Catacomben van Petrus en Marcellinus opnieuw toegankelijk voor publiek, mausoleum Sint-Helena heropent in juni

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

In Rome zijn de catacomben van Marcellinus en Petrus, die in 304 tijdens de christenvervolgingen door keizer Diocletianus als martelaar stierven, weer toegankelijk voor het publiek. Het gaat om één van de belangrijkste vroegchristelijke complexen in de stad. De catacomben waren een hele tijd gesloten omdat er werken werden uitgevoerd om ze attractiever te maken voor het publiek. De bezoekers kunnen er nu bovendien één van de 80 fresco’s bewonderen die met financiële steun van Azerbeidzjan gerestaureerd werden. Het fresco stelt meerdere martelaren voor die in deze catacomben werden begraven. De catacomben kunnen elke zaterdag en zondag worden bezocht. De catacomben strekken zich ondergronds uit over zowat 18.000 m². In juni wordt na twintig jaar restauratie ook het Mausoleum van Sint-Helena opnieuw geopend, een monument dat zowat de hele omgeving domineert en waar nu ook een klein museum werd ingericht.

Het graf van de twee heiligen in de catacomben waar ook anonieme groepen martelaren, alle slachtoffers van de grote vervolging van Diocletianus werden bijgezet, werd aanvankelijk opgebouwd met giften. De latere heiligen kregen een eenvoudige begrafenis maar latere schenkingen maakten het geheel veel rijkelijker. De monumentale decoraties met marmer werden aangebracht in opdracht van paus Damasus (366-84). Die installeerde ook een verplichte route voor pelgrims. De lichamen van de twee martelaren bleven in de ondergrondse crypte tot het pontificaat van Gregorius IV (826). Daarna werden ze overgebracht naar Frankrijk en vervolgens naar Duitsland, met name naar Seligenstadt, nabij Mainz. De catacomben werden na 410 niet meer gebruikt.

Helena stierf wellicht in 330 in Trier kort na haar terugkeer uit Jeruzalem in 328 of 329. Eusebius schrijft dat haar zoon, keizer Constantijn bij haar was toen ze stierf ‘hij stond bij haar en hield haar hand vast en zo ging haar ziel over in een onvergankelijke en hemelse substantie en zij voer op naar haar Heiland’. Je vindt het enorme mausoleum rechts aan de Via Casilina, een beetje verstopt achter een school, net naast nr. 643. Het gebouw is uitwendig cirkelvormig en inwendig achthoekig. Op een lijst van de overvloedige gaven die Constantijn in het mausoleum zou hebben achtergelaten, met onder andere zilveren kandelaars die elk 90 kg wogen, wordt ook een enorm zilveren altaar vermeld dat voor de reusachtige porfieren sarcofaag van Helena stond.

Halverwege de twaalfde eeuw vond paus Anastasius IV dat dit een prima doodskist voor hemzelf zou zijn, en liet de sarcofaag overbrengen naar de Lateraanse basiliek. Uiteindelijk is ze door toedoen van Pius VI in de Vaticaanse musea beland, in de Sala a Croce Greca. Het is een enorme sarcofaag in rode porfier en met een decoratief patroon met militaire taferelen. Dit laat vermoeden dat het oorspronkelijk niet de bedoeling was om Helena, maar haar man of haar zoon Constantijn erin te begraven.

Toen Anastasius IV de sarcofaag van Helena voor zichzelf reserveerde, was deze vrijwel zeker leeg. Een bron uit de negende eeuw vermeldt dat een monnik, Theogisus, in 840 een gedeelte van Helena’s zorgvuldig gekoesterde overschot stal en overbracht naar de benedictijnenabdij van Hautvillers nabij Reims. Drie eeuwen later beval paus Innocentius II (1130-1143) dat wat overbleef van Helena’s stoffelijk overschot, waaronder haar hoofd, moest worden overgebracht naar de Santa Maria in Aracoeli in Rome. De resten werden in een porfieren urn gelegd met een opschrift dat bevestigt dat zich hierin de resten van de heilige Helena bevinden.

Het monument aan de Via Casilina bevindt zich in een omgeving die voorheen bekend stond als Ad duas Lauros, een naam die wellicht is afgeleid van de aanwezigheid van twee laurierbomen. Een andere versie is dat een villa die zich hier bevond deze naam droeg omdat het gebouw gedecoreerd was met twee lauriermotieven. In dit verhaal gaat het wellicht om het gebouw dat door Helena als residentie was gekozen.

Feit is wel dat keizer Constantijn, na zijn bekering, hier omstreeks 320 een basiliek liet bouwen gewijd aan de heiligen Petrus en Marcellinus, die werden begraven in de vlakbij gelegen catacomben. Later, tussen 326 en 330, werd vlakbij de basiliek een mausoleum gebouwd, waarschijnlijk bedoeld als grafmonument voor de keizer en de keizerlijke familie, maar dat later dus uitsluitend werd gebruikt voor het begraven van Helena, Constantijns moeder.

Het monument, in de volksmond net als de wijk Torpignattara geheten, bestaat uit twee gestapelde cilinders. In de diepte bevonden zich acht rechthoekige en halfronde nissen, waarvan eentje de ingang vormt. In de andere nissen konden sarcofagen worden geplaatst. De tombe van Helena werd in de grootste nis geplaatst. De bovenste cilinder, die bereikbaar was via een trap tussen twee nissen, had acht vensters. De muren waren bedekt met marmeren platen. Tijdens de Middeleeuwen werd het mausoleum gebruikt als fort. In 1632 werd door paus Urbanus VIII een kerk gewijd aan SS. Marcellinus en Peter. Onder Pius XI werd de moderne kerk naast het monument gebouwd, die eveneens is gewijd aan SS. Marcellinus en Peter.

Catacombe dei SS Marcelllino e Pietro (Ad duas lauros)

Mausoleo di S. Elena (vanaf juni open)
Via Casilina 641
Te bezoeken op zaterdag en zondag om 9 u., 10 u., 11 u. 14 en 15 u.
Reservatie verplicht
Telefoon: +39 06 241 94 46
Website: www.duaslauros.it/index.php/catacombe2.html
E-mail: duaslauros@gmail.com
Kostprijs: 6 euro per persoon.

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 30 april 2014. Bekijk het origineel.