Vernielingen in de Santa Maria Maggiore-basiliek

Lichte, scherpe silhouet van de Lupa Capitolina, gebruikt als vervangfoto

In Rome heeft een geestesgestoorde man eerder deze week schade toegebracht aan het hoofdaltaar van de beroemde Santa Maria Maggiore-basiliek. De man beschadigde ook een historisch waardevolle kandelaar. Kort voor de feiten was de 74-jarige erin geslaagd uit een psychiatrische instelling te ontsnappen. Een misdienaar en een bezoeker van de basiliek slaagden erin de man te overmeesteren. Als het zo voortgaat moeten Rome-bezoekers binnenkort overal doorheen metaaldetectoren en langs veiligheidsmensen wandelen en worden de inmiddels al beruchte “security-files” nog een stuk langer. Tegenwoordig is het alles behalve gemakkelijk om op drukke dagen de Sint-Pieter, het Colosseum of zelfs de musea op het Capitool te bezoeken. De vrees voor aanslagen en vandalisme wordt alsmaar groter. De meeste kerken in Rome zijn ware schatkamers maar ze zijn ook gratis toegankelijk en nauwelijks beveiligd. Dat zou in de toekomst weleens kunnen veranderen.

De Santa Maria Maggiore is de grootste van de ongeveer tachtig Romeinse kerken die aan Maria zijn gewijd, vandaar de naam Maggiore (meerdere). De kerk is eigenlijk extra-territoriaal Vaticaans grondgebied en is één van de vier pauselijke basilieken (de overige zijn uiteraard de Sint-Pieter, de Sint-Jan van Lateranen en Sint-Paulus-buiten-de-muren).

Aan het ontstaan van de Maria Maggiore is een mooi verhaal verbonden. Tijdens nacht van 4 op 5 augustus in het jaar 352 droomde de Romeinse eigenaar van de heuvel Julianus dat Maria aan hem verscheen en hem opdracht gaf om voor haar een kerk te bouwen op de plek waar het ‘s ochtends sneeuwde. Ondanks de zomerse hitte lag er de volgende morgen een pak verse sneeuw op de top van de Esquilijn. Nadien bleek dat paus Liberius precies hetzelfde had gedroomd. De kerk kwam er dus. Op een reliëf van Stefano Maderno, boven het altaar in de fraaie Borghesekapel (links vooraan in de kerk) en in een mozaïek in de buitenloggia is te zien hoe paus Liberius in de sneeuw de plattegrond van de kerk tekent. Ook vandaag nog laat men elk jaar op 5 augustus om halfelf ‘s morgens in de kapel witte bloemblaadjes over de gelovigen neerdwarrelen om het sneeuwwonder te gedenken.

De Maria Maggiore bevat een onvoorstelbare rijkdom aan bezienswaardigheden en oudheidkundige werken. Voor veel mensen is het één van de mooiste kerken in de stad. De madonna met kind boven het altaar in de Borghesekapel is geschilderd door de evangelist Sint-Lucas en is de oudste afbeelding van Maria ter wereld. Sint-Lucas is daardoor ook de patroon van de schilders. In deze kapel hadden ook enkele pausverkiezingen plaats. Op 29 april 1964 werd hier het huwelijk tussen prinses Irene (de tweede dochter van Juliana en Bernhard van Nederland) en Carlos Hugo van Bourbon-Parma ingezegend. Irene werd in hetzelfde jaar rooms-katholiek gedoopt en deed met dit huwelijk ook afstand van recht op troonopvolging. Hun huwelijk werd ontbonden op 27 mei 1981.

Recht tegenover de Borghese-kapel zie je de Sixtijnse kapel van Domenico Fontana, gebouwd in 1584 voor paus Sixtus V (de gelijknamige en veel beter bekende kapel in het Vaticaan werd gebouwd voor paus Sixtus IV). Links en rechts zie je twee pauselijke graven, respectievelijk van Sixtus V en Pius V (1566-1572). De voorzijde van het graf van Pius V kan neergeklapt worden zodat zijn lichaam te zien is. Rechts van het hek rond het koor bevindt zich in een trede ingelegd, het graf van de familie Bernini. De Romaanse klokkentoren van de Maria Maggiore dateert uit 1376 is met z’n 75 m de hoogste van Rome. Meten rechts van de ingang vind je het graf van Clemens IX (1667-1669) die al bij z’n leven een reputatie van heiligheid had. Onder het altaar worden in een zilveren schrijn (een geschenk van Filips II) de resten van de kribbe bewaard die onder Theodorus I (642-649) uit Bethlehem naar Rome werden gebracht. Voor het altaar zit een biddende paus Pius IX.

Behalve de overblijfselen van de kribbe beschikt deze kerk over enkele stenen van de geboortestal van Christus, stro waarop Jezus zou hebben gelegen en fragmenten van de windsels waarin het kerstkind was gewikkeld. De stukken van de kribbe worden elk jaar op 24 december in processie door de kerk gedragen en vervolgens tentoongesteld. Het pauselijk altaar rust op een antieke badkuip waaronder de beenderen van Sint-Marcus worden bewaard. Het baldakijn zelf wordt gedragen door zuilen die afkomstig zijn uit de Villa Hadriana in Tivoli.

De fraaie mozaïek in de apsis dateert uit 1295 en werd gemaakt door Jacopo Torriti. Het goud in de zoldering werd aangebracht door Giuliano da Sangallo en is het eerste goud dat Christoffel Columbus aan het einde van de 15de eeuw uit Amerika heeft meegebracht. Dat goud werd door Ferdinand van Spanje aan paus Alexander VI geschonken uit dankbaarheid omdat hij in 1494 de nieuwe koloniale wereld in twee had gedeeld met het zogenaamde verdrag van Tordesillas. De oostelijk helft gaf hij aan Portugal, de westelijke helft aan Spanje, waar hijzelf vandaan kwam.

De 28 mozaïekjes boven het middenschip zijn nog veel ouder. Deze dateren uit de 5de eeuw en werden gemaakt met steentjes in zo’n 180 verschillende kleuren. Op het plein voor de kerk staat een zuil uit de basiliek van Maxentius uit het Forum Romanum. Aan de achterzijde van de kerk, op het Piazza dell’Esquilino, staat een obelisk uit het Mausoleum van Augustus.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 25 maart 2006 op het Romenieuws-archief.