De obelisk bij de Santa Maria Maggiore

20220329 200130 (2025 11 21 13 43 38 utc)

11 mei 2023 —

Reeks de Sixtijnse obelisken – Aflevering 2

Clublid Frans Veevaete verzorgt een reeks over de obelisken die paus Sixtus V (1585-1590) heeft laten heroprichten. Vandaag de tweede aflevering: de obelisk op de Esquilijn, achter de Santa Maria Maggiore.

De Esquilijnse obelisk verheft zich op de Piazza dell’Esquilino, aan de voet van de brede trap die leidt naar de apsis van de basiliek Santa Maria Maggiore. Dit is de kleinste van de vier Sixtijnse obelisken. Evenals de Vaticaanse obelisk is ook deze anepigrafisch, dit wil zeggen dat er geen hiëroglyfen zijn op aangebracht; bovendien heeft de obelisk geen piramidion.

Over de vroegste geschiedenis ervan zijn we zeer pover ingelicht. We moeten het stellen met twee korte vermeldingen in de antieke literatuur. Plinius Maior (1ste eeuw n.Chr.) vermeldt in zijn Naturalis Historia XXXVI, 67 dat er twee obelisken zijn zonder hiëroglyfen, en met een lengte van 48 el, en dat de ene is opgericht door Ramses II (niet Ramses de Grote, maar een farao met dezelfde naam uit de 7de eeuw v.C.), de andere door Pepi I (omstreeks 2300 v.C.). Plinius geeft niet aan op welke plaats in Egypte ze stonden en ook niet dat ze naar Rome werden overgebracht. Wel komt de lengte ongeveer overeen met de Esquilijnse obelisk en met die op de Piazza del Quirinale, beide anepigrafisch.

De historicus Ammianus Marcellinus (4de eeuw n.Chr.) verhaalt eerst over de obelisken die Augustus liet oprichten in Rome, waarna hij schrijft dat “de volgende generaties” andere obelisken overbrachten waarvan er één op het Vaticaan werd opgericht, een andere in de tuinen van Sallustius en twee bij het monument van Augustus.

“De volgende generaties” slaat dus op keizers nà Augustus: voor de Vaticaanse obelisk is dit Caligula en voor die in de Tuinen van Sallustius is dit waarschijnlijk Hadrianus, maar voor die obelisken bij het mausoleum van Augustus is niet geweten welke keizer de monolieten liet overbrengen. Men vermoedt dat het Domitianus (81-94 n.C.) was, omdat Plinius en de geograaf Strabo het mausoleum wel moeten hebben gekend, maar niet over die obelisken spreken; vermoedelijk omdat ze er nog niet stonden. Maar dàt ze er ooit hebben gestaan, weten we uit Ammianus Marcellinus en uit het feit dat de brokstukken van beide obelisken naast het mausoleum zijn teruggevonden.

De 19de-eeuwse Romeinse archeoloog Nibby meende dat het acceptabel was om het transport en de oprichting van de twee obelisken aan Domitianus toe te schrijven; dat het om de twee obelisken van Plinius ging is waarschijnlijk, gezien de overeenkomst van hun lengte en het ontbreken van hiëroglyfen. Bovendien leefde er in Rome onder de Flaviërs en vooral onder Domitianus een sterke interesse voor de Egyptische cultuur; denken we maar aan de heropbouw van het Iseum en Serapeum op het Marsveld en de talrijke obelisken op de temenos ervan.

Het is niet bekend wanneer de obelisken voor het mausoleum van Augustus zijn omgekanteld en evenmin wat er de oorzaak van was, maar zeker moet het in de vroege middeleeuwen zijn geweest, misschien als gevolg van een aardbeving, of als gevolg van de verwoestingen door de barbaren, of door de pausen die de afgodencultus een halt wilden toeroepen, of gewoon door het Romeinse volk zelf in de talrijke opstanden onder de rivaliserende families van Rome. Een feit is zeker: zodra ze waren omgevallen, geraakten ze bedolven onder puin en aarde en werden ze vergeten.

In 1519, ten tijde van Leo X, werd tijdens een opgraving in het mausoleum de obelisk links van de ingang teruggevonden, in vier stukken gebroken. Op verzoek van de paus werden de brokstukken opgedolven en overgebracht naar de naburige Via di Ripetta met de bedoeling de obelisk weer op te richten op een nog nader te bepalen plaats, maar na de dood van de paus in 1523 werd het project opzij geschoven en bleef de obelisk liggen in het midden van de straat. Op de plannen van Rome uit deze periode (Bufalini 1551, Dupérac 1577, etc.) wordt de aan stukken liggende obelisk weergegeven links van de voorgevel van de kerk San Rocco.

Toen kardinaal Felice Peretti-Montalto in 1585 paus Sixtus V was geworden, gaf hij de opdracht om de brokstukken van de obelisk over te brengen naar het pleintje achter de basiliek van Santa Maria Maggiore, aan de voet van de Cappella del Presepio en ongeveer voor het grote toegangshek van zijn eigen Villa Peretti-Montalto. Het transport was op enkele dagen klaar, maar de stukken bleven daar nog 20 maanden liggen, tot het werk aan de Vaticaanse obelisk klaar was.

In maart 1587 begon men met de funderingen, terwijl ondertussen de helling van de Esquilinus werd geëgaliseerd en het plein werd verbreed door twee kerkjes te slopen. Onder leiding van Domenico Fontana werden de werken uitbesteed aan zijn broer Marsilio en zijn neef Carlo Maderno, die ook aan de Vaticaanse obelisk hadden gewerkt.

Het voetstuk werd ontworpen en de vier stukken van de obelisk werden opnieuw stevig aan elkaar gezet met pinnen en klampen. De onregelmatigheden in de schacht, veroorzaakt door beschadiging, werden opgevuld met dezelfde steensoort. In plaats van op vier astragalen (voetjes) te laten rusten zette men de obelisk nu met het hele voetstuk op de basis. Het piramidion ontbrak, maar dit werd gecamoufleerd door bovenop de obelisk de heraldische tekenen van Sixtus V te plaatsen, zijnde het trimonzio, de ster en het kruis, gegoten in brons.

Op 29 juli 1587 werd de schacht rechtop geplaatst, en de echte inauguratie met de ceremonie van het exorcisme vond plaats op 13 augustus.

De schacht van de obelisk is 14,75 m lang: de totale hoogte van het monument (sokkel tot en met het kruis) bedraagt 26,85 m. Op het monument zijn de volgende inscripties te lezen:

Op de sokkel, gericht naar het zuiden, naar Santa Maria Maggiore:

CHRISTUS

PER INVICTAM

CRUCEM

POPULO PACEM

PRAEBEAT

QUI

AUGUSTI PACE

IN PRAESEPE NASCI

VOLUIT

Vertaling: Moge Christus het volk bij middel van het onoverwinnelijke kruis de vrede schenken, Hij die tijdens de augusteïsche vrede in een kribbe wilde geboren worden.

Op de sokkel, gericht naar het oosten, richting Via di Santa Maria Maggiore:

CHRISTI DEI

IN AETERNUM VIVENTIS

CUNABULA

LAETISSIME COLO

QUI MORTUI

SEPULCHRO AUGUSTI

TRISTIS

SERVIEBAM

Vertaling: Ik sier met grote vreugde de wieg van de eeuwiglevende Christus en God, ik die de droevige plicht had het graf van de overleden Augustus te dienen.

Op de sokkel, gericht naar het noorden:

CHRISTUM DOMINUM

QUEM AUGUSTUS

DE VIRGINE

NASCITURUM

VIVENS ADORAVIT

SEQ. DEINCEPS

DOMINUM

DICI VETUIT

ADORO

Vertaling: Ik aanbid Christus de Heer, die Augustus tijdens zijn leven aanbad toen Hij nog uit de Maagd zou geboren worden, waarna hij (= Augustus) verbood nog Heer te worden genoemd.

Op de sokkel, gericht naar het westen, richting Via Liberiana:

SIXTUS V PONT. MAX.

OBELISCUM AEGYPTO ADVECTUM AUGUSTO

IN EIUS MAUSOLEO DICATUM EVERSUM DEINDE

ET IN PLURES CONFRACTUM PARTES IN VIA

AD S. ROCHUM IACENTEM IN PRISTINAM

FACIEM RESTITUTUM SALUTIFERAE CRUCI

FELICIUS

HIC ERIGI IUSSIT

ANNO M.D. LXXXVII. PONT. III

Vertaling: Paus Sixtus V gaf de opdracht de obelisk, die uit Egypte was overgebracht en toegewijd was aan Augustus bij zijn mausoleum, maar die nadien op de straat omvergeworpen lag bij de kerk van San Rocco, in zijn vroegere toestand te herstellen en hier op te richten voor een heilzamer doel, namelijk ter ere van het reddende kruis, in het jaar 1587, het derde van zijn pontificaat.

Op de plint aan de westelijke zijde:

EQUES DOMINICUS

FONTANA ARCHITECTUS

EREXIT

Vertaling: Ridder Domenico Fontana, architect, heeft [mij] opgericht.

De tekst van deze Nieuwsbrief is gebaseerd is op een veel grondigere studie van clublid Frans Veevaete.