Vioolbouwer Stradivarius kende chemische houtbehandeling

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

De 18de eeuwse Italiaanse instrumentenbouwers Stradivarius en Guarneri del Gesu hebben het esdoornhout dat zij gebruikten voor hun violen chemisch behandeld om zowel de conservering ervan te verzekeren als de klank te verbeteren. Dat bericht stond vandaag in verscheidene Belgische kranten, die zich baseerden op een studie in het Britse blad Nature. Als dat klopt, komt men alweer een stapje dichterbij het geheim van de magische klanken die uit een Stradivarius komen.

De Italiaanse vioolbouwer Antonio Stradivari (voluit: Giacomo Antonio) gaf zijn naam een Latijns tintje: Antonius Stradivarius. Hij werd waarschijnlijk geboren in Cremona (1644) en stierf daar ook, op 18 december 1737. Hij was een leerling van Nicola Amati, onder wiens naam hij aanvankelijk zijn eerste violen bouwde. In 1665 zette hij Amati’s viooltype voort onder eigen naam, maar in 1693 kwam hij tot het grotere patron allongé-type, gekenmerkt door grotere sonoriteit.

Van 1698 tot 1703 hanteerde hij een ‘ge-amatiseerd’ model, maar van 1703 tot 1720 bouwde hij instrumenten van het eigenlijke Stradivari-type, dat een zeer briljante, volle toon geeft, bijv. de Betts (1704), de Dolphin (1714), de Emperor (1715), de Messias (1716), de Sarazate (1724) en de cello Piatti (1720). Een nieuw type, ietwat metalig van klank, ontstond tussen 1720 en 1722. Stradivari, wiens ‘geheim’ vooral berustte op een uitzonderlijke harmonie van alle voor de klank belangrijke onderdelen, bouwde waarschijnlijk ongeveer 1.100 instrumenten, waarvan 540 (bespeelbare) violen, 12 altviolen en 50 cello’s bekend zijn.

“Onze testresultaten staven het idee dat chemische behandelingen zoals een oxidatie of een hydrolise toegepast zijn om Stradivarius-violen te bouwen”, zo schrijven de Amerikaanse auteurs van de studie, afkomstig van de A and M University in Texas, de State University van Colorado en de Brigham Young University in Utah. Houtfragmenten uit de binnenkant van vijf violen, die gerecupereerd werden bij herstellingen, werden geanalyseerd met een MRI-scanner en met infraroodspectroscopie.

Een vergelijking met huidige exemplaren, gemaakt met dezelfde houtsoorten uit Centraal- en Oost-Europa, toonde aan dat er bij de door de twee instrumentenbouwers uit Cremona een chemische behandeling aan te pas kwam. Daarentegen is ook in 18de eeuwse violen die in Parijs en Londen werden vervaardigd, geen spoor van een behandeling ontdekt. De onderzoekers denken dat de superieure klank van de instrumenten van Stradivarius en Guarneri del Gesu te maken had met de chemische behandeling van het hout.

De door Stradivari gebouwde instrumenten worden nog altijd gerangschikt onder de beste violen ooit gebouwd. De nog resterende bespeelbare instrumenten behoren tot de kostbaarste ter wereld. Deze voor vrijwel alle musici onbetaalbare instrumenten zijn doorgaans eigendom van vermogende derden die het instrument uitlenen aan topviolisten.

In elke Stradivarius is een klein papieren label geplakt met de tekst Antonius Stradivarius Cremonensis Faciebat, wat zoveel betekent als ‘Gemaakt door Antonio Stradivari uit Cremona’. Stradivari werkte zijn hele leven vol overgave aan zijn instrumenten, van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat (zie afbeelding van Stradivarius in zijn werkplaats). Hij bouwde allerlei snaarinstrumenten, waaronder ook cello’s, altviolen, minstens één harp en gitaren. Experts schatten dat Stradivari in zijn leven ongeveer 1.100 instrumenten heeft gemaakt. Hiervan zijn er nog ongeveer 700 in omloop, waarvan zo’n 540 bespeelbaar. Musici die een Stradivarius bespelen, zeggen vaak dat elke viool en dus ook elke ‘Strad’, zoals ze ook wel liefkozend genoemd worden, een eigen persoonlijkheid heeft.

Stradivarius had elf kinderen bij zijn twee vrouwen met wie hij in totaal 70 jaar getrouwd is geweest. Van zijn kinderen kozen Francesco (Cremona, 1 februari 1671 – 11 mei 1743) en Omobono (Cremona 14 november 1679 – 8 juni 1742) eveneens voor het vioolbouwersvak. Zij erfden de werkplaats van hun vader en zetten de traditie voort. Van Francesco is nog slechts één enkel instrument bekend.

De hoogste prijs ooit betaald voor een viool van Stradivarius op een veiling was 3,5 miljoen dollar in 2006 bij Christie’s in New York. De meeste Stradivarius-instrumenten worden echter privé verkocht voor nog veel hogere bedragen. De grootste collectie van Stradivarius-instrumenten is eigendom van de koning van Spanje en is te bezichtigen in het koninklijk paleis in Madrid. Ook The Smithsonian Institution te Washington, D.C., herbergt een aanzienlijke collectie instrumenten van Stradivarius, waaronder de viool van Ole Bull en de cello van Adrien François Servais. André Rieu, een Nederlands violist en orkestleider, bezit een Stradivarius uit 1667.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 5 december 2006 op het Romenieuws-archief.