De rijke collectie in de bibliotheek van de Società Geografica Italiana

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

Op de Caelius, Celio in het Italiaans, bevindt zich een zestiende-eeuwse villa omgeven door een weelderig park, de Villa Celimontana. Hier huist sinds 1926 de Società Geografica Italiana. Overal in Europa werden in de negentiende eeuw geografische instituten opgericht om nieuw ontdekte gebieden te exploreren en om de aardrijkskundige kennis te vergroten. Zo ook in Italië, waar het Italiaanse geografisch instituut werd opgericht in Firenze na de eenmaking van het land in 1867. In 1872 werd de Società Geografica Italiana naar Rome overgeheveld, waar ze nu nog steeds haar hoofdzetel heeft. Vandaag bezoeken we het park en het gebouw.

Het instituut heeft vandaag als doel wetenschappelijk onderzoek te promoten en bekend te maken bij een ruim publiek en de rijke collectie aan documenten te beheren. De Società Geografica Italiana bezit een schat aan documenten en beheert de belangrijkste gespecialiseerde collectie in Italië en één van de belangrijkste in Europa. De bibliotheek van het instituut telt ongeveer 40.000 boeken en 2.000 tijdschriften, duizenden zeldzame uitgaven, honderden oude landkaarten en atlassen. In de cartotheek worden ongeveer 250.000 landkaarten bewaard, antieke en moderne, waaronder een zeldzame collectie Chinese en Japanse handgetekende kaarten. In het fotografisch archief zijn meer dan 400.000 fotografische documenten opgeslagen die zowat alle gebieden ter wereld beslaan.

In het historisch archief bewaart men brieven, reisdagboeken en tekeningen van ontdekkingsreizigers. Zo bezit het archief onder meer originele documenten van ontdekkingsreiziger Giacomo Bove, die in 1878 deelnam aan de expeditie naar de noord-oostelijke doorvaart, en van Pietro Savorgnan di Brazzà, die in 1880 Brazzaville stichtte. Met het oog op politieke en economische expansie zette het instituut zelf ook expedities op naar Afrika in 1869-1870, naar de grote meren rond de evenaar in 1876 en later naar Centraal-Azië en Zuid-Amerika.

Het terrein waarop de villa staat, bestond in de middeleeuwen uit moestuinen en wijngaarden. Omstreeks 1550 kocht Giacomo Mattei het domein als bruidsschat voor zijn dochter Claudia, de echtgenote en nicht van Ciriaco Mattei. Deze telg van de familie Mattei begon met een grootschalige herinrichting van de tuinen die 30 jaar duurde. Hij legde drie geheime tuinen aan met antieke beelden en fonteinen, bosjes met beschilderde dierenbeelden, nymphaea en paviljoenen met volières, daarbij diep in de buidel tastend.

De werkzaamheden begonnen in 1572, maar met de bouw van het casino werd pas enkele jaren later gestart, in 1577, door Jacopo Del Duca, een leerling van Michelangelo. Uit die periode dateren ook de terrassen met de hangende tuinen en het ‘amfitheater’, eigenlijk meer een klein ‘circus’, met zitplaatsen en een grasveld. In het centrum van het amfitheater stond een obelisk, waarover zo meteen meer. Er werd ook een tweede gebouw opgetrokken, een loggia, om de rijke kunstcollectie van de eigenaar in onder te brengen. Vôôr de loggia lag een labyrint.

Bij de dood van Ciriaco Mattei erfde zijn zoon Gian Battista het domein. Hij breidde het gebouw uit met vijf nieuwe zalen en maakte er zijn privéresidentie van. Hij kocht tevens de aanpalende terreinen om de tuin te vergroten. De plafonds van de nieuwe vertrekken liet hij met fresco’s beschilderen door kunstenaars die lid waren van de Accademia di San Luca. De werken waren klaar in 1623. Na de dood van Gian Battista ging het domein over op de broer van Ciriaco en daarna op zijn zoon Girolamo, die op zijn beurt aanpalende terreinen kocht en twee fonteinen liet aanleggen. Van deze fonteinen, ontworpen door Bernini, is helaas niets bewaard gebleven.

In 1552 werd de villa voor het eerst opengesteld voor het publiek ter gelegenheid van de bedevaartstocht langs de zeven kerken (Sint-Pieters, Sint-Paulus-buiten-de-muren, Sint-Jan van Lateranen, Santa Maria Maggiore, San Lorenzo, San Sebastiano aan de Via Appia en Santa Croce in Gerusalemme). Halverwege de tocht, na het bezoek aan de San Sebastiano, hielden de gelovigen halt in het amfitheater van de villa waar ze konden uitrusten en eten.

De picknick werd aangeboden door paters die de bedevaarders voorzagen van een homp brood, wijn, een ei, twee plakjes salami, een stuk kaas en twee appels per persoon. Het opvangen van maximaal 3.530 bedevaarders vroeg een grondige voorbereiding en organisatie. De hiërarchie tussen de gelovigen werd strikt nageleefd, het amfitheater zelf was voorbehouden aan kardinalen en prelaten, op minder goede plaatsen zat de adel en op het grasveld en de paden alle anderen. De verschillende zones waren afgesloten met een rieten hekwerk, dat werd gesloten nadat iedereen binnen was en met paaltjes met genummerde bordjes. De traditie van de pelgrimstocht langs de zeven kerken werd nieuw leven ingeblazen door Filippo Neri en bleef bestaan tot de jaren 1800.

Op het grasveld voor het palazzo Mattei in het midden van het amfitheater stond een Egyptische obelisk van Ramses II (1290-1233 v. Chr.), een kadootje dat Ciriaco Mattei in 1582 van de senaat kreeg voor zijn verdiensten. Het was deze obelisk die tot de jaren 1500 op de grond lag bij de Santa Maria in Aracoeli op Piazza di Campidoglio. Prins Manuel Godoy (waarover straks meer) verplaatste de obelisk naar haar huidige positie.

Volgens een gruwelijk verhaal, gepubliceerd door Costantino Maes in 1885, zouden tijdens die verplaatsing onder de obelisk twee geamputeerde mensenhanden achtergebleven zijn… Bij het neerlaten van de obelisk op haar sokkel zou één van de touwen waaraan de obelisk hing, gebroken zijn waarna de handen van een arbeider geplet en afgerukt werden. In 2008-2009 werden de obelisk en de sokkel echter gerestaureerd en werden er … geen handen gevonden. Volgens nog een andere legende zou de bol op de top van de obelisk de as van keizer Augustus bevatten. Ook dat is een verhaal dat volledig aan de fantasie ontsproten is.

Vanaf de jaren 1800 veranderde de villa verschillende keren van eigenaar en werden de tuinen meermaals heraangelegd. De Spaanse prins Manuel Godoy y Alvàrez de Faria, die de villa bezat van 1813 tot 1830, richtte de tuinen opnieuw in en legde een Engelse tuin aan, waarbij helaas wel de originele zeventiende-eeuwse inrichting verloren ging. Daarna kwam het domein in handen van de Nederlandse prinses Marianne van Oranje-Nassau, de jongste dochter van Willem I, die er woonde met haar partner en zoontje.

De prinses was de kunst genegen, ze liet zich omringen door Nederlandse schilders en artiesten en ze legde een grote kunstcollectie aan. Ze had ook veel belangstelling voor de oudheid. Zo liet ze opgravingen uitvoeren op de hellingen van de villa, waarbij verschillende graven werden blootgelegd. Toen de prinses de villa verliet om zich terug te trekken in haar kasteel aan de Rijn, nam ze haar kunstcollectie mee.

In 1857 ging de villa over naar prinses Laura di Bauffremont die er een landschapspark liet aanleggen. In 1869 kocht de Beierse baron Riccardo/Richard Hoffmann het domein, hij woonde er samen met zijn Amerikaanse vrouw en hun zoon. Hij liet de fruitbomen van de zeventiende-eeuwse Italiaanse tuin verwijderen om plaats te maken voor een romantische tuin.

Op het terrein voor het gebouw werd een Romeinse mozaïek uit de derde eeuw na Christus ontdekt. Die werd tijdens de verbouwingen in de negentiende eeuw ingewerkt in de vloer. In de mozaïekzaal werd het plafond in 1621 beschilderd door Andrea Lilli. In het middendeel is de Lente afgebeeld, die de vaas van Apollo krijgt in het bijzijn van Juno, geflankeerd aan de zijkanten door de Herfst en de Lente

Maar omdat de baron de Duitse nationaliteit had, werd de villa in de Eerste Wereldoorlog geconfisqueerd en ging ze over naar de Italiaanse staat. De stad Rome stelde Villa Mattei Celimontana open voor het publiek als openbaar park. De oppervlakte van het park is 110.000 m². Met het oog op de openstelling werden de belangrijkste beeldhouwwerken in 1923 weggehaald en naar het Museo Nazionale Romano gebracht. In 1926 werd het palazzo aan de Società Geografica Italiana geschonken. De toegangspoort die de ingang vormt van Villa Celimontana is die van de in 1885 verwoeste villa Giustiniani Massimo. .

Società Geografica Italiana

Palazzetto Mattei in Villa Celimontana

Ingang: Via della Navicella 12, Rome

Ga op virtueel bezoek in het gebouw: www.observo360.com

Dit artikel is een bijdrage van clublid ANN DE LATTER

Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 26 augustus 2019. Bekijk het origineel.