en tot de spelen veroordeelde misdadigers. Later waren het ook vrije burgers die, door armoede gedwongen, zich als zodanig verhuurden. Uiteindelijk betraden soms zelfs prominenten de arena, hetzij vrijwillig, hetzij onder pressie van de keizer.
Sinds de vroege keizertijd had men verschillende soorten zwaardvechters, naargelang van de wapens en de wijze van vechten. Tot de lichtgewapenden behoorden de retiarii, die als beschutting niets droegen dan een mouw aan de linkerarm met een over de schouder in de hoogte staand stuk leer en die met een net, dat zij over hun tegenstander probeerden te werpen, een drietand en een dolk gewapend waren.
Zwaar gewapend waren de murmillones, verder de samnites, kenbaar aan hun groot, vierhoekig schild, en de thraces met klein schild en gebogen zwaard. De spelen begonnen gewoonlijk als schijngevecht met stompe wapens; daarna echter streed men met scherpe wapens op leven en dood.
De groet die de gladiatoren voor het gevecht begon aan de keizer brachten, werd een gevleugeld woord: Ave Caesar, morituri te salutant (= Gegroet Ceasar, zij die gaan sterven wensen u heil; Suetonius, Claudius 21, waar echter staat: Ave Imperator).
De overwonnene kon door de wil van het volk en van de keizer worden begenadigd. Overwinnende gladiatoren werden met erekransen en geld begiftigd. Constantijn de Grote verbood in 325 alle gladiatorengevechten in het oosten van het Romeinse Rijk; Honorius deed omstreeks 400 hetzelfde in het westen.
Achtergrondinformatie
(*) Aediles waren hoge Romeinse ambtenaren, voor één jaar gekozen. Hun oorspronkelijke functie is onzeker, maar het ambt is in ieder geval ingesteld door de plebs van Rome, vermoedelijk omstreeks 494 v. Chr. Waarschijnlijk is de naam afgeleid van het Latijnse aedes (tempel) en hielden zij oorspronkelijk als beambten van de tempel van Ceres op de Aventijnse heuvel, gelegen in de wijk van de plebs, toezicht op het gebouw van deze godin. Tevens beheerden zij daar het plebejische archief en misschien traden zij ook op als helpers van de tribuni plebis.
Ieder jaar werden twee aediles uit het plebs gekozen door het Concilium Plebis. Het plebs of plebeii (plebejers) was in de vroegste periode van de Romeinse geschiedenis de aanduiding voor de grote massa, de bevolking die geen politieke en burgerlijke rechten bezat. Plebejers waren op die manier onderscheiden van patriciërs. In 367 v. Chr. verkregen zij toegang tot het consulaat krachtens de lex Licinia-Sextia, die bepaalde dat ten minste één consul plebejer moest zijn.
De twee aediles curules, gekozen door de Comitia Tributa (aanvankelijk uit patriciërs, weldra uit beide standen), ontleenden hun naam aan hun recht op een sella curulis (ivoren klapstoel), die in principe voorbehouden was aan magistraten met een imperium. De aediles curules bezaten overigens geen imperium, maar zij waren belast met een beperkte rechtspraak vooral inzake handelsgeschillen en dergelijke. Het feitelijke onderscheid tussen beide categorieën vervaagde echter al spoedig.
De vier aediles waren vanaf 367 v. Chr. ambtenaren van het gehele Romeinse volk. Zij stonden in rang onder praetor en boven quaestor. Het college kreeg mettertijd als werkzaamheden (met de bevoegdheid bepaalde boetes op te leggen) de cura urbis (politie en publieke werken), de cura annonae (marktwezen en graanvoorziening) en de cura ludorum sollemnium.
Deze laatste taak hield de organisatie in van de meeste openbare feesten, waarvoor de aediles vaak uit hun eigen vermogen boven de staatssubsidie extra onkosten maakten om de volksgunst te winnen en aldus hun carrière te bevorderen. In de Keizertijd werd hun werkkring beperkt tot de cura urbis, wat het ambt minder belangrijk maakte.
Nieuws uit Rome – https://www.spqr.be
De patriciërs (patricii) vormden de klasse van bevoorrechte burgers in het oude Rome, de dragers van de erfelijke adel, die oorspronkelijk als zodanig ook alleen het recht hadden de ambten te bekleden, zitting te hebben in de Senaat en priester te worden (patricii verwant met patres, leden van de Senaat). Behalve de patriciërs en hun slaven had men in Rome clientes of horigen, onder bescherming van een patriciër geplaatst; deze waren grotendeels afkomstig uit de plebejers.
Geleidelijk aan werden ook de andere ambten voor het plebs toegankelijk en in 287 v. Chr. bracht de lex Hortensia volledige politieke gelijkstelling. Het verschil tussen patriciërs en plebejers vervaagde steeds meer.
In de plaats daarvan openbaarde zich een onderscheid tussen aanzienlijken en armen: de aanzienlijken onder de plebejers die het tot ambtsbekleding brachten, smolten met de patriciërs samen tot een nieuwe aristocratie: de nobilitas, de ambtsadel van de nobiles. Alleen voor enkele functies (die van de flamines en salii, van rex sacrorum, interrex en misschien ook princeps senatus) behielden de patriciërs hun oude voorrechten.
Het aantal patriciërs verminderde echter snel, vooral door de burgeroorlogen. Men vermoedt dat er bij de val van de Republiek niet meer dan ongeveer vijftig patricische geslachten bestonden. Dit aantal werd door Julius Caesar, Augustus en latere keizers vermeerderd door aan nieuwe geslachten de rang van patriciër toe te kennen.
Toch genoten de patriciërs in de keizertijd steeds minder aanzien. Toen Constantijn de Grote een nieuw rangenstelsel invoerde, werd het woord patricius een persoonlijke titel, die de drager verhief tot een waardigheid die op die van de consul volgde.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 11 oktober 2015. Bekijk het origineel.

