20 april 2023 —
Avonturen met opschriften XXXa = Manuscript Mysteries XIIa
Dat het in het oude Rome wemelde van de opschriften en dat de klassieke Latijnse literatuur tot ons is gekomen via middeleeuwse handschriften, kan geen enkele trouwe lezer van de S.P.Q.R.-nieuwsbrieven zijn ontgaan. Nu deze Nieuwsbrieven in nieuwe stijl worden verdergezet, zal het voor menigeen dan ook een aangename, voor sommigen een ergerniswekkende verrassing zijn te vernemen dat de auteur, Michiel Verweij (Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) – KU Leuven), zich bereid heeft verklaard om beide reeksen voort te zetten. De hier volgende episode is een special edition van beide reeksen samen (vandaar het a-nummer) en is uiteraard opgedragen aan de nagedachtenis van Eric Claes die zo goed was de schrijfsels van de auteur te aanvaarden. Eric kon de inhoud niet verifiëren, maar de auteur verklaart met zijn hand op het hart dat wat er in deze bijdragen te vinden is, berust op de waarheid of de interpretatie van de gegevens volgens de juiste methode. Wat niet wegneemt dat de auteur – mocht het echt nodig zijn – een levendige fantasie heeft en in staat is om een volledig uit de lucht gegrepen opschrift of handschrift of interpretatie te construeren. Dank, Eric, voor het vertrouwen! Het was echt niet misplaatst.
Als schrijver dezes u de vraag stelt wat het bekendste opschrift in Rome is, dan zult u het hoofd krabben en er niet uitkomen. De Titusboog? De Septimius-Severusboog met de na de broedermoord gedelgde vierde regel? De gevel van het Pantheon? Die van de Sint-Pieter? Zelfs op de Trevifontein staan drie Latijnse opschriften, maar daar kijkt niemand naar. Kortom, u weet het niet.
Troost u. Dat ligt niet aan u. Het bekendste opschrift is in feite verborgen. Dat is wat we noemen een contradictio in terminis. Voor u de moed opgeeft en met een diepe zucht schrijver dezes naar weet-ik-wat-allemaal verwenst, kan hij u verzekeren dat de verklaring eigenlijk heel eenvoudig is. De tekst van het opschrift in kwestie is alom te vinden en ontelbare malen gereproduceerd. Maar niemand weet waar het origineel zit. Of bijna niemand.
Schrijver dezes weet het dus wel. Maar dat had u al begrepen. Hij neemt u nu mee naar een basiliek aan de rand van het keizerlijke Rome, de Santa Croce in Gerusalemme. De kerk dankt haar bestaan aan een ramp. En die ramp heet Helena. Helena was de moeder van keizer Constantijn. Nu heeft schrijver dezes een onverklaarbare gruwelijke hekel aan Constantijn, de huichelaar, de moordenaar, de hypocriet, de mooidoener, de opportunist en vooral ook degene die Rome als hoofdstad heeft durven vervangen door dat akelige tochtgat aan de Bosporus. Enfin, den dieë dus, om het op zijn Oirschots te zeggen.
Helena was veel eerder christen geworden dan haar zoon die zich pas op zijn sterfbed heeft laten dopen. Helena was wat dat betreft aanzienlijk authentieker dan haar zoon. (Schrijver dezes heeft dan ook geen hekel aan Helena.) Maar ergens in de jaren 320 trok zij naar het Heilige Land en nam daar alles wat los en vast zat als relikwie mee naar Rome. Het Heilige Land heeft er zich nooit van hersteld. In ieder geval wist zij wat het échte centrum van de wereld is. Ze stopte al die relikwieën in haar eigen paleis in Rome waar ze een speciale kapel liet bouwen. Uit de basilica van dat paleis is dan de huidige kerk gegroeid. In de romaanse periode heeft men de eenschepige ruimte driebeukig gemaakt en in de barok nog wat gebarokkiseerd, maar in wezen is de Santa Croce nog altijd de oude paleisbasilica.
Goed, u weet hoe dat gaat met relikwieën. Ze zijn er en worden vereerd, ze gaan verloren en worden herontdekt. Dat is ook gebeurd met de rijke verzameling in de S. Croce. In 1492 (bij of net voor een andere verbouwing) werden de relieken opnieuw ‘gevonden’ (wat we ons daar ook bij moeten voorstellen). Aanvankelijk werden ze in een aparte kapel bewaard, maar deze was te vochtig. In de jaren 1930 werd er dan een nieuwe kapel gebouwd waarvan u links van het hoofdaltaar de toegang vindt.
Langzaam daalt u af, brede trede na brede trede. U ziet eerst de dwarsbalk van het kruis van de goede moordenaar (degene die samen met Jezus gekruisigd was en hem als zoon van God erkende) en dan gaat u het hoekje om. Letterlijk tenminste. Hoop ik. Vóór u ziet u in een speciaal geconstrueerde vitrine op de altaartafel de schatten uitgestald: enkele partikels van het kruis, twee doornen uit de doornenkroon, een van de spijkers, ja zelfs de vinger van de apostel Thomas waarmee hij na de verrijzenis in Jezus’ wonde gevoeld heeft. En daar vinden we ook de titulus.
Eindelijk. Want de titulus is niets anders (of beweert dat te zijn) dan het opschrift op een houten plankje dat op het kruis was bevestigd om de reden van de veroordeling aan te geven. Alle Evangelies vermelden het bestaan van dit opschrift (Marcus, 15, 26; Lucas, 23, 38; Mattheus, 27, 37; Johannes, 19, 19-20), maar alleen Johannes vermeldt dat de tekst in drie talen was: Latijn (de rijkstaal), Grieks (de verkeerstaal in het oostelijk deel van het rijk) en Hebreeuws (de lokale taal). Al is er tegen het laatste wel opgemerkt dat de eigenlijke lokale taal het Aramees was. Het Hebreeuws bleef natuurlijk wel de taal van de joodse Bijbel = het christelijke Oude Testament.
Volgens het Evangelie volgens Johannes luidde de tekst (in de Vulgata):
IESVS NAZARENVS REX IVDAEORVM.
Dat is in het Grieks:
Ιησους ο Ναζωραιος ο βασιλευς των Ιουδαιων.
Ofwel, in vertaling: ‘Jezus van Nazareth, koning der Joden’.
U zult het schrijver dezes niet euvel duiden dat hij u geen Hebreeuwse tekst biedt: ook hij heeft zijn beperkingen. En bovendien is die tekst niet uit de oudheid overgeleverd (dit is dus een voorbeeld van een wetenschappelijk gefundeerde uitvlucht of smoes).
De tekst is beter bekend in de afkorting I. N. R. I. en als zodanig op tal van voorstellingen van de kruisiging afgebeeld. En zo kent u het wellicht en hebt u het al geregeld ergens gezien…
Dat brengt ons tot de volgende vraag: is deze titulus nu echt? ‘Echt’ in onze betekenis van ‘historisch ontwijfelbaar authentiek object’.
Om te beginnen: het was inderdaad een Romeins gebruik om de reden van de veroordeling kenbaar te maken, bijv. op een bord dat de veroordeelde op weg naar de executie droeg of dat voor de veroordeelde uit gedragen werd. Bovendien was het gebruik van de titel ‘Koning der Joden’ inderdaad strafbaar: alleen de Romeinse keizer kon op dat moment die titel toekennen, mocht hij daartoe geneigd zijn (zoals nog gebeurd is met Herodes Agrippa van 41 tot 44, aangewezen door Caligula en Claudius). Dus, eerste conclusie: de informatie in het Johannesevangelie is op zich niet in strijd met de historische praktijk en omstandigheden.
Dat is één. Maar nu het stuk zelf. Het spreekt vanzelf dat daar heel wat onderzoek naar gedaan is, waarvan de resultaten even vanzelfsprekend elkaar tegenspreken – wat had u anders verwacht? Het gaat om een stuk notenhout van 687 gram, 25 x 14 x 2,6 cm. Dat heeft schrijver dezes uiteraard ergens gevonden: soms is Wikipedia best nuttig, vooral de Duitse.
De tekst is onvolledig en geschreven van rechts naar links, voor alle drie de talen. De bovenste regel in het Hebreeuws is slechts gedeeltelijk herkenbaar en is in 1995 gereconstrueerd tot het Aramese ישו נצר מ מ (Jeschu nazara m m = malkekem). De tweede, Griekse regel luidt: ΙCΝΑΖΑΡΕΝ8CΒ (8 = ΟΥ), terwijl de bewaarde Latijnse tekst is: I NAZARINVSRE.
Maria-Luisa Rigato bestudeerde de relikwie in 1995, Michael Hesemann in 1998, en paleografen van Israëlische universiteiten keken eveneens naar de resten van het Hebreeuwse schrift in de bovenste regel. Volgens al dezen komt het schrifttype overeen met dat uit de 1ste eeuw n.Chr. De koolstofdatering suggereert evenwel dat het hout uit de late 10de tot vroege 12de eeuw stamt. En verder is men het over van alles niet met elkaar eens.
Toch zijn de bevindingen van de paleografie en het resultaat van het natuurwetenschappelijk onderzoek niet noodzakelijkerwijs met elkaar in strijd. Hout is fragiel. Het is op zich niet ondenkbaar dat men in de 11de of 12de eeuw de oorspronkelijke titulus die na ruim 1000 jaar flink geleden moet hebben, vervangen heeft en daarbij de lettertekens zo getrouw mogelijk op een nieuwe plank heeft gekopieerd. In middeleeuwse ogen zou daarmee aan de echtheid geen afbreuk zijn gedaan, want voor hen gold de religieuze waarde als eerste. Die ging gewoon over op het nieuwe object. Voor ons ligt dat anders, maar daar hadden ze in de middeleeuwen uiteraard maling aan. Het kan dus zijn dat het om een als authentiek bedoelde kopie uit de middeleeuwen van het oorspronkelijke stuk gaat. Dat is – zeker in middeleeuwse ogen – geen vervalsing, want bij dat laatste komt bewust bedrog om de hoek kijken.
De kruisiging is in de Europese kunst een van de meest voorkomende onderwerpen. Met I N R I. Ontelbaar zijn de afbeeldingen op schilderijen, beelden en in … miniaturen in handschriften.
‘De olijkerd’, zei de Grote Speurder. Schrijver dezes liep net langs de plaats waar de Grote Speurder zat. Die staarde op een blad in een handschrift en was zich vermoedelijk niet eens van de aanwezigheid van schrijver dezes bewust.
‘De olijkerd’, herhaalde de Grote Speurder. Het handschrift vóór hem op tafel was het Pontificale van de kathedraal van Sens, manuscript 9215 van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Een Pontificale is een boek dat de rituelen en plechtigheden eigen aan een kathedraal en de uitoefening van het bisschopsambt groepeert, een soort How te be a bishop dus. Sens ligt ten zuidoosten van Parijs en was een aartsbisdom. De bisschop van Parijs ressorteerde onder Sens. (Parijs werd pas in 1622 zelf een aartsbisdom.) Het handschrift werd gekopieerd rond 1400 in Parijs en op die tijd en plaats werd er ook een begin gemaakt met de verluchting van de twee grote miniaturen en de gehistorieerde initialen (initialen met een figuratieve voorstelling erin verwerkt).
Alleen: het boek werd niet afgewerkt. Na folium 100 stopt de oorspronkelijke decoratie. Pas rond 1460 werd de rest van de verluchting aangebracht en wel door niemand minder dan Simon Marmion in Valenciennes. Deze Henegouwse stad lag destijds nog in de Bourgondische Nederlanden: pas in 1678 zou ze door Lodewijk XIV geannexeerd worden. Simon Marmion is bekend om zijn subtiel kleurgebruik en zijn zorg in de afwerking, kortom, hij is een van de meesters van de miniatuurkunst in de Zuidelijke Nederlanden. Eén kenmerkend verschil tussen de miniaturen uit de eerste fase en die van Marmion in dit handschrift is dat de eerste steeds op een achtergrond met een geometrisch patroon zijn geplaatst, terwijl bij Marmion (zoals bij de meeste andere Zuid-Nederlandse miniaturisten van die periode) een realistisch ogend landschap de achtergrond vormt.
De Grote Speurder had het volume openliggen op de bekendste pagina, met het begin van de canon van de mis onder een halfbladminiatuur van de kruisiging. De voorstelling is zonder meer schitterend, een meesterwerk van de miniatuurkunst. In het midden het kruis met de dode Jezus die ook echt als een dood lijk is voorgesteld, bleek van kleur. Links zien we de apostel Johannes, Maria en twee andere vrouwen (Maria Magdalena geknield in groen gewaad en mogelijk Maria Cleophas), allen in heftige beroering. Maria zinkt ter aarde, overstelpt door haar verdriet. Johannes kan haar nog net ondersteunen, terwijl zijn blik naar de gestorven Christus gaat. Rechts van het kruis staan drie mannen, van wie één duidelijk herkenbaar is als soldaat en die vermoedelijk de Romeinse centurio voorstelt die verantwoordelijk was voor de executie. De traditie noemt hem Longinus. De betekenis van de andere twee mannen, in nogal exotische dracht met tulband, is minder duidelijk. Het geheel is geplaatst tegen een subtiel geschilderd landschap in groen en blauw. Boten varen op de rivier. Steden verheffen zich op de heuvels die langzaam naar de einder reiken. Werkelijk een meesterwerk.
Maar de Grote Speurder keek niet naar de bootjes of de heuvels, niet naar de droefheid van de vrouwen of het bleke gelaat van Christus. Hij keek naar het opschrift op het kruis dat in dit geval niet was beperkt tot de klassieke afkorting I N R I van de Latijnse regel. Nee, hier stond het opschrift, volledig conform het Evangelie volgens Johannes, in drie talen, Hebreeuws, Grieks en Latijn. Dat punt was al eens eerder door geleerden vastgesteld en opgemerkt. Maar zij hadden niet gezien wat de Grote Speurder zag…
U had niet anders verwacht.
‘De olijkerd’, zei de Grote Speurder voor de derde maal en hij keek op naar schrijver dezes die langzaam verder schuifelde, ervoor beducht de Grote Speurder niet te storen. ‘En niemand heeft dat eerder gezien!’ Hij schudde zijn hoofd. Schrijver dezes kwam voorzichtig naderbij; zijn nieuwsgierigheid was nu gewekt.
De Grote Speurder zei tegen hem: ‘Kijk eens naar dat opschrift. De onderste regel is duidelijk: Ihs (= Iesus) nazare(us) r(ex) iudeoru(m). Dat is Latijn. Met wat afkortingen, maar daar doen we niet moeilijk over. En dan doet Marmion alsof hij Grieks kent. Alleen: hij kent geen Grieks! Hij kon wel schilderen, duidelijk beter dan ik’, gaf de Grote Speurder grootmoedig, zij het wat schoorvoetend toe, ‘maar Grieks, dat kende hij niet. Alleen de letters. Kijk eens wat er in het Grieks staat!’
Schrijver dezes boog zich nu ook, deemoedig in het gezelschap van de Grote Speurder, voorover over de schitterende miniatuur en hij las: ΙΗC ΝΑΖΑΡ Ρ ΙΥΔΕ.
‘Sinds wanneer’ begon de Grote Speurder ‘begint het Griekse woord voor ‘koning’ met een rho? Dat is toch βασιλεύς? En dat begint met een bèta. Tot nader order. ‘Kijk, wat heeft Marmion gedaan? Hij heeft gewoon de letters van het Latijnse opschrift omgezet in Griekse. En hetzelfde heeft hij, durf ik wedden, met de Hebreeuwse gedaan!’
Eén algemeen advies: ga NOOIT een weddenschap aan met de Grote Speurder. Je verliest altijd. Schrijver dezes zei dan ook dat hij de Grote Speurder op zijn woord geloofde. Deze was echter al op zoek naar een Hebreeuws alfabet (het mag misschien tegenvallen, maar de Grote Speurder is het Hebreeuws ook niet zo machtig; of liever, want laat ons grote lieden met grote lieden vergelijken: zijn kennis van het Hebreeuws komt overeen met die van Erasmus). Hoe dan ook, de Grote Speurder slaakte een kreet van verrukking en wees naar de Hebreeuwse R (ר), waar een M (מ) had moeten staan…
Hij had weer eens gelijk.
Verdorie.
De olijkerd.
Dat is een bijdrage van dr. Michiel Verweij
(Koninklijke Bibliotheek van België)

