Het ondergrondse gedeelte van het Colosseum, dat je sinds juli 2010 kon bezoeken, gaat omwille van veiligheidsredenen tijdelijk dicht. Een overigens zeer kleine instorting zorgde voor de beslissing om de honderden bezoekers die dagelijks afdalen in het Colosseum niet langer door het benedengedeelte van het monument te gidsen. Zondagochtend kwam er aan de zijde van de Via Labicana ook weer een brokstuk naar beneden. Het schijnbaar onverbiddellijke veval van het Flavische Amphitheater gaat dus voort en maakt vooral duidelijk dat de haast eindeloze procedureslagen en de klachten van concurrerende aannemers en restaurateurs hebben geleid tot een onverantwoord uitstel van de restauratie. Die is inmiddels, na bijna dertig maanden vertraging, gelukkig wel aan de gang. Dat is geen dag te vroeg.
In de ondergrondse ruimtes van het Colosseum werd geen schade vastgesteld maar losgekomen steentjes en neerdwarrelend zand maakten voldoende mensen ongerust om de bezoeken aan de benedenverdiepingen tijdelijk op te schorten. Het gaat om de verblijfplaatsen waar de gladiatoren moesten wachten vooraleer de arena te betreden en de ruimtes waar de kooien met wilde dieren waren ondergebracht. Voor alle duidelijkheid: het Colosseum kan je gewoon blijven bezoeken, ook tijdens de restauratiewerken die momenteel aan de gang zijn.
Tenminste, zolang er niet nog meer brokstukken naar beneden komen. Sinds bijna drie jaar vallen nu en dan brokstukjes, pleisterwerk en zelfs grotere stenen van de gevel van het Colosseum. De originele mortelspecie die de fragmenten bij elkaar hield, blijkt volledig verkruimeld. Ook vochtigheid en temperatuursverschillen zouden de aftakeling in de hand werken. Al eerder werden veiligheidshekken rond de risicogedeeltes geplaatst en werden er vangnetten rond de eerste verdieping van het monument gespannen. Die breken meestal wel de val van de grotere brokstukken, maar soms bereiken de stenen toch de grond.
Het Flavische Amphitheater heeft eeuwenlang branden, vandalisme, verwoestingen, roofbouw en aardbevingen overleefd, maar is er nu slechter aan toe dan ooit. Het gaat alles behalve goed met de nationale trots van Italië. Ook de vervuiling en roetaanslag, vooral aan de straatzijde, nemen fel toe. Het is amper dertien jaar geleden, ter gelegenheid van het jaar 2000, dat het Colosseum grondig werd gereinigd, maar daar is op de meeste plaatsen nog maar weinig van te zien.
Afgezien van enkele door blikseminslag (o.a. in 217) veroorzaakte branden, bleef het Colosseum tijdens het hele keizerlijke periode intact. Noodzakelijke herstelwerkzaamheden werden regelmatig uitgevoerd, in het bijzonder door Severius Alexander (222-235), door Gordianus III (238-244) en door Decius (249-251). De laatste restauratie staat op naam van Theodorik. Het Colosseum werd beschadigd bij de aardbeving van 407 en in 422 hersteld. Gladiatorengevechten werden pas in 438 door de door christenen gedomineerde Senaat verboden. In 442 en 470 schudde het gebouw opnieuw op zijn grondvesten. Tot 523 bleven er echter gevechten tussen dieren plaatsvinden.
Nadat de spelen waren afgeschaft bleef het Colosseum vanaf de zesde eeuw tot 1084 ongebruikt. De onderbouw raakte gevuld met water, modder en onkruid. Na de zesde eeuw werden in de lege gedeelten van het Colosseum woningen gebouwd en ging het gebouw ook dienen als opslagplaats voor materialen. De reizigers die Rome doorkruisten kenden het bouwwerk goed; het stond vermeld in de ‘gidsen’ die voor de pelgrims werden samengesteld, maar men verwittigde wel voor de kwaadaardige geesten die er rondspookten. In het volksgeloof was het oude amfitheater de eerste van alle heidense tempels, zoals de Sint-Pietersbasiliek de eerste van alle aan de ware God gewijde basilieken was. Het was dus logisch dat Satan het Colosseum gebruikte voor boze doeleinden.
In de loop der tijd werd het amfitheater een vooruitgeschoven bastion van de Palatijnse heuvel, dat tijdens de twaalfde eeuw door de pausen aan de Frangipani werd toevertrouwd. Dat bastion bevond zich aan de kant van de huidige Piazza del Colosseo, aan de zijde van het metrostation en omvatte een derde van het amphitheater, de rest viel onder de Romeinse senaat. In 1231 had een aardbeving andermaal een aanzienlijk stuk van de gevel doen instorten. Toen de Frangipani in 1244 de helft van het Colosseum aan de Annibaldi, die in dienst van keizer Frederik II stonden, wilden afstaan, verzette paus Innocentius IV zich hiertegen en verzekerde opnieuw de rechten van de Kerk op het monument.
Tegen het einde van de dertiende eeuw moesten de Frangipani hun vesting verlaten, die in handen viel van de Annibaldi, ditmaal zonder dat de paus er zich tegen kon verzetten. Na korte tijd in bezit te zijn geweest van keizer Hendrik VII, kwam het amfitheater weer terug in het bezit van “de senaat en het volk van Rome”, terwijl er in de maand september van het jaar 1322 door hen een op antieke leest geschoeid schouwspel werd gegeven. In de loop van dit schouwspel, een jacht (herinnering aan de oude venationes) vonden 18 jonge adellijke Romeinen de dood. Daarna lieten de Romeinen het Colosseum weer aan zijn lot over, om uiteindelijk een haast onuitputtelijke kant-en-klare steengroeve te worden.
In 1349 deed een nieuwe aardbeving een twintigtal bogen instorten. De twisten tussen het stadsbestuur van Rome en de Frangipani, beoogden slechts aan de ene of de andere partij het monopolie van de exploitatie van de ruïne te verzekeren. Het volk, onverschillig om dit geruzie, haalde er reeds sinds lang het lood en het brons weg waarmee men vroeger de muurankers had vastgezet die de stenen op hun plaats hielden. De littekens hiervan zijn thans nog zichtbaar.
Toen het Colosseum eindelijk als vesting onbruikbaar was geworden, had het stadsbestuur het gebouw aan verscheidene liefdadigheidscongregaties toegewezen. In 1381 diende het om er een onderafdeling in te richten van het hospitaal van het Lateraan. In 1431 voegden de monniken van Santa Maria Nova (nu Santa Francesca Romana) het Colosseum bij hun klooster, maar het volk vernielde later de door de monniken gebouwde ringmuur. In 1451 begon men opnieuw het Colosseum te beroven van marmer en travertijn die men zonder al te veel krachtsinspanning kon losbreken. Tien jaar later roofde men ook de marmeren platen die de trappen van het amfitheater bedekten om er de treden van de trap voor de (oude) Sint Pietersbasiliek mee te herstellen.
Het pontificaat van Paulus II (1464-1471) was niet minder rampzalig voor het Colosseum. Vrijwel het hele zuidelijk gedeelte diende als steengroeve voor de bouw van het huidige Palazzo Venezia. Weldra volgde kardinaal Alexander Farnese dit voorbeeld voor de bouw van Palazzo Farnese. Ook voor de bouw van de Cancelleria en zelfs voor de dom van Orvieto, werd materiaal uit het Colosseum gehaald. Dat gebeurde later ook voor de bouw van de Sint Pieterbasiliek en Palazzo Barberini. Van paus Nicolaas V (1447-1455) wordt gezegd dat hij maar liefst 2.500 wagens met marmer liet roven uit het Colosseum en het Forum Romanum.
Tijdens het pontificaat van paus Sixtus V (I585-1590) was het Colosseum bijna het slachtoffer geworden van een paus die, zoals hij zelf toegaf, van plan was de rommelige ruïnes volledig op te ruimen. Gelukkig werd dit project afgevoerd, naar verluidt omdat het gebouw uiteindelijk te groot werd bevonden om afgebroken te worden. Dat zou voor de paus een te dure zaak geworden zijn.
Het Colosseum vervolgde zijn eenzame bestaan en de bedelaars en vogelvrijen van Rome richtten er onneembare schuilplaatsen in. Tot in het midden van de negentiende eeuw was het gevaarlijk om ‘s nachts in deze doolhof van arcaden door te dringen waar allerlei zaken gebeurden die het daglicht niet mochten zien.
In het begin van de achttiende eeuw had paus Clemens XI door het dichtmetselen van de arcaden op de begane grond geprobeerd een einde te maken aan dit gevaar, doch tevergeefs. Later poogde paus Benedictus XIV (1740-1758) van de arena een heiligdom te maken door ze toe te wijden aan het lijden van Jezus: veertien kapellen vormden de haltes van een grootse kruisweg, terwijl in het midden een monumentaal kruis was opgericht. Dat kruis werd in 1874 door de Italiaanse regering verwijderd maar in 1926 teruggeplaatst. In 1743 werd er zelfs een kerkje, de Santa Maria della Pietà, in het Colosseum gebouwd.
Aan paus Pius VII was het te danken dat het grootste gedeelte van het puin, vooral afkomstig van de instortingen tengevolge van de aardbeving van 1703, werd weggeruimd. Hij liet ook de afbrokkelende buitenmuur stutten door de moderne bakstenen steunmuren aan de buitenste galerij. De structuur is vandaag nog te zien. Deze consolideringswerkzaamheden werden door paus Leo XII voortgezet, onder leiding van architect Giuseppe Valadier. Pas in 1893-1896 werden de laatste storende aangebouwde woningen verwijderd. Sindsdien is het Colosseum een ‘historisch monument’ geworden. Het was paus Johannes XXIII (1958-1963) die de ceremonie van de kruisweg op Goede Vrijdag in het Colosseum opnieuw instelde.
Oorspronkelijk gepubliceerd door de stichter van S.P.Q.R. op romenieuws.wordpress.com, op 25 oktober 2013. Bekijk het origineel.

