Antieke obelisken in Rome

20220331 122912 (2025 11 21 13 43 38 utc)

5 mei 2023 —

Antieke obelisken in Rome (1)

Clublid Frans Veevaete belooft ons een reeks Nieuwsbrieven over de obelisken in Rome, meer bepaald over de obelisken die werden heropgericht door paus Sixtus V. Vandaag de eerste aflevering: de inleiding met algemene achtergrond over deze imposante monumenten.

Geen enkele stad ter wereld telt meer antieke obelisken dan Rome: verspreid over het historische stadscentrum en in Vaticaanstad staan er dertien antieke exemplaren, en dan zwijgen we nog over de obelisken uit de moderne tijden. Ongeveer de helft van de antieke obelisken was oorspronkelijk opgericht in Egypte, maar dat land werd systematisch geplunderd zodra het in 31 v.Chr. onder Romeinse heerschappij kwam en een persoonlijke provincie werd van de keizer. De oudste obelisk, die op het Sint-Pietersplein, dateert van lang vóór de stichting van Rome, namelijk uit de 18de eeuw v.Chr.

Andere obelisken werden afgewerkt in Italië of in Rome zelf. De granieten schachten haalde men wel uit de Egyptische steengroeven die eigendom van de keizer waren, maar de hiëroglyfen werden er in Rome op aangebracht door uitgeweken Egyptenaren die het schrift meester waren. Dit is onder meer het geval met de obelisk op Piazza Navona die tot stand kwam onder Domitianus (81-96), en met die op de Pincio. Die laatste maakte oorspronkelijk deel uit van de cenotaaf van Antinoüs, de beminde van keizer Hadrianus (117-138), op het domein van zijn Villa Adriana in Tivoli.

In de oudheid stonden er ongetwijfeld veel meer obelisken in Rome, sommige geleerden gewagen van wel 48 exemplaren! Zo stond er een obelisk op het Tibereiland die als het ware de mast van een schip moest symboliseren, maar die viel om in de 14de eeuw. Er zijn drie stukken van bewaard gebleven die zich nu bevinden in het Nationaal Archeologisch Museum van Napels en in het museum van München. Andere obelisken vonden hun weg naar andere steden van Italië zoals Urbino en Firenze.

Obelisken verschijnen voor de eerste maal in Egypte omstreeks de 24ste eeuw v.Chr., maar pas vanaf de 15de eeuw v.Chr. komen ze tot hun volledige ontwikkeling op het vlak van omvang en versiering. Ze werden vervaardigd uit decoratieve, religieuze en feestelijke overwegingen. Vaak werden ze in paar als een soort van tweelingmonumenten opgesteld bij een tempel, maar er kwamen eveneens enkelvoudige exemplaren voor. Ze maakten deel uit van de cultus van de zonnegod Ra; hun vorm, hoog en rank, met de punt naar de hemel gericht, leek bedoeld te zijn om als het ware een verbinding te maken tussen die hemelse godheid en de aarde.

Op de vier zijden stonden gewoonlijk hiëroglyfen gegrift waarmee de farao’s vaak hun overleden vaders huldigden. Hun namen zijn gemakkelijk te onderscheiden van de andere woorden, omdat die hiëroglyfen omgeven zijn door een ovale lijst, een cartouche. De obelisken in Rome vermelden vaak de naam van Ramses II (1279-1213 v.Chr.), koning van de XIXde Dynastie.

Er zijn evenwel niet op alle obelisken inscripties aanwezig: verschillende vertonen een volkomen glad oppervlak; in dat geval spreekt men van anepigrafische obelisken. Hiervoor zijn uiteenlopende verklaringen mogelijk: enkele obelisken hadden een louter decoratieve functie, zonder bijzondere dedicaties; andere zijn onafgewerkt gebleven door bijvoorbeeld de vroegtijdige dood van de opdrachtgever; en enkele obelisken van Rome werden wel uitgehouwen in Egyptische steengroeven maar werden meegevoerd naar Rome om daar verder te worden bewerkt.

Vier eeuwen lang, van de 1ste eeuw v.Chr. tot de 4de eeuw n.Chr. hebben de Romeinen obelisken uit Egypte naar Rome getransporteerd. De grootste kwamen uit Heliopolis in Beneden-Egypte, en twee waren eerst overgebracht naar Alexandrië dat sinds de 4de eeuw v.Chr. de hoofdstad van het land was geworden.

De inscripties op de obeliskschachten waren voor het Romeinse volk onbegrijpelijk, en men beschouwde die dan ook als een soort ‘exotische versiering’. Toch wisten veel intellectuelen dat ze een betekenis hadden. Onder meer Domitianus (81-96) en Hadrianus (117-138) huurden Egyptische steenkappers in om de schachten ter plaatste van hiëroglyfen te voorzien. Het beste voorbeeld is de obelisk op de Pincio waarop de stichting van de nieuwe stad, Antinoöpolis, en de cultus van Antinoüs worden uiteengezet. Maar globaal genomen zou het duren tot het begin van de 19de eeuw alvorens de westerse wereld klaarheid begon te verkrijgen in de betekenis van deze honderden gestileerde figuurtjes, dankzij de ontdekking van de steen van Rosetta door Champollion.

De Romeinse keizers vonden de obelisken bijzonder geschikt om er hun circussen mee te versieren, waar ze gewoonlijk kwamen te staan op de middenberm, de spina; maar ook werden ze gebruikt als opsmuk van de tempels voor Egyptische godheden zoals het Iseum-Serapeum op het Marsveld, en om de monumentaliteit van hun mausolea te accentueren, zoals bij het Mausoleum van Augustus.

Men vermoedt dat de meeste obelisken omvergegooid werden bij de inval van de Ostrogothen in 537 omdat hun koning Totila die aanzag als symbolen van de vroegere keizerlijke macht. Op die manier geraakten ze allemaal, op die van het Vaticaan na, in de vergetelheid tot in de late renaissance, doordat ze in stukken waren gebroken en geleidelijk werden bedolven door meters aarde en afval. Volgens Rodolfo Lanciani echter, een verdienstelijk archeoloog uit het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw, lag de schuld voornamelijk bij de eerste pausen: hij stelt dat zij na het edict van keizer Constantijn (Milaan, 313) en vooral na het edict van keizer Theodosius (395) dat van het christendom de staatsgodsdienst maakte, alles wat met het heidendom te maken had met de grond wilden gelijkmaken en dat ze dit deden met een fanatisme dat vandaag zijn gelijke niet meer kent, althans niet in de christelijke godsdiensten. De speling van het noodlot heeft er evenwel voor gezorgd dat het precies een paus was, Sixtus V (1585-1590), die als eerste obelisken liet restaureren en terug rechtopzetten. Daar zullen de volgende afleveringen van deze reeks aan gewijd zijn.

De obelisken zijn monumenten met vrij uitzonderlijke karakteristieken: ze zijn gehouwen uit één blok steen, monolieten dus, meestal van rode graniet. De schacht heeft de vorm van een regelmatig en op doorsnede vierkant prisma, naar boven toe versmallend en eindigend op een kleine, piramidevormige punt, pyramidion genoemd. In Egypte werd op de top van dit pyramidion geen specifieke structuur geplaatst, maar het kon worden bekleed met een laagje barnsteen, zilver of goud; op die manier werd het reflecterend en kon dit het zonlicht tot op grote afstand weerkaatsen. Evenals de schacht kon het pyramidion hiëroglyfen vertonen, meestal in een cartouche met de naam van de farao of van een goddelijke figuur.

De obelisken die naar Rome waren getransporteerd daarentegen kregen daar op het pyramidion een bronzen globe met daarop een pinakel. Behalve bij de obelisk op Piazza Montecitorio en die in de Villa Celimontana zijn deze versieringen later vervangen door christelijke symbolen zoals een kruis of een ster. Dat is ook het geval met de obelisk de Via delle Terme di Diocleziano, die werd opgericht in 1887, dus na de val van de Pauselijke Staten. Op de obelisk bovenaan de Spaanse Trappen staat niet enkel een kruis en een ster maar ook een lelie, het symbool van de Franse kroon, omdat de kerk ernaast, de Trinità dei Monti, een van de Franse kerken van Rome is.

Tot slot van deze inleiding moeten we nog vermelden waar het woord obelisk van afkomstig is: het komt van het Griekse ỏβελός [obelos] meer bepaald het verkleinwoord ervan ỏβελίσκος [obeliskos], wat braadspitje betekent. Dit woord hebben we van Herodotus, de Griekse historicus uit de 5de eeuw v.Chr. die Egypte bezocht en beschreef. Maar we kunnen ons wel afvragen wat er zo klein is aan bijvoorbeeld de obelisk van Lateranen, die hij nog moet weten staan hebben op zijn oorspronkelijke standplaats in het Egyptische Thebe (thans Karnak).

met dank aan clublid Frans Veevaete voor deze tekst

volgende aflevering: de obelisk op de Esquilijn