De Fontana dell’Acqua Paola, een monumentale fontein die door de Romeinen vaak kortweg Il Fontanone wordt genoemd, glanst na een intense retauratiebeurt weer als nieuw. Het modehuis Fendi, dat stilaan het record ‘fonteinrestauraties sponsoren’ op zijn naam mag schrijven, betaalde 280.000 euro om de werkzaamheden uit te voeren. De fontein kijkt vanaf de Janiculum-heuvel uit over de stad.
De restauratiebeurt omvatte de grondige reiniging van het waterbassin en de stenen. Alle oppervlakken werden ontdaan van alle biologische sporen, kalksteenafzettingen werden verwijderd en alle beschadigingen en scheurtjes werden netjes gedicht. Uiteindelijk werden ook de waterdichtheid van de hele structuur gecontroleerd en het ondergrondse hydraulische systeem nagekeken.
Deze fontein is één van de mooiste van Rome en hoeft in grandeur niet onder te doen voor de veel bekendere Trevifontein. Ze heeft de vorm van een triomfboog en werd in 1612 gebouwd in opdracht van Paulus V Borghese (1605-1621), zijn naam staat gebeiteld bovenaan het fronton. De boog herinnert aan de heropening van het oude aquaduct uit 109 na Chr. dat aangelegd werd door keizer Trajanus.
Het was het derde Romeinse aquaduct dat hersteld werd na de Acqua Vergine en de Acqua Felice. Deze ‘fontanone’ of grote fontein is net zoals de Trevifontein en de Fontana dell’Acqua Felice of Mozesfontein een zogenaamde ‘mostra’- of ‘showfontein’, het monumentale eindpunt van een aquaduct.
De Fontana dell’ Acqua Paola is het werk van Flaminio Ponzio (1560-1613) met de medewerking van Giovanni Fontana (1540-1614), de broer van Domenico. De Fontana’s waren architecten afkomstig uit Melide, een dorp aan het meer van Lugano, op dat moment gezamenlijk bezit van de oude Zwitserse Confederatie en tegenwoordig een deel van Ticino.
De familie Fontana was in Rome actief vanaf de helft van de zestiende eeuw tot het midden van de achttiende eeuw. Ze deden hun naam letterlijk eer aan, want ze waren bijzonder goed bedreven in het bouwen van fonteinen. Domenico is wellicht de bekendste van de familie, maar ook Carlo Fontana (1643-1714) is een beroemde naam in Rome. Tot dezelfde familie behoorden ook Carlo Maderno en Francesco Borromini.
Voor de bouw van de Acqua Paolo werd gebruik gemaakt van materialen die geroofd werden van het Forum van Nerva en van de tempel van Mars Ultor op het Forum van Augustus. Let op de zes zuilen: de vier middelste ervan zijn afkomstig van de gevel van de portiek van de oude Sint Pietersbasiliek.
Ponzio en Fontana bouwden een enorme toegangspoort van vijf bogen voor de aankomst van het water. Bovenaan de fontein bevinden zich de pauselijke tiara en sleutels, boven het wapen van de familie Borghese, een adelaar en een draak, dat wordt ondersteund door engelen.
Vijf overvloedige riviertjes stroomden door de bogen in vijf marmeren kuipen. In 1690 ontwierp Carlo Fontana een extra halfronde grote granieten kuip voor het water dat overstroomde vanuit de kleinere marmeren bassins.
Er werden ook marmeren palen geplaatst om koetsiers te beletten hun dieren aan de fontein te laten drinken. Het water bleek echter te verleidelijk voor vele Romeinen die vaak in het water kwamen baden of er zich in wassen. In 1707 was de paus het beu en werd een verordening uitgevaardigd die inwoners verbood om nog langer in de fontein te baden.
Ondanks het verbod bleven de Romeinen het water gedurende eeuwen gebruiken om behalve zichzelf, hun groenten en later ook hun auto te wassen. Bedenk dat dit hetzelfde water is dat uit de fonteinen op het Sint-Pietersplein sproeit en waarmee de tuinen van het Vaticaan worden bevloeid.
Het Latijnse opschrift boven op de fontein luidt:
PAVLVS • QVINTVS • PONTIFEX • MAXIMVS
AQVAM • IN • AGRO • BRACCIANENSIS
SALVBERRIMIS • E • FONTIBVS • COLLECTAM
VETERIBVS • AQVAE • ALSIETINAE • DVCTIBVS • RESTITVTIS
NOVISQVE • ADDITIS
XXXV • AB • MILLIARIO • DVXIT
ANNO • DOMINI • MDCXII • PONTIFICATVS • SVI • SEPTIMO
De tekst identificeert het gerestaureerde aquaduct verkeerdelijk als het aquaduct Alsietina. De kwaliteit van het water uit de Alsietina was echter slecht en paus Paulus herstelde in plaats daarvan het aquaduct Traiana.
Zittend op de rand van de fontein hebben we een machtig zicht op een aanzienlijk deel van Rome en de verre omgeving. De koepel van de Sint-Pietersbasiliek is zowat het enige belangrijke bouwwerk dat je niet kan zien omdat het zich aan de andere zijde van de heuvel bevindt. Het gebouw aan de overzijde van de straat met het schitterend gelegen dakterras is de ambassade van Spanje.
Een tiental jaren geleden maaken Britse amateurarcheologen en filmmakers bekend dat ze de bronnen van het aquaduct van Trajanus hadden ontdekt. Dat was een mysterie dat archeologen al eeuwenlang bezighoudt.
Edward en Michael O’Neill ontdekten in een weiland, vlakbij een voederplaats voor varkens, onder een sinds lang verlaten en overwoekerde kapel van Santa Fiore, dichtbij het Braccianomeer een reeks ondergrondse kamers, tunnels en waterreservoirs. De eerste bouwels die ze ontdekten waren vervaardigd uit natuursteen, maar al gauw werd duidelijk dat hier veel eerder al, in de oudheid, ook Romeinse bouwmeesters aan het werk waren geweest.
Het zou gaan om het Nymfaeum van Trajanus. De plek bevindt zich dicht bij de oevers van het kleine Lago di Martignano, vlakbij het grotere en beter bekende Lago di Bracciano, in vogelvlucht ongeveer 34 km van Rome, een kleine 60 km via de weg. De nymphaea uit de Romeinse tijd bestonden meestal uit een ronde zaal, gedecoreerd met beelden en beschilderingen. Zij dienden als heiligdom, reservoir en verzamelruimte.
Het nymphaeum was vermoedelijk gebouwd rond de hoofdbron van de Aqua Traiana, een groot aquaduct dat keizer Trajanus in het jaar 109 liet aanleggen. Deze watervoorziening liet in de oudheid onder meer de watermolens draaien voor het malen van graan en voorzag de omgeving van Trans Tiberim (het huidige Trastevere) van water.
Lorenzo Quilici van de Universiteit van Bologna, een hoogleraar gespecialiseerd in antieke topografie en een expert op het gebied van oude aquaducten, steunt de visie van de Britten. Hij meent dat het reservoir en de fundamenten van een latere kapel deel uitmaakten van een omvangrijk nymphaeum, een monumentaal gebouw met bassins ter ere van watergoden uit de klassieke oudheid.
Vader en zoon O’Neill, enthousiaste amateurarcheologen, waren toen al enkele jaren bezig met onderzoek naar de hydraulische systemen en watervoorzieningen uit het Oude Rome en waren bezig met de voorbereiding van een documentaire over aquaducten in Rome. Het kostte hen heel wat doorzettingsvermogen en overredingskracht bij de overheid om toegang te krijgen tot de site.
De ondergrondse ruimte bevindt zich zowat drie meter onder de oude kapel en bestaat uit twee ovaalvormige kamers. Die waren dichtgemetseld, vermoedelijk in de periode dat de kapel werd gebouwd.
Toen het team in gezelschap van Lorenzo Quilici toegang kreeg tot de verborgen kamers ontdekten ze fraai metselwerk in haast onberispelijke staat en dat onmiddellijk als oud-Romeins werd geïdentificeerd. De blauw gekleurde kamers, versierd met veelkleurige bakstenen, geven toegang tot een lange galerijachtige tunnel, die het begin vormt van het aquaduct.
Archeologen wisten wel dat het water van de Aqua Traiana afkomtig was uit de buurt van het Braccianomeer en waarschijnlijk werd gevoed door meerdere kleine en grotere bronnen. De exacte locatie daarvan werd echter nooit ontdekt. Wel bekend zijn de munten die Trajanus liet slaan naar aanleiding van de voltooiing van de bouw van zijn aquaduct. De afbeelding op die munten, een riviergod liggend onder een grote boog geflankeerd door kolommen, zou het nymphaeum kunnen zijn.
De Aqua Traiana bracht zeer zuiver bronwater naar de Janiculumheuvel, bestemd als bad- en drinkwater. Met een kleiner zijaquaduct werd een gedeelte van het water tot in de omgeving van het huidige Vaticaanstad gebracht, waar het in de oudheid mogelijk ook de Naumachie van Trajanus van water voorzag.
De Naumachia Traiana was een groot stadion dat werd gebruikt voor het naspelen van zeeslagen (naumachiae). Dit stadion bevond zich ten zuiden van de Vaticaanse heuvel. De extravagante zeeslagen waren populair onder de Romeinse bevolking en een aantal jaren eerder liet keizer Domitianus in deze buurt reeds een een grote naumachie bouwen.
Zijn opvolger Trajanus liet deze echter na een grote brand in het Circus Maximus afbreken om met de stenen het circus te kunnen herstellen. In 109 liet Trajanus zelf een nieuwe naumachie bouwen, mogelijk op dezelfde plaats als de Naumachie van Domitianus.
In de middeleeuwen verviel het enorme gebouw tot een ruïne, waarna het vrijwel volledig verdween. De buurt tussen de Vaticaanse heuvel, de Engelenburcht en de Via Cornelia stond tot aan de elfde eeuw nog wel bekend als naumachiae en in de achtste eeuw werd hier de kerk San Pellegrino in Naumachia gebouwd. Restanten van de oorspronkelijke Naumachie zijn ten noordwesten van de Engelenburcht teruggevonden.
Twee delen van de fundamenten van tribunes, met gewelfde gangen en restanten van vier rijen zitplaatsen, zijn bewaard gebleven. Uit onderzoek bleek dat op deze fundering waarschijnlijk nog hogere tribunes waren gebouwd die via trappen bereikbaar waren. Onder de arcaden van vele ingangen waren winkels en bordelen gevestigd, waarmee de constructie van de Naumachie te vergelijken was met het circus of het amfitheater.
De bewaard gebleven constructie is gemaakt van beton bekleed met baksteen, wat typerend is voor de tijd van Trajanus. De muren waren bekleed met een waterwerende specie en voorzien van drainagepijpen, waardoor vrijwel zeker is dat dit geen gewoon circus was, maar een stadion waar waterspelen werden gehouden.
Door de grote afmetingen van de Naumachie werd wel lange tijd gedacht dat dit een circus was. Op oude kaarten van Rome in de oudheid staat het gebouw dan ook aangegeven als ‘Circus van Hadrianus’, mogelijk vanwege het Mausoleum van keizer Hadrianus (de huidige Engelenburcht), dat er direct naast stond. Hoe het er bij dergelijke waterspelen precies aan toeging zullen we wellicht nooit weten.
De bronnen waarmee Trajanus zijn watervoorziening liet voeden, waren ook voor de Etrusken al erg belangrijk. Ook de Romeinen hadden goed begrepen dat zuiver, vers drinkwater een grote verbetering op het vlak van hygiëne en sanitair betekende. Het is geen toeval dat het Romeinse rijk zich ten tijde van Trajanus op het hoogtepunt van zijn macht bevond.
De Aqua Traiana was het tiende aquaduct dat in Rome gebouwd werd. Voordien kreeg de wijk Trans Tiberim alleen drinkbaar water aangevoerd van aquaducten op de oostelijke oever van de Tiber, dat via pijpleidingen aan bruggen naar de wijk moest worden gebracht.
In de eerste eeuw was de bevolking in Trans Tiberim echter sterk toegenomen en dat maakte de aanvoer van meer water noodzakelijk.Het reeds bestaande Aqua Alsietina aquaduct had eveneens Trans Tiberim als eindpunt, maar voerde ondrinkbaar water aan dat alleen werd gebruikt voor het vullen van de Naumachie van Augustus en voor de landbouw.
Het grootste deel van de Aqua Traiana lag op grondniveau, pas bij het naderen van de stad ging het aquaduct op arcaden boven straatniveau verder. De maximale hoogte van het aquaduct was zes meter. Doordat het hoofdreservoir op de top van de Gianicolo stond, kon men de kracht van het naar beneden stromende water gebruiken om een aantal watermolens aan te drijven, die voor de industrie werden gebruikt.
De kracht van het water was groot genoeg om ook de wijken van de stad op de oostelijke oever te bedienen. Via de leidingen aan de bruggen kwam zo voor het eerst water van de westelijke oever het stadscentrum binnen.
Het belangrijkste eindpunt waren de Thermen van Trajanus op de Oppius, die de keizer gelijktijdig had laten bouwen. Wetende dat tot vandaag watervoorziening in heel wat delen van de wereld een groot probleem is, blijft het fascinerend om te zien hoe de Romeinen in de oudheid die problemen al hadden opgelost.
Het aquaduct van Trajanus bleef in gebruik tot inval van de Goten in 537. Een gedeelte van dit aquaduct staat nog steeds overeind, onder meer langs de Via Aurelia, maar ook ondergronds zijn restanten teruggevonden. In tegenstelling tot de andere aquaducten, zijn er van de Aqua Traiana niet veel details meer bekend.
Dit komt doordat dit aquaduct pas werd gebouwd nadat de Romeinse schrijver Frontinus zijn beroemde standaardwerk over de Romeinse watervoorziening al had geschreven, de aquis urbis Romae, ook bekend als de aquae ductu. Daarin wordt de geschiedenis en de capaciteit van de verschillende aquaducten nauwkeurig beschreven.
Feit is wel dat het tussen 1605 en 1615 werd herbouwd in opdracht van paus Paulus V die het omdoopte tot de Acqua Paola. Het systeem voert tot vandaag nog steeds water naar Rome en voorziet onder meer de hierboven vermelde Fontana dell’Acqua Paola op de Gianicolo-heuvel van water.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 16 januari 2020. Bekijk het origineel.

