Avonturen met opschriften – XXIX
Meer dan drie jaar geleden begonnen we met de rubriek ‘Avonturen met opschriften’, een reeks bijdragen speciaal bestemd voor het aanzienlijke aantal classici onder onze clubleden, maar die uiteraard ook bijzonder leerrijk zijn voor alle anderen.
Wij krijgen hiervoor de gewaardeerde medewerking van dr. Michiel Verweij van de Koninklijke Bibliotheek van België. Dit is de 29ste bijdrage in deze reeks.
Wij zijn gewend aan een straatbeeld vol tekst: reclameborden, uithangborden, wegwijzers, aankondigingen enzovoort. In het oude Rome was dat niet minder het geval.
Gelukkig (voor ons) zijn heel wat van die getuigenissen op duurzaam materiaal bewaard gebleven. Gelukkig (voor ons) hadden de Romeinen de gewoonte om heel veel opschriften te maken en er zijn er dan ook tienduizenden bewaard.
Op verzoek van S.P.Q.R. stel ik enkele van deze teksten voor. Op zoek naar het verhaal dat er achter zit… Vandaag deel 29. De vorige bijdragen in deze reeks kan je hier nalezen.
* * * * *
Schrijver dezes heeft soms merkwaardige kronkelingen in zijn brein. Kronkelingen die hij zelf niet eens snapt. Zo werd hij onlangs gegrepen door een nauwelijks stilbaar verlangen om te zien welke Latijnse opschriften er in Griekenland te vinden zijn. Merkwaardig. Niet productief. Zonder enige connectie met wat Schrijver dezes bezig houdt of met wat hij van plan is, want hij koestert op dit moment geen plannen om naar het oosten en zuiden te gaan.
Nee, uit voorzichtigheid en wantrouwen over eventueel opnieuw opduikende coronagolven en (vooral) bijbehorende maatregelen, trok hij deze maand weer naar het noorden. Samen met de Grote Speurder. Gezellig. Enfin, wat daar uit kan voortkomen, zult u later mogelijk nog wel eens onder ogen krijgen.
Hoe dan ook, Schrijver dezes zocht dus naar Latijnse opschriften in Griekenland en hij vond het volgende juweeltje:
D M
SPENIS VIXIT ANN
VI M VIIII D XXIIX DOMI
NI ET PARENTES PRIMITI
VVS ET SOTIRA DOLENTES
FECERVNT
ΘΕΟΙΣ ∙ ΚΑΤΑΧΘΟΝΙΟΙΣ
ΣΠΗΝΙΣ ΕΖΗΣΕΝ ΕΤΗ
Ϛʹ ΜΗΝ Θʹ ΗΜ ΚΗʹ ΟΙ ΚΥΡΙ
ΟΙ ΚΑΙ ΓΟΝΕΙΣ ΠΡΕΙΜΙΤΕΙ
ΒΟΣ ΚΑΙ ΣΩΤΕΙΡΑ ΠΟΝΟΥΝ
ΤΕΣ ΕΠΟΙΗΣΑΝ
D(is) M(anibus) / Spenis uixit ann(os) / VI m(enses) VIIII d(ies) XXIIX domi/ni et parentes Primiti/uus et Sotira dolentes fecerunt.
Θεοῖς ∙ Καταχθονίοις / Σπῆνις ἔζησεν ἔτη / ϛʹ μῆν(ας) θʹ ἡμ(έρας) κηʹ οἱ κύρι/οι καὶ γονεῖς Πρειμιτεῖ/βος καὶ Σωτείρα πονοῦν/τες ἐποίησαν.
‘Voor de goden van de onderwereld van Spenis die 6 jaar, 9 maanden en 28 dagen leefde, hebben haar meesters en ouders Primitivus en Sotira dit in hun verdriet gemaakt.’
Arme Spenis. En arme Primitivus en Sotira. Dat de kindersterfte hoog was in de oudheid weten we, maar elke keer als we zo’n opschrift onder ogen krijgen, wordt het toch even stil. Was het echt minder erg voor de ouders, omdat het een frequent voorkomend fenomeen was? Er zijn genoeg grafschriften voor kinderen bewaard en teruggevonden die suggereren dat het nooit écht wende.
Ook Schrijver dezes was ontroerd toen hij deze tekst onder ogen kreeg. En toen keek hij nog eens beter en zag heel wat. Want wat kunnen we eigenlijk allemaal te weten komen uit dit opschrift? Wie waren Primitivus, Sotira en Spenis?
Eerste merkwaardigheid: in dit volledig Griekstalige gebied hebben we een tweetalig opschrift, waarvan het eerste gedeelte in het Latijn is. Dat is opmerkelijk. Nog opmerkelijker is dat de twee teksten volledig identiek zijn, met andere woorden dat de ene een vertaling van de andere is. In het oosten van het Romeinse rijk heeft het Latijn zich nooit echt door kunnen zetten. De drie eeuwen die het Grieks als voorsprong had uitgebouwd, zijn te veel gebleken.
Het Romeinse rijk was tweetalig. Zelfs Rome was tweetalig Latijn-Grieks in de Keizertijd en deed daarbij wellicht verrassend Brussels aan. Net zoals daar het Frans de taal was van de hogere bourgeoisie en adel (waarna zich dat als een model heeft doorgezet bij de kleinere bourgeoisie) en van de inwijkelingen van buitenaf, klonk in Rome met zijn talrijke slaven en vrijgelatenen, zijn hogere klassen die tweetalig waren maar het prestigieuzere Grieks vaak de voorkeur gaven, wellicht heel wat Grieks op straat. Buiten Rome was de tweetaligheid minder prominent: het westen sprak Latijn en het oosten Grieks.
Het oosten sprak dus Grieks en het Latijn was daar niet in zwang. Anders gezegd: het was met de kennis van het Latijn in het oosten droevig gesteld. Ook de intellectuele elite deed niet aan Latijn. Of Plutarchus, de biograaf van zoveel vooraanstaande Romeinen en Grieken, een man die diverse malen in Rome heeft verbleven, voldoende Latijn kende om zijn Romeinse bronnen te raadplegen en te begrijpen, is nog maar de vraag. Hetzelfde geldt voor menige andere Griekse auteur uit de Keizertijd.
Al deze uitweidingen over taalperikelen hebben maar één doel: u te overtuigen van het uitzonderlijk karakter van het grafschrift voor Spenis, tweetalig, maar met het Latijn als eerste. Nog sterker: als u het opschrift leest en Schrijver dezes vraagt u (en u hebt inmiddels door zijn toedoen wel enige ervaring met Latijnse opschriften): wat valt u op?, dan is de kans aanzienlijk dat u helemaal niets opvalt.
Dat is het nu net. The curious indicent of the dog at nighttime. Leest uw Sherlock Holmes nog maar eens. Het opschrift voor Spenis is volkomen Latijns en Romeins. Daar is geen woord Grieks bij. Zelfs niet in het Griekse gedeelte.
De tekst begint met de wijding aan de Di Manes, de goden van de onderwereld. Wij, Romeinen, hadden die, de Grieken niet. Maar toch leest ook het Griekse opschrift: Θεοῖς Καταχθονίοις ‘Aan de goden van de onderwereld’. De tekst gaat door en vermeldt na de naam van Spenis haar leeftijd. Tot op de dag nauwkeurig. Dat doen de Grieken niet, maar wij, Romeinen, wel. Tot op de dag nauwkeurig.
En dan sluit de tekst af met de vermelding van wie het grafmonument heeft opgericht, inclusief het trieste woord dolentes ‘treurend, met verdriet’. Klassiek-Griekse grafstèles beperken zich tot de naam van de overledene met eventueel de naam van de vader om de dode beter te identificeren.
Het vermelden van wie het graf(schrift) heeft opgesteld is schering en inslag aan de Latijnse kant en de uiting van verdriet is eveneens stereotiep Romeins, al neemt dat vaker de vorm aan van een vermelding dat de overledene carissimus of piissima was enzovoort.
We hebben dus een grafschrift dat tweetalig is en waarbij het Latijn als eerste taal gebruikt wordt, maar dat ook qua geest volledig Latijns en Romeins is. In de hoofdstad van Macedonia (zonder actuele politieke bijbedoelingen: hier gaat het om de Romeinse provincienaam!) valt deze tekst hoe dan ook uit de toon. Want ook de meeste ‘Romeinse’ opschriften uit Thessalonica zijn in het Grieks.

Maar Schrijver dezes heeft nog niet gedaan. Wat had u gedacht. Hij gaat verder. Wie was Spenis? Wie waren Primitivus en Sotira?
Het is u wellicht niet ontgaan dat alle drie betrokken personen slechts één naam dragen. En die naam is geen gewoon praenomen, geen nomen gentilicium, nee, hoogstens een cognomen. We hebben een sjiek tweetalig opschrift en de personen gebruiken slechts één naam. Dat is onwaarschijnlijk.
Uiteindelijk – dat hebt u als trouwe lezer van deze bijdragen onderhand echt wel door – een grafschrift dient in de Romeinse tijd ook om de balans op te maken en om eens goed uit te pakken met de persoonlijkheid van de overledene én van degene die het monument heeft laten oprichten. Alleen opschriften uit ‘lagere’ delen van de bevolking geven meestal maar één naam, evenals graven van slaven. Die laatsten hadden er ook maar één.
Maar de grafschriften van deze lagen van de bevolking zijn vaak tamelijk primitief. In een taal die nogal wat afwijkingen vertoont tegenover het taaleigen van een Cicero en Caesar. En hier hebben we een tweetalig, volstrekt klassiek en taalkundig volkomen correct grafschrift. Daar wringt iets.
Laat Schrijver dezes het dan maar meteen zeggen: gezien de soort namen is hij ervan overtuigd dat Primitivus en Sotira en dientengevolge ook Spenis slaven waren. En hij is zich er terdege van bewust dat die stelling vloekt met de kenmerken die hij net over dit opschrift heeft opgesomd.
Is Schrijver dezes dan het stuur bijster? Raaskalt hij?
Nee. Wees gerust: het antwoord is nee.
En waarom?
Omwille van drie woorden: domini et parentes ‘heren en ouders’. Waarbij ‘heren’ ook ‘meesters’ zou kunnen zijn.
Schrijver dezes werd door deze woordgroep getroffen. In de duizenden en duizenden opschriften die ons uit de klassieke oudheid bewaard zijn gebleven, blijken de woorden domini en parentes maar vijftien keer samen voor te komen. En in diezelfde duizenden en duizenden opschriften is er maar één (1!) opschrift waarin de woorden zo dicht bij elkaar staan. En dat ene opschrift is het grafschrift voor Spenis.
Het probleem is dat als we deze woorden letterlijk nemen, we lezen dat Primitivus en Sotira de meesters en de ouders van Spenis zouden zijn. Maar: om een slaaf te hebben, moet je zelf vrij zijn. En een kind van vrijen is vrij, net zoals een kind van slaven een slaaf is. Zouden haar eigen ouders dan Spenis als slaaf hebben gehouden?
Dat lijkt niet alleen heel onwaarschijnlijk, dat is het ook.
En als iets onwaarschijnlijk is, dan moeten we een andere oplossing zoeken.
En die is er. Want de zonet vermelde moeilijkheid doet zich alleen voor indien de domini gelijk zijn aan de parentes. Vanaf het moment dat we ervanuit gaan dat het NIET om dezelfde personen gaat, wordt alles ineens anders. En duidelijk.

Want dan blijven Primitivus en Sotira uiteraard de ouders van Spenis, maar ze zijn niet langer de domini. Die domini blijken dan niet met naam genoemd te worden: het zijn anonieme meesters die wél aan het grafmonument hebben bijgedragen. De anonieme meesters treden niet op de voorgrond. En gezien de hardnekkige neiging van Romeinen – en zeker van de Romeinse elite – om zich bij een gelegenheid als deze nadrukkelijk op de voorgrond te plaatsen en om elke kans om zich met naam en toenaam te manifesteren aan te grijpen, getuigt de anonimiteit van deze domini van een bijna roerend respect. Tegelijk bevestigt de aanwezigheid van deze domini de veronderstelling van Schrijver dezes dat Primitivus en Sotira slaven waren.
Maar dan doet zich een volgende merkwaardigheid voor. We hebben dus een grafmonument voor een jong meisje, dochter van twee slaven, waaraan ook de meesters hebben bijgedragen, een grafmonument dat tweetalig, maar met het Latijn als eerste taal en volledig in Romeinse trant is opgesteld. Waarom zouden die meesters zo betrokken zijn geweest?
Romeinen staan niet bekend om hun overdreven sentimentaliteit. Het leven was vroeger hard. Niet dat ze geen gevoel hádden – de adjectieven carissimae en dulcissimo in tal van grafschriften suggereren dat de Romeinen wel degelijk gevoelens hadden en deze ook vermeldden – maar sentimenteel werden ze niet snel. Als we een uiting van gevoel bemerken of vermoeden, is er meestal toch iets bijzonders aan de hand. Zeker in een context als deze.
Als we in deze interpretatie ervanuit gaan dat de domini de eigenaars waren van Primitivus, Sotira en Spenis, dan heeft dat alleen zin in een situatie dat deze meesters deze slaven inderdaad persoonlijk kenden én voldoende waardeerden, zodanig zelfs dat ze meehielpen bij de oprichting van een graf voor het slavenmeisje.
Die situatie doet zich maar in enkele gevallen voor. Zo kan het gaan om een kleine familia, bijv. bij een winkelier of iets dergelijks, waarbij de slaven in continue nabijheid van de meester waren en werkten. In zo’n geval wordt de afstand klein en is het denkbaar dat de meesters zich direct betrokken voelden bij de lotgevallen van het dochtertje van hun slaven.
Maar: Thessalonica was een Griekse stad. Hoeveel Romeinse en Latijnstalige winkeliers zouden daar zijn geweest?
Een andere mogelijkheid is dat de domini tot de elite hoorden. Thessalonica was, zoals gezegd, de hoofdstad van de prouincia Macedonia (geen wonder ook dat er al snel een christelijke gemeente was en dat de apostel Paulus een brief aan die gemeente schreef). En in een provinciehoofdstad verblijven nu eenmaal meer hoge Romeinen. Ambtenaren, magistraten, eventueel groothandelaren. Kortom, lieden die meestal heel rijk waren en die veel te veel slaven hadden.
Hier lijkt een ander bezwaar op te doemen, nl. dat er juist door dit aantal slaven minder of geen kans bestond dat er een meer intieme band tussen slaaf en meester zou kunnen ontstaan, zoals vereist voor het oprichten van een grafmonument met een tekst als deze.
Tenzij natuurlijk als de slaven in kwestie heel dicht bij hun meesters stonden. In de onmiddellijke omgeving in huis, als persoonlijke slaaf voor de verzorging, een rechterhand in de uitvoering van de taken van de meester des huizes. Zoiets.
Als we nu alle gegevens samenbrengen, zien we het volgende:
We hebben een grafschrift voor het zesjarige dochtertje van twee slaven, tweetalig, met Latijn als eerste taal al is het monument opgericht in een Griekstalige provinciehoofdstad, en met volledig Romeinse vormen, zodanig dat de Latijnse tekst als eerste geconcipieerd moet zijn en de Griekse daarvan de letterlijke vertaling is. Bovendien verschijnen naast de bedroefde ouders ook anoniem gebleven meesters op het toneel, die daarbij weliswaar aanwezig zijn, maar tegelijk heel bescheiden op de achtergrond blijven.
Dit laatste suggereert dat de meesters Spenis hebben gekend en misschien ook wel enige droefheid hebben gevoeld. Genoeg om mee te helpen bij de oprichting van het graf. Want of Primitivus en Sotira daarvoor voldoende financiële middelen hadden, is niet bij voorbaat zeker.
Deze situatie is het gemakkelijkst voorstelbaar als we aannemen dat het gaat om Romeinen van een zekere maatschappelijke rang, hoge ambtenaren of grote kooplieden, en dat Primitivus en Sotira weliswaar slaaf waren, maar in een verhouding van vertrouwen en persoonlijk meeleven stonden, als slaaf in de onmiddellijke omgeving van de meesters, thuis of in verband met de zaken. En het veronderstelt uiteraard ook dat deze anonieme meesters enige menselijkheid en inlevingsvermogen moeten hebben bezeten. Het kan heel goed zijn dat dolentes ‘in treurnis’ niet alleen op de ouders slaat. En tegelijk dat ze zoveel respect hadden dat ze zichzelf in deze context niet op de voorgrond werkten.
Onze analyse heeft ons ver gevoerd. Het drama dat zich in Thessalonica ergens in de 2de of 3de eeuw heeft afgespeeld, neemt contouren aan. In stilte, dat wel.
Spenis heeft het allemaal niet gebaat. Zij was een van de vele kinderen die jong stierven en die de 10 niet haalden. Maar blijkbaar werd ze tijdens haar korte leventje omringd door mensen die om haar gaven. Haar verscheiden vond niet onopgemerkt plaats.
Ook niet zoveel eeuwen later door Schrijver dezes.
Oorspronkelijk gepubliceerd op romenieuws.wordpress.com, op 27 oktober 2022. Bekijk het origineel.

