De klassieken zijn razend populair

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

We durven de woorden ‘klassiek’ en ‘trendy’ haast niet in één zin te gebruiken, maar de feiten liegen niet: de oude klassieken zijn weer helemaal in. ‘Hot’ zelfs, zoals jongeren zeggen. Er waren natuurlijk de films zoals Gladiator, Alexander en Troy, om er maar enkele te noemen, maar er is duidelijk meer aan de hand. De documentaires en DVD’s over de klassieke oudheid zijn nauwelijks bij te houden, nieuwe televisieseries worden geproduceerd, oudere (I, Claudius) worden heruitgebracht. De boekenwinkels worden overspoeld met uitgaven over het Oude Rome en alles wat daarmee te maken heeft. De honger naar nieuw materiaal lijkt nauwelijks te verzadigen. Voortdurend verschijnen biografieën over historische figuren als Julius Caesar, Augustus, Cicero en daarnaast blijven nieuwe vertalingen van antieke literatuur steevast hoge toppen scheren, tot zelfs relatief obscuur werk toe: Latijnse poëzie of vrijwel onbekend werk van oude geschiedschrijvers. Daarnaast groeit ook de belangstelling voor het filosofische gedachtegoed van de klassieke Romeinen en Grieken: hedendaagse denkers grijpen zelfs expliciet terug op hun illustere voorgangers uit het Europese zuiden, maar ook politieke opinieleiders schamen zich niet antieke bronnen voor hun karretje te spannen.

De klassieke oudheid blijft dus op vele manieren en voor vele mensen een inspiratiebron. De een geniet voornamelijk van de geweldige verhalen over machtige mannen of laat zich meevoeren door bespiegelingen over het goede leven. De ander laaft zich aan de indrukwekkende literatuur die deze periode heeft voortgebracht. Weer een ander verwacht in zijn of haar zoektocht naar waarheid en wijsheid bij de klassieken niet teleurgesteld te worden. Iedere cultuur gaat op haar eigen wijze om met het (verre) verleden. Of het wat oplevert zal de tijd leren. In elk geval zorgt de directe confrontatie met andere culturen ervoor dat men zich eens kan bezinnen over de eigen afkomst. En dat kan nooit kwaad.

Julius Caesar is wellicht de meest beschreven en verfilmde figuur van de voorbije paar jaren geweest. Het aantal romans, biografieën en verfilmingen zijn haast niet te tellen. De charismatische figuur van Julius Caesar heeft natuurlijk altijd al tot de verbeelding gesproken. Zijn opkomst vanuit het ogenschijnlijke niets, het eclatante succes van zijn militaire verrichtingen en de geniale tact waarmee hij de hoogste positie binnen de Romeinse Republiek weet te bereiken en zelfs ombuigt naar absolute alleenheerschappij: het blijft een imponerend verhaal.

Toch was het pakweg vijftien jaar geleden niet zo vanzelfsprekend om deze zaken breed uit te meten. De geschiedschrijving moest zich immers vooral bezighouden met onderzoek naar sociale verhoudingen, economische ontwikkelingen en het leven van gewone mensen. Het succesverhaal van Julius Caesar staat nu weer model voor het grootse en het meeslepende. Vandaag worden de grote verhalen weer in ere hersteld. De inspirerende leider belichaamt het collectieve verlangen naar een rechtvaardige samenleving, waarin mensen (weer) met elkaar kunnen samenleven. Het individualisme wankelt op zijn grondvesten en lijkt zijn hoogtepunt voorbij. Met bovenstaande beweging houdt de groeiende belangstelling voor politieke filosofie gelijke tred. Er is weer behoefte aan kennis, aan wijsheid, aan waarheid. Het klassieke gedachtegoed van Socrates, Plato en Aristoteles, maar ook dat van de Stoa, blijkt opeens verrassend actueel te zijn in discussies over normen en waarden.

Citaten uit bestsellers

“Caesar maakte behoorlijk wat fouten, als bevelhebber en als politicus, maar wie maakt geen fouten? Een van zijn grote gaven was dat hij zich door tegenslagen niet uit het veld liet slaan en kon erkennen, al was het alleen maar tegenover zichzelf, dat hij iets niet goed had gedaan, om zich vervolgens aan te passen aan de nieuwe situatie en die uiteindelijk naar zijn hand te zetten.”

”Caesar”, door Adrian Goldsworthy; vert. door Corrie van de Berg en Carola Kloos; uitg. Ambo, Amsterdam, 2007; ISBN 978 90 414 1140 2; 640 blz.; 29,95 euro.

“Omdat Cicero vaak verwijst naar werk van schrijvers die wij alleen via hem kennen, en omdat hij de kunst verstaat ingewikkelde problemen helder uit te leggen, is zijn werk van onschatbaar belang geweest voor de kennis van de Griekse filosofie, met name in perioden dat niemand meer Grieks las. Ook nu kan iedereen die een goed overzicht van de epicureïsche ethiek wil krijgen, beter ”De finibus” lezen dan de brieven of fragmenten van Epicurus zelf.”

”Het feest van Saturnus. De literatuur van het heidense Rome”, door Piet Gerbrandy; uitg. Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2007; ISBN 978 90 253 1759 1; 533 blz.; 29,95 euro.

“In de oudheid was de kindersterfte, naar moderne maatstaven gemeten, ontstellend hoog. Naar schatting overleed één op de drie kinderen nog voor het einde van het eerste levensjaar. Nog eens twintig procent stierf voor het vijfde jaar. Daarna nam de levensverwachting toe, al bereikte uiteindelijk slechts de helft van de nieuwgeborenen de leeftijd van tien jaar.”

”Kleine Romeinen. Jonge kinderen in het antieke Rome”, door Christian Laes en Johan Strubbe; uitg. Salomé – Amsterdam University Press, Amsterdam, 2006; ISBN 978 90 5356 953 5; 141 blz.; 14,95 euro.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 15 april 2008 op het Romenieuws-archief.