13 juni 2024 —
Het moet een vallende olielamp zijn geweest.
Rome, de avond van 18 juli 64 n.Chr. Het zijn de hete hondsdagen. Snikheet is het. Wie een buitenverblijf heeft, is de ondraaglijk hete stad ontvlucht. Onder anderen de keizer, Nero. Die zit sinds enkele weken met heel zijn hofhouding in Antium, het huidige Anzio aan de kust. Maar in de stad zoekt de massa, een klein miljoen mensen, afkoeling. Tevergeefs, want er waait geen wind…
En dan gebeurt het. Er breekt brand uit in één van de winkels aan het ronde uiteinde van het Circus Maximus, ongeveer ter hoogte van de huidige Piazza di Porta Capena. Onder de arcaden van het Circus is het één aaneenschakeling van kleine winkels en opslagplaatsen met brandbare goederen, amforen met olie, … Het laat zich raden hoe hier een brand kan ontstaan. Een kleine vonk is voldoende. Een vonk in de vorm van bijvoorbeeld een vallende olielamp. Een inferno is het gevolg.
Branden, daar is men in Rome wel aan gewend geraakt. En de vigiles, de ‘brandweertroepen’, zijn goed uitgerust en zeer professioneel. Maar nu is het anders. In een mum van tijd is de 600 meter lange noordzijde van het Circus aangetast. En het vuur baant zich razendsnel een weg in de richting van het Forum Boarium, de Caeliusheuvel en de Aventijn. Zal ook de Palatijn aan de beurt komen, waar Nero’s kraaknieuwe paleis zich bevindt, zijn zogenaamde Domus Transitoria met daarin zijn rijke collectie van kunstwerken allerhande?
De drie belangrijkste literaire bronnen waarop we ons baseren, zijn de geschiedschrijver Tacitus die een halve eeuw later zijn Annales (XV, 38-44) schreef, de biograaf Suetonius met zijn De Vita Caesarum (VI, 16 en 38) uit circa 120 n.Chr., en de geschiedschrijver Cassius Dio die in het begin van de derde eeuw zijn Historia Romana schreef (LXII, 16-17).
Tacitus zegt dat het vuur aangewakkerd werd door een sterke wind. Dit is maar ten dele waar. Uit het verslag van Cassius Dio blijkt dat er na een periode van een aantal uren windstilte plots een hevige zuidenwind opstak. Het is de bekende libeccio, een wind uit Libië die dagen kan duren als hij niet gelinkt is aan een atmosferische storing. En dat is hier het geval. Die warme, stevige wind stuwde het vuur in de richting van – jawel – de Palatijn.

Op dat ogenblik besluit men Nero te verwittigen. Maar Antium ligt niet op een boogscheut van Rome, maar wel op een kleine 60 km. Wanneer Nero met heel zijn hofhouding een dag later in Rome aankomt, staat de Palatijn in lichterlaaie, inclusief Nero’s paleis met al zijn kunstwerken. Daaruit nog iets redden, daar is geen sprake van.
Ondertussen zwoegen de vigiles tevergeefs om de brand onder controle te krijgen, met alle mogelijke zware middelen. Onder andere met belegeringstuigen zoals kleine stormrammen en katapulten maken ze gebouwen met de grond gelijk om de puinhoop dan gecontroleerd in brand te steken. Op die manier creëert men brandgangen. Zowel Suetonius als Tacitus maken er gewag van.
Nero neemt de nodige maatregelen. Hij coördineert de strijd tegen de brand én de reddingsacties. Voor de noodlijdende bevolking laat hij op het Marsveld, dat niet door de brand bedreigd is, als noodopvang belangrijke gebouwen van Agrippa openstellen, zoals de thermen en het Pantheon. Hij laat noodbarakken bouwen in zijn eigen tuinen aan de voet van de Vaticanus-heuvel. Onbewaakt loopt hij her en der. Hij laat extra ladingen graan uit Ostia overkomen. Die schepen zullen na de brand dienen om verbrand puin te gaan dumpen in de moerassen bij Ostia, bij het huidige Castel Fusano. De burgers zullen op de graanprijs een korting van 50% krijgen.
Van waar heeft Nero de catastrofe overzien?
Hier treffen we de eerste elementen van fake news aan. De drie hier genoemde auteurs verklaren dat Nero heeft staan zingen terwijl zijn stad aan zijn voeten afbrandde. Maar ze spreken mekaar – en zichzelf – hopeloos tegen. Volgens Tacitus was dat in zijn privétoneel, in zijn paleis dus. Maar in dezelfde paragraaf heeft hij net beschreven hoe het paleis in de as was gelegd. Klopt dus niet. Of heeft Tacitus het hier over het theater dat recent ontdekt is aan de Via della Conciliazione bij het Vaticaan?
Volgens Cassius Dio was het “op het hoogste punt van de Palatijn”. Maar ook hier lezen we dat heel de Palatijn een prooi van de vlammen werd. Suetonius zit allicht het dichtst bij de waarheid. Hij heeft het over de “toren van Maecenas”. Die toren (ook bekend dankzij Horatius) moet een soort belvedère zijn geweest of een terras met panoramisch uitzicht in de tuinen van Maecenas. Die lagen tussen het zogenaamde Auditorium van Maecenas en de huidige Piazza Vittorio Emanuele. Dat gedeelte van de stad is door de brand gespaard gebleven.

Wat behelsde de zang-performance van Nero? Volgens Suetonius stond hij daar in toneelkledij een eigen compositie te declameren over de val van Troje. Tacitus heeft het over de ondergang van Troje die hij bezong. Volgens Cassius Dio was Nero verkleed als citerspeler. Je kan je afvragen hoe hij op dat moment in die omstandigheden aan die outfit kwam. Uit de assen van zijn verbrand paleis misschien? En is het een misdaad dat je, geëmotioneerd door de aanblik van de stad die daar beneden in vlammen opgaat, verzen prevelt of neuriet – al dan niet geïnspireerd door Homerus – over de brand van Troje? Zou dit alles niet eerder een broodje-aapverhaal zijn?
Ondertussen woedt de brand verder noordwaarts, raast hij over de Velia en verwoest hij daar de domus van Domitius Ahenobarbus. Dit was Nero’s ouderlijk huis waar hij zijn kinderjaren had doorgebracht en waaraan hij zeer gehecht was, ongeveer op de plaats van de latere Basilica van Maxentius. De vallei waar later het Colosseum zou komen, tot aan de huidige kerk van San Clemente, is één vuurzee. Pas na negen dagen stopt de brand, op de Quirinalis-heuvel. Rome ligt in puin, althans tien van de veertien districten. Het is de grootste brand die de stad ooit heeft geteisterd.
Een gerucht doet de ronde: het is Nero zelf die de brand bevolen heeft. Want waren er geen mannen gezien die, terwijl ze huizen in brand staken, uitriepen dat ze op bevel van hogerhand handelden? Wanneer het gerucht hem ter ore komt, wijst hij de christenen als schuldigen aan. Zodoende was de brand ook de aanleiding tot de eerste christenenvervolgingen in de geschiedenis. Maar is het niet raar dat Tacitus de enige geschiedschrijver in de oudheid is die dat verband legt? Suetonius vermeldt wel straffen voor de christenen – in welgeteld één enkele zin – maar linkt dat niet aan de brand. En Cassius Dio, die vermeldt zelfs het woord “christenen” niet, nergens in heel zijn werk.

Wat er ook van zij: Nero als brandstichter is misschien wel de meest vérstrekkende complottheorie uit de Romeinse geschiedenis, en tegelijkertijd een prachtig voorbeeld van fake news. De meest absurde motieven zijn hem in de schoenen geschoven. Geen enkel houdt stand. Want, om te beginnen, hij heeft een alibi: hij zat in Antium en kwam niet meteen naar Rome. De brand ontstond bij toeval, in de brandbare barakken aan het Circus Maximus. Nero was zelf één van de ergst getroffen slachtoffers: hij verloor zijn paleis, zijn kunstschatten én zijn ouderlijk huis. Hij stelde alles in het werk om de brand te bestrijden en de noodlijdenden ter hulp te komen. De zogezegde brandstichters waren niets anders dan de vigiles die brandgangen maakten, of misschien tegenstanders van hem die op die manier de schuld bij hem legden, of plunderaars.
Al die zwartmakende berichten zijn vrij tendentieus en bewijzen aan welke kant de verslaggevers stonden, namelijk die van de anti-Nerogezinde senatoriale klasse.
En zo ging Nero de geschiedenis in als brandstichter-zanger-christenvervolger. Maar in weerwil van Hollywood (bijvoorbeeld Quo Vadis?, 1951), het computerprogramma Nero Burning Rom en Nero in de kruiswoordraadsels zijn tegenwoordig vrijwel alle onderzoekers het erover eens dat veel van dit alles naar het rijk der fabels mag worden verwezen.
Wat indien die vermaledijde olielamp niet was gevallen?…
Met dank aan clublid Guido Cuyt voor deze bijdrage
(schrijfwedstrijd 2024).
Een greep uit een onuitputtelijke literatuurlijst:
A. Angela, La Trilogia di Nerone:
• Libro I, L’ultimo giorno di Roma, Viaggio nella città di Nerone poco prima del grande incendio (Milano 2020).
• Libro II, L’inferno su Roma, Il grande incendio che distrusse la città di Nerone (Milano 2021).
• Libro III, Nerone, La rinascita di Roma e il tramonto di un imperatore (Milano 2022).
M. Fiedrowicz, ‘Die Christenvervolgung nach dem Brand Roms im Jahr 64’, in: K. Schulz (ed.), Nero, Kaiser, Künstler und Tyrann (Trier 2016) p. 250-256.
C. Panella, ‘Nerone e il grande incendio del 64 d.C.’, in: M. Tomei & R. Rea (a cura di), Nerone (Roma 2011) p. 76-91.
C. Panella, ‘L’incendio del 64 e il cantiere della Domus Aurea’, in: C. Panella, (a cura di), Scavare nel centro di Roma, Storie Uomini Paesaggi (Roma 2013) p. 76-97.
A. Van Hooff, Nero en Seneca, De despoot en de denker (Amsterdam 2010).
S. Van Overmeire, Nero, Drie gezichten van een populaire keizer (Leuven 2013).
G. Walter, Nero, keizer en tyran (Zeist 1960).

