DE BOUWGESCHIEDENIS VAN HET CIRCUS MAXIMUS – deel 1

11 20220914 150232 (2025 11 21 13 43 38 utc)

13 juli 2023 —

Op 13 juli zou Eric Claes, stichter en voorzitter van onze vereniging, 63 jaar geworden zijn. Helaas missen we hem sinds 15 maart.

Op deze dag herdenken we deze uitzonderlijke man en passeren mooie herinneringen en anekdotes de revue. Voor wie nieuw is in de vereniging, maar ook voor alle anderen: neem een kijkje op de website www.spqr.be , daar vindt u een In Memoriam. Om nooit te vergeten.

Het Circus Maximus kwam reeds in zesde eeuw v.Chr. tot stand en zou blijven bestaan tot na de val van het West-Romeinse Rijk in 476 n.Chr. In deze en de volgende Nieuwsbrief schetsen we de bouwgeschiedenis van het monument.

Op de plaats waar in de vroege Koningstijd de paardenwedrennen werden gehouden ter ere van Consus (de god van het geborgen graan) langs de heilige grens van het pomerium bouwde men het eerste circus van de stad, dat het grootste zou blijven en daarom Maximus werd genoemd. De bouw ervan wordt door de bronnen nu eens aan Tarquinius Priscus toegeschreven, dan weer aan Servius Tullius of aan beiden. In die periode bestond het eenvoudigweg uit een afgebakende zone met houten zitbanken voor de toeschouwers en een stelling die een schutdak droeg, ook volledig in hout.

Aan Tarquinius Priscus schrijft men ook de instelling van de paardenwedrennen toe. Die wedstrijden werden gehouden ter gelegenheid van belangrijke Romeinse spelen, zoals de Ludi Romani of Ludi Magni, ter ere van Iuppiter Optimus Maximus.

Sinds de republikeinse tijd moet zich in het Circus Maximus een pulvinar hebben bevonden, oorspronkelijk een eenvoudig houten platform, mogelijk met een zeil overdekt. De godenbeelden die tijdens de openingsstoet in het circus op bedden waren meegedragen, kregen daarna een onderkomen op dat pulvinar, zodat ze op een ideale manier konden assisteren aan de religieuze plechtigheden waarvan de paardenwedrennen het hoogtepunt vormden.

De oudste bekende interventie op het gebied binnen de muren heeft betrekking op de carceres van het Circus Maximus, dit zijn de twaalf starthokken aan de korte westelijke zijde vanwaar de paarden en de vierspannen vertrokken voor de race. Volgens de historicus Livius kregen de carceres een vaste vorm in 329 v.Chr. en hadden ze houten bekleding die vermoedelijk was beschilderd. Het ging om structuren voorzien van deuren die gelijktijdig opengingen bij het signaal van de wedstrijdleider. Die assisteerde bij de wedrennen samen met andere magistraten. Zij stonden bij de torens aan beide zijden van de carceres, die het geheel het uitzicht van een versterkte burcht gaven. Voor de rechtstanden tussen de carceres stonden ithyfallische hermen, de beelden van de god Hermes / Mercurius die de loop van de paarden beschermde. Het aantal deuren herinnerde aan de Twaalf Goden en aan de twaalf constellaties in de Dierenriem. De carceres waren verdeeld over de vier ploegen die deelnamen aan de wedstrijden en die waren verbonden met een kleur, een seizoen en een element van de kosmos.

Vanaf het einde van de derde eeuw v.Chr. vingen in het Circus Maximus bouwwerkzaamheden aan die twee eeuwen later, onder Julius Caesar, resulteerden in een stenen monument. Voordien bestond het gedeeltelijk uit houten constructies die door hun natuur vergankelijk waren. In 217 v.Chr. werd aan Manius Valerius Maximus en aan zijn nakomelingen op het pulvinar een plaats toegekend voor de sella curulis, de zetel die was gereserveerd aan de belangrijkste politieke ambtenaren. In 204 v.Chr. lieten de censores Marcus Livius Salinator en Caius Claudius de straat aanleggen die rond het Circus Maximus zou lopen en het Forum Boarium met de tempel van Venus Obsequiens zou verbinden. Die straat correspondeerde ongeveer met de huidige Via dei Cerchi en Via del Circo Massimo.

In 178 v.Chr. brak een brand uit die een groot gedeelte van het circus samen met de tempel van Venus verwoestte. Die brand gaf aanleiding tot restauratiewerkzaamheden die hun beslag kregen in 174 v.Chr. tijdens de censuur van Quintus Fulvius Flaccus en Aulus Postumius Albinus. Deze censoren restaureerden de carceres en lieten ook de uitrusting plaatsen of restaureren die werd gebruikt bij de wedrennen en de andere spektakels: het telmechanisme in de vorm van eieren, de metae, de ijzeren kooien voor de wilde en exotische dieren die werden ingezet bij de dierenjachten (venationes) en de torens waarop de jagers plaatsnamen.

Pas op het einde van de Republiek was het Circus Maximus een vast gebouw, volledig opgetrokken in steen en marmer. Dit eerste circus, dat in de daaropvolgende eeuwen model stond voor de talrijke circusgebouwen verspreid over het hele Romeinse rijk, werd in 46 v.Chr. gerealiseerd door Julius Caesar ter gelegenheid van zijn viervoudige overwinning. Van deze bouwfase in opus reticulatum zijn slechts weinig structuren teruggevonden, namelijk langs de oostelijke zijde, onder de muren uit de tijd van keizer Trajanus, die er het grondplan van volgde en op de funderingen ervan voortbouwde.

Volgens de historicus Dionysius van Halicarnassus was het oorspronkelijke gebouw 3,5 stadia lang (circa 621 m), met een breedte, vermoedelijk alleen verwijzend naar de breedte van de arena, van 4 plethra (ongeveer 118 m). Op uitzondering van de zijde van de carceres was heel de arena omgeven door een kanaal, euripus genaamd, dat een 10 voet of 3 meter diep was en even breed. Dat diende voor de afvoer van het water en tegelijk beschermde het de toeschouwers tegen de wilde dieren. Nog steeds volgens Dionysius van Halicarnassus verhieven zich rondom dat kanaal portieken (stoai) op drie verdiepingen, waarbinnen zitplaatsen waren aangebracht voor de toeschouwers; deze zitplaatsen waren van steen op de onderste verdiepingen en van hout op de hogere (derde) verdieping. De zuilengangen langs de lange zijden waren verbonden met een derde halfcirkelvormige portiek aan de smalle oostelijke zijde. De carceres aan de westelijke zijde waren niet voorzien van een portiek; ze waren gebouwd uit gekromde hekken, vermoedelijk nog onder de blote hemel, en konden gelijktijdig worden geopend met een touw.

In tegenstelling tot het gebouw uit latere tijden bevond zich aan de buitenkant nog een vierde portiek met één verdieping, waarin de winkels en de woningen van de winkeliers waren ondergebracht. Aan de binnenkant ervan en ter hoogte van elke winkel bevonden zich de in- en uitgangen voor de toeschouwers, geschikt op een manier dat geen gedrang ontstond.

Vermoedelijk begon de spina (middenberm) vanaf dat ogenblik een monumentaal uitzicht aan te nemen: een lange verhoogde structuur over de lange as van de arena, misschien voorzien van enkele waterbekkens. Aan de twee uiteinden van de spina waren de metae geconstrueerd door drie kegelvormige palen. Op de spina stonden zuilen, beelden, het telmechanisme met eieren en kleine cultusgebouwtjes. Ook de veel oudere cultusgebouwen werden in de nieuwe structuur opgenomen: de tempel van Sol langs de kant van de Aventijn, het tempeltje van Murcia langs het zuidoostelijke deel van de euripus en de boog van Stertinius langs de gebogen zijde.

Augustus’ vriend Agrippa restaureerde het oude telmechanisme met de eieren en in 33 v.Chr. liet hij bovendien een tweede telmechanisme aanbrengen. Dit bestond uit zeven dolfijnen; bij elke ronde werd één van die dolfijnen gekanteld, zodat er water uit zijn bek spoot dat werd opgevangen in een eronder geplaatst bekken.

Ten minste vanaf deze periode kunnen we ons voorstellen dat de culten van Ceres en van Consus op de uiteinden van de spina de architectonische vorm hadden aangenomen die we alleen kennen via de iconografische bronnen uit de Keizertijd.

Nabij de oostelijke meta, aan de zijde van het telmechanisme met de eieren, zijn een rond aediculum (monòpteros) en een vierkante structuur voorgesteld, geïnterpreteerd als de ingangen tot het ondergrondse altaar van Consus. De monòpteros op het einde van de spina vertoont twee verdiepingen opgehouden door Korinthische zuiltjes die door hekken zijn verbonden en is overdekt door een kegelvormig dak.

Bij de tweede en westelijke meta stond een rond aediculum, overdekt met een koepel dat vermoedelijk de heilige plaats innam van de godin Ceres, de godin van de akkerbouw. We kunnen ons voorstellen dat, zoals bij de cultus van Consus, er zich onder dat aediculum eveneens een ondergrondse kamer bevond, oorspronkelijk een silo voor het bewaren van graan, toegewijd aan de godin, nadien veranderd in de symbolische ruimte waarin de primeurs van de oogst werden aangeboden.

Augustus restaureerde met medewerking van Agrippa ook de gedeelten van het Circus Maximus die door brand waren beschadigd. Bovendien liet hij eveneens op de tribunes aan de zijde van de Palatijn het monumentale pulvinar bouwen. Deze structuur, die het uitzicht van een tempel vertoonde, werd voor de eerste keer gebruikt door de keizer en zijn familie wanneer zij de wedrennen bijwoonden.

In 10 v.Chr. liet Augustus op het midden van de spina de obelisk plaatsen die hij vanuit Egypte had overgebracht en die nu op de Piazza del Popolo staat (zie de Nieuwsbrief van 8 juni 2023). Het ging om de obelisk van Ramses II (13de eeuw v.Chr.), afkomstig uit Heliopolis (Assuan). Hiermee wilde Augustus de twintigste verjaardag van de Slag bij Actium in 31 v.Chr. gedenken. De obelisk was ongeveer 24 m hoog en was oorspronkelijk toegewijd aan de Egyptische zonnegod Ra die op het onderste gedeelte van de monoliet staat afgebeeld. Augustus hernieuwde de dedicatie aan dezelfde god, zoals het staat vermeld op de basis. De toewijzing aan de zon werd eveneens uitgedrukt door het decoratieve vergulde element op het piramidion, de top van de obelisk, dat de vorm van een vlam kreeg.

Deze tekst is gebaseerd op de veel diepgaandere informatie die ons werd bezorgd door dhr. Frans Veevaete.

De tweede helft van de bouwgeschiedenis van het Circus Maximus lees je in de volgende Nieuwsbrief.